It’s hard to trust when all you have from the past is evidence of why you shouldn’t

Het vertrouwen is weg. Niet het vertrouwen in de hubby. Nee, integendeel. Dat is groter dan ooit. Niet het vertrouwen in de toekomst. Ik ben niet wanhopig, en geloof nog steeds dat er vroeg of laat een happy end aan dit momenteel trieste verhaal zal komen. Nee, het vertrouwen waarover ik het heb is het enige wat voor de meesten een vanzelfsprekendheid is: het vertrouwen in mijn eigen lichaam.

Tot begin maart 2015 heb ik altijd een goede band gehad met mijn lichaam. Ik was tevreden met hoe het er uit zag en kon eten wat ik wou zonder een grammetje bij te komen. Ik was zelden ziek, en áls ik al eens ziek was ging het meestal om een stevige verkoudheid die ik steeds na enkele dagen overwonnen had. Zelfs wanneer ik mijn tijdelijke intrek nam in kamer 458 van het ziekenhuis, was ik er nog steeds van overtuigd dat wat ik ook had ook wel weer snel zou overwaaien. Maar zoals je eerder al kon lezen, was niets minder waar. Het verdict was duidelijk: MS had de controle overgenomen. Hij was m’n lijf binnengeslopen en had stapje voor stapje mijn immuunsysteem overtuigd om met hem mee te werken. Blijkbaar zat die indringer er al een tijdje, en die hele tijd wist ik van niets. Mijn eigen lichaam had me verraden. En zo voelde ik me ook. Verraden. Alsof mijn lichaam een collaborateur was, die had meegewerkt met de vijand.
Sinds het stilstaan van mijn wereld legden mijn lichaam en ik een hele weg af. Een weg van elkaar opnieuw leren kennen, opnieuw vertrouwen opbouwen, van grenzen verkennen en verleggen. Er waren dagen waarop ik mijn lijf haatte omdat het weer eens toegaf aan MS, en dagen waarop ik het dankbaar was omdat het mij liet voelen dat de vijand weer in de aanval ging. Langzaam maar zeker leerde ik te luisteren naar mijn lichaam, leerde ik te luisteren naar wat het me toefluisterde zodat het niet meer zou hoeven te schreeuwen. En mijn lichaam fluisterde, zo stil dat de vijand niet kon meeluisteren. Zo konden we samen MS te slim af zijn, of dat was toch het plan.
Mijn lijf was er op de duur zo goed in geworden, in dat fluisteren, dat het mij ook andere dingen probeerde te vertellen. De laatste weken van de zomervakantie deed het dan ook z’n uiterste best om mij ditmaal een keertje goed nieuws te brengen. Subtiel, maar overduidelijk. Na enkele weken luisteren naar dat gefluister – wel maar met een half oor, moet ik toegeven – werd het nieuws dat mijn lichaam me wilde vertellen bevestigd met een dikke, vette plus. Ik was zwanger.
Vanaf dat moment was alles weer koek en ei tussen mij en m’n lijf. Ik zat voor het eerst sinds lange tijd weer helemaal goed in m’n vel. En mijn lichaam ook. Het deed z’n uiterste best om deze tijd zo aangenaam mogelijk te maken voor mij. Geen ochtendmisselijkheid of andere onaangename zwangerschapskwaaltjes, maar enkel en alleen het gelukzalige gevoel dat elke zwangere vrouw zou moeten ervaren. Ik liep op wolkjes, en ditmaal niet doordat mijn rechterbeen gevoelloos was. Nee, het was zalig… Het maakte dat ik de moeilijke relatie die ik het afgelopen jaar had met mijn lijf opeens vergat. Ik had weer het volste vertrouwen in mijn lichaam, we zouden de komende maanden immers nog goed moeten samenwerken om dat wondertje in mijn buik te laten groeien en ter wereld te brengen.
Met het slechte nieuws van de gynaecoloog was ik dat vertrouwen echter weer helemaal kwijt. De meting van het vruchtje toonde immers aan dat ons kindje al enkele weken niet meer leefde. Al bijna 3 weken droeg ik een dood kindje in mijn buik, en dat terwijl mijn buik nog zienderogen groeide en ook de andere symptomen er nog steeds waren. Mijn lichaam had me weer een rad voor de ogen gedraaid, had me laten geloven dat ik nog steeds zwanger was terwijl dat in werkelijkheid niet meer zo was. Weer voelde ik me verraden. Deze keer werkte m’n lijf niet mee met een vijand, maar opereerde het helemaal alleen. “Omdat de natuur het zo voorzien had”, zei de gynaecoloog. Zonder waarom. Zonder reden. Zomaar.
Ik merk wel dat het al spijt heeft van wat er gebeurde. Na het slechte nieuws van de gynaecoloog heeft m’n lijf alles in het werk gesteld om dit duidelijk te maken. De miskraam kon op natuurlijke manier gebeuren, net zoals ik wou, en kwam op het best mogelijke moment in het rouwproces van manlief en mij. Het herstel na de miskraam ging vlot en mijn lichaam was er sneller weer bovenop dan verwacht. Het fluisterde me al een paar keer toe dat MS weer is ontwaakt en verplicht me van tijd tot tijd om rust te nemen, voor mijn eigen bestwil. Maar ondanks alle moeite die het doet, zal het nog even duren vooraleer ik m’n lijf weer zal kunnen vertrouwen. Als dat nog enigszins mogelijk is…

De band tussen mij en mijn lijf is opnieuw verstoord. Wat begin september nog koek en ei was, is nu weer water en vuur. Wat moet ik nu nog geloven? Moet ik nu nog naar het fluisteren luisteren, of moet het negeren? Kan ik er op vertrouwen dat mijn lijf me de waarheid toefluistert, of moet ik wantrouwig zijn elke keer het me iets probeert te vertellen? Hoe kan ik het weer vertrouwen, als het verleden me de laatste jaren heeft bewezen dat het mijn vertrouwen niet waard is?

Tears are simply the raindrops from the storms inside of us

Ik heb gewacht. Wekenlang heb ik gewacht. Op de eerste dag die ik zou doorkomen zonder tranen. De dag waarop ik van ’s ochtends tot ’s avonds zou kunnen lachen, zonder dipjes waarin het voelt alsof ik elk moment kan instorten. De dag waarop ik kan terugkijken naar onze 6 gelukkigste weken zonder de tijd te willen terugspoelen. Naar de dag waarop ik aan ons kindje zou kunnen denken zonder dat het zo ontzettend veel pijn doet vanbinnen. De dag waarvan het nu lijkt dat hij nooit zal komen.

5 weken. Zo lang is het al geleden dat de vier woorden van de gynaecoloog onze wereld deden instorten. Zo lang al. En zo lang nog maar. Het ene moment lijkt het alsof die 5 weken een eeuwigheid overbruggen, het andere moment lijkt het alsof het gisteren was dat we ’s ochtends nog gelukzalig over mijn buik lagen te wrijven in bed. Hoe dan ook, terugdenken doet nog steeds pijn. Het zorgt nog steeds voor tranen. De ene keer enkele stille tranen die stiekem over mijn wangen rollen, de andere keer onophoudelijk en hartverscheurend snikken. Vooral dat laatste overvalt me op de meest onverwachte en ongewenste momenten. “Komaan M, houd u in…”, denk ik dan. Tevergeefs. Tanden bijten, met m’n ogen knipperen: het zijn slechts middeltjes om de tranen uit te stellen. Ik heb al geleerd dat ze uiteindelijk toch komen. En hoe langer ik het uitstel, hoe talrijker ze zijn.
Ik dacht dat het makkelijker zou worden. En zo voelde het ook even. Nadat de miskraam had doorgezet en ik het vruchtje van ons kindje 4 weken geleden had verloren, voelde ik me elke dag een beetje beter. Kon ik weer vooruitkijken. Lachen. Doorgaan met mijn leven. Dacht ik. Maar het blijft moeilijk. Of ik het nu wil of niet, er kunnen geen 5 minuten voorbijgaan zonder dat ik aan ons kindje denk. Aan wat we hadden, of bijna hadden. Aan wat we niet meer hebben, aan wat we zijn verloren. Aan wat ik was, en nu niet meer ben. Aan wat ik terug wil hebben en terug wil zijn, en dat ik dat alles zó mis.
Het zijn vaak kleine dingen, waar niemand bij stilstaat. De spiegel die me confronteert met mijn platte buik. De broek die ik enkele dagen voor het slechte nieuws van de gynaecoloog kocht die nu toch wel erg los rond m’n middel zit. Het kerst-verlanglijstje waarvoor ik massa’s ideeën had en waarvoor ik nu plots inspiratieloos blijk te zijn. Het reclamefoldertje met babybedjes,autostoelen en luiertafels dat rondslingert in de woonkamer. De tientallen Facebook-pagina’s die ik al had ge-vindikleuk-t. Het lied van onze openingsdans, dat speelde in de wachtkamer van de gynaecoloog enkele minuten voordat de grond onder onze voeten wegzakte. Dingen die voor anderen onopgemerkt voorbijgaan, maar die mijn hart keer op keer weer in tienduizend stukken uiteen laten spatten. En dan bijt ik, en knipper ik. Totdat ik niet meer kan en de tienduizend stukjes van mijn hart een weg naar buiten zoeken in de vorm van tranen. De tranen luchten op. Eens ik het bijten en knipperen opgeef en toegeef aan de tranen, lucht het op. Voor even toch. Totdat de grens weer wordt bereikt.

Ik wacht niet meer. Ik maak me geen illusies meer: dit zal nooit helemaal voorbij zijn. Ik zal me altijd blijven afvragen: wat als…? Ik zal ons engeltje nooit helemaal kunnen loslaten, en dat wil ik ook niet. Maar de pijn, die wel. Ik blijf geloven dat er ooit een dag zal komen waarop ik het kan. Ooit, nu nog niet. Maar ooit…

The world around you moves on as if your life was never shattered – and all you want the world to do is say that your baby mattered

Het nieuws dat het hartje van ons kindje niet meer klopte, sloeg in als een bom. Een bom die alle dromen die we hadden over ons kindje, ons gezinnetje, in 1 slag verwoestte. Alsof dat nog niet erg genoeg is, moet je deze bom nadien zelf ook nog een paar keer droppen. Bij familie, vrienden, collega’s, … We hadden het nieuws van ons kleine gelukje al met heel wat mensen rondom ons gedeeld, wat betekende dat we nu dit nieuws nog vaak zouden moeten herhalen. En daar keken we ontzettend tegenop. En toch…

Na het plusteken, de positieve bloedtesten bij de huisarts en de eerste echo op 7 weken, was het moeilijk om ons geluk nog lang voor onszelf te houden. Begin september hadden we al een aantal mensen ingewijd die ons heel nauw aan het hart liggen, maar we hadden afgesproken om het grote nieuws pas mee te delen aan onze vrienden en de rest van de familie op mijn verjaardag. Dan stond er sowieso een feestje gepland. Oké, dan zou ik nog maar 10 weken zwanger zijn, en niet de 12 weken die vaak als mijlpaal worden gezien om dit nieuws aan de grote klok te hangen, maar wat was de kans dat er nog iets zou mislopen? Dachten we toch… En áls er iets zou mislopen, zouden we toch een vangnet nodig hebben? Mensen die zouden begrijpen waar we door zouden moeten, waarmee we zouden kunnen praten, … Maar we gingen er hoofdzakelijk van uit dat er niets meer mis zou gaan. Dus, zo gezegd, zo gedaan. Op mijn verjaardagsfeestje kondigde de hubby op zijn typische hij-manier aan dat ik zwanger was. Het nieuws kwam voor een aantal vriendinnen al niet meer als een verrassing, zij hadden immers al een sterk vermoeden doordat ik al een aantal weken geen druppel alcohol meer aanraakte wanneer we uitgingen. Niet dat ik anders een drankorgel ben, maar ik lust in het weekend toch wel een lekker biertje of een glaasje wijn. Ik was dus al door de mand gevallen, wat ik wel had verwacht. Voor een aantal anderen kwam het dan weer wel als een verrassing, hoewel onze kinderwens geen geheim was. In ieder geval, iedereen zag hoe gelukkig we waren en wenste ons het allerbeste toe. Na de turbulente periode het laatste anderhalf jaar gunde iedereen ons ons geluk des te meer. En nu iedereen op de hoogte was, hadden we nog meer het gevoel op wolkjes te lopen.
Na het nieuws bij de gynaecoloog waren niet enkel de wolkjes maar ook de grond onder onze voeten weggezakt. Ik heb nog nooit zo’n immens verdriet gevoeld. Ik wist niet dat dit zoveel pijn kon doen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik daar nooit bij had stilgestaan wanneer ik hoorde dat iemand een miskraam had gehad. Ik besefte wel dat het verschrikkelijk moest zijn om zoiets mee te maken, maar niet dat zelfs dat woord betekenisloos lijkt tegenover het verdriet waar je op dat moment mee om moet gaan. Ik weet nu en kan met 100% zekerheid zeggen dat, hoe empathisch en meevoelend iemand ook kan zijn, niemand weet hoe het voelt als je het zelf nooit meegemaakt hebt. Want wat voor de buitenwereld nog maar pril lijkt, erg klein is, nog geen “echt kindje” is, misschien bij wijze van spreken “nog niet echt iets is”, was voor ons alles. De 6 weken na het plusteken waren de mooiste van ons hele leven. We voelden ons fantastisch, alsof we de hele wereld aankonden. Onze grootste droom was werkelijkheid geworden en zat in mijn buik. Voor ons was dit niet “pril”, of “nog maar” een embryo of foetus, voor ons was dit een nieuw begin, een nieuw hoofdstuk, een nieuw leven. Ons kindje, waarvan we vanaf de eerste seconde onvoorwaardelijk hielden. Onze toekomst. Ons alles.
We besloten om, nadat we twee weken geleden ons geluk van de dagen schreeuwden, ook het slechte nieuws te delen. Met onze familie. Onze vrienden. Collega’s. En uiteindelijk met de wereld. Nadat we onze naaste omgeving persoonlijk op de hoogte brachten met een bezoekje, een telefoontje of een berichtje, postten we op zondag een berichtje op Facebook. Om aan iedereen te laten weten dat ons kindje een engeltje was geworden. Om aan de wereld te tonen wat voor een immens verdriet we hadden. Een bewuste keuze. Niet de keuze om medelijden op te wekken. Maar de keuze om ons kindje, ons engeltje, een werkelijk deel van onszelf en van de wereld te laten zijn. Ik had in de voorbije twee dagen al gemerkt wat voor een taboe er nog altijd rust op een miskraam als deze, zo vroeg in de zwangerschap. En als er één ding was dat ik niet van ons engeltje wilde maken, dan was het een taboe. Nee, ons kindje moet herinnerd worden, niet enkel door ons maar door iedereen rondom ons. Want er is geen dag in ons leven waarop we gelukkiger waren dan de dagen in de 6 weken waarin we wisten dat ons kindje er aan kwam.
We kregen veel reacties. Heel veel. Hartverwarmend veel. Troostende woorden en berichtjes om ons sterkte te wensen, en dat deed zo’n deugd. Want vanaf dat moment was ons engeltje niet enkel een deel van onze wereld, maar van de hele wereld. En dat was de grootste troost die we ons maar konden wensen: ons kindje had bestaan, en ons engeltje zal altijd blijven bestaan, voor iedereen.

We hebben ons kindje nooit in onze armen kunnen nemen, we hebben het nooit gezien, we wisten nog niet eens of het een jongen of een meisje zou worden. We zullen het ook nooit weten. Maar ons kindje was niet niets, het was alles. Voor ons toch. En dat mag de hele wereld weten. Dat moét de hele wereld weten. Hoewel 1 op 4 vrouwen op een moment in haar leven een miskraam krijgt, wordt hierover bijna niet gepraat. Er rust een taboe op, er wordt over gezwegen alsof deze kindjes nooit hebben bestaan. En dat is het érgste wat er volgens mij na de 4 woorden van de gynaecoloog had kunnen gebeuren: dat ons kindje zou worden dood gezwegen…

Twinkle, twinkle, little star… 

“Ik heb slecht nieuws.” 4 woorden. Meer was er niet nodig. De wereld stond niet stil deze keer. Terwijl de grond onder onze voeten wegzakte, draaide de wereld ditmaal genadeloos door…

Vrijdag 14 oktober moest een mooie dag worden. We werden immers bij de gynaecoloog verwacht voor de 12 weken – echo. Nadat we een viertal weken geleden het hartje van het kleine wondertje in mijn buik al konden zien kloppen, zouden we het vandaag voor het eerst te horen krijgen. We waren dus al van ’s ochtends opgewonden, hoewel de afspraak pas om 15u30 zou plaatsvinden. We keken er allebei zó naar uit om ons kleintje te zien, om te zien hoe hard het gegroeid was de afgelopen vier weken. Ik had mijn buik aanzienlijk zien uitdijen, dus ik was super benieuwd naar wat zich binnenin had afgespeeld. Niets wees erop dat er iets mis zou zijn, ik voelde me geweldig sinds ik het plusteken zag verschijnen op 1 september en op de echo op 7 weken 3 dagen was alles tiptop in orde: het vruchtje was goed ingenesteld en het hartje klopte duidelijk en regelmatig. We hadden dus geen enkele reden om ongerust te zijn, dachten we. Ja, de geplande nekplooimeting baarde ons wel ietwat zorgen, net als de NIPT-test die we zouden laten doen, maar zelfs die zorgen konden ons enthousiasme niet temperen. We keken er al naar uit om de komende dagen vol trots de echo van die dag te tonen aan de grootouders, overgrootouders, tantes, nonkels, aan onze vrienden, …
Het was druk in het ziekenhuis, erg druk zelfs. Ik denk dat ik nog nooit zoveel volk in de wachtkamer zag. Een allegaartje van jonge en oude mensen, zieke en gezonde mensen, mensen met en mensen zonder zorgen. Wij hoorden tot die laatste categorie, zaten een beetje te grappen en te dollen, en waren al helemaal gerustgesteld wanneer we “Mia” hoorden op de radio. “Da’s een goed teken!”, zei ik nog. En zo voelde het ook aan. Nog maar eens een teken dat alles in orde was.
Om kwart voor 4, met een kwartiertje vertraging, kwam het roze appeltje met het nummer van mijn badge op het scherm. Het was aan ons. Nu zou het niet lang meer duren voordat we onze kleine schat te zien zouden krijgen. Na het handjes schudden met de gynaecoloog en de nodige formaliteiten mocht ik plaatsnemen op de onderzoekstafel. De echo zou uitwendig genomen worden, waarvoor ik al blij was. Maar daar beslisten mijn darmen anders over, die lagen hopeloos in de weg. Toch maar inwendig dan… Ik kleedde me uit en nam opnieuw plaats op de tafel. De gynaecoloog deed haar ding, en al snel verscheen ons kindje in beeld. Maar iets klopte niet, dat zag ik meteen. Ik zag het aan de handelingen van de gynaecoloog, die maar bleef zoeken naar andere hoeken om het vruchtje te bekijken. Aan haar gezicht, dat plots een bezorgde frons vertoonde. En aan het beeld: een grijs beeld, waar geen beweging in zat. Geen flikkering, die er vorige keer wel was. Die flikkering, die vorige keer het kloppend hartje toonde. Die was er nu niet. Maar een tiental seconden wilde ik dit alles niet zien, en bleef ik gespannen wachten op het moment waarop de gynaecoloog ons alles zou tonen en van uitleg zou voorzien. Het moment waarop ze het hartje zou laten horen. Het moment dat nooit kwam… Geen uitleg over hoe ons kindje was gegroeid. In plaats daarvan de 4 woorden die niemand wil horen. “Ik heb slecht nieuws.” Waar een kloppend hartje hoorde te zitten, was niets te zien. Het hartje van ons kindje klopte niet meer. Al even niet meer, bleek uit de meting.
De tranen kwamen niet meteen. Dit te horen, was zo onwerkelijk. Dit kon niet waar zijn. Mijn buik was nog gegroeid de laatste weken, dat kon toch niet? Zat het dan allemaal in mijn hoofd? Zag ik wat ik wilde zien? Wanneer het besef langzaam aan binnensijpelde, voelde ik de tranen prikken in mijn ogen. En wanneer ze begonnen te stromen, was er geen stoppen meer.
Ik had nooit durven denken, me nooit kúnnen inbeelden hoe ontzettend veel pijn dit zou kunnen doen. Een stukje van mij, een stukje van hem, een stukje van ons is gestorven. Onze hele wereld draaide de afgelopen 6 weken om ons kindje, ons leven het komende jaar was al uitgestippeld. We waren helemaal klaar voor ons nieuwe leven met ons gezinnetje en keken er zo naar uit om ons kleintje te ontmoeten. We droomden over hoe we samen zouden gaan wandelen, hoe we samen naar zee zouden gaan, hoe we ons kleintje zouden knuffelen, hoe Felix als grote neef zorg zou dragen voor z’n neefje of nichtje, … Zoveel dromen, die zomaar uit elkaar spatten.

Wanneer we de wachtkamer passeerden, zaten er nog steeds veel wachtenden. Nog steeds dat allegaartje. Maar nu hoorden wij bij een andere categorie. Niet meer dat onbezorgde, jonge koppel vol toekomstdromen dat een dik half uur geleden het ziekenhuis binnenwandelde. Die 4 woorden hadden alles veranderd…

Happiness is homemade

Een plus. Een dikke, vette plus. En niet na 20 seconden, zoals de bijsluiter aangaf. Nee, na exact 16 tellen verscheen hij. Wat zich in de 5 minuten daarna afspeelde, kan ik me niet precies meer herinneren. Een wirwar van gevoelens ging door me heen, en ik kon niet uitmaken of ik nu moest lachen of huilen. Dus deed ik het maar allebei…

Donderdag 1 september 2016. Niet het moment om een zwangerschapstest te doen. Mijn laatste menstruatie was nog maar drie weken geleden en de volgende zou er pas eind volgende week aankomen. Toch voelde het alsof er iets niet klopte. Dus trok ik voor de zekerheid na de eerste schooldag naar het Kruidvat en kocht ik twee tests. Eentje om in het weekend te doen – voor de zekerheid – en eentje extra om in de kast te leggen tot het moment waarop we hem écht nodig zouden hebben.
Na het avondeten ging ik naar de praktijk van manlief om te oefenen. Die maakte de zeer subtiele opmerking dat ik toch wel “een buikje” had gekregen. Het laatste jaar was ik alleen maar afgevallen, dus elke gram die er ergens bij aan komt te hangen trekt de aandacht… Een blik in de spiegel vertelde me dat hij niet overdreef, het was een feit: het buikje was terug van weggeweest. En dat zette me aan het denken. Want naast het buikje dat opnieuw van de partij was speelden ook mijn hormonen de laatste weken wel eens op. Zou het… Nee, dat kon niet. “Niet hopen”, herhaalde ik tegen mezelf. Dat had ik de afgelopen maanden eens te meer gedaan aan het einde van elke cyclus, met telkens een teleurstelling tot gevolg.
Toch deed ik de test, meteen wanneer manlief thuis kwam van de praktijk. “Voor de zekerheid”, verzekerde ik hem. De volgende week zou ik immers op zeeklassen gaan, waar ’s avonds wel eens een wijntje werd gedronken en waar ik met de kinderen in de zotste attracties zou gaan tijdens onze daguitstap naar Plopsaland. Ik zou de test puur doen voor mijn eigen gemoedsrust, om me ervan te verzekeren dat ik niets verkeerd kon eten, drinken of doen.
Het was niet onze eerste zwangerschapstest, dus we kenden de hele routine al. Ik verdween met een plastic beker in het kleinste kamertje van het huis, terwijl manlief wachtte in de woonkamer. Gepruts met het plastiekje rond het doosje, de bijsluiter voor de zoveelste keer lezen, opnieuw gepruts met het plastiekje rond de test. Mikken, plassen, test erin en tellen. Eén, en twee, en drie, en vier, … 20 seconden zou ik de teststrip in de urine moeten houden, om dan weer 2 zenuwslopende minuten op het verdict te wachten. Hoewel het wachten ditmaal niet ondraaglijk zou zijn, nam ik mezelf voor. Ik ging er ditmaal namelijk van uit dat het resultaat negatief zou zijn.
Bij de vijftiende tel zag ik dat de vloeistof het venstertje bereikte. Bij tel 16 verscheen er een streep. En nog één. Twee strepen, die elkaar loodrecht kruisten. Een onmiskenbaar plusteken. Ik scheurde de bijsluiter haast in twee wanneer ik hem opnieuw ontvouwde om zwart op wit (blauw op wit, eigenlijk…) bevestigd te zien wat ik zonet had zien gebeuren en vooral: wat het betekende. Plus. Positief. Zwanger.
Met de test in mijn hand en ongetwijfeld een ongelooflijk idiote gezichtsuitdrukking opende ik de deur van de woonkamer. Manlief zag meteen dat het resultaat anders was dan de vorige keren. Wat ik precies heb gezegd, weet ik niet meer. Ik denk dat het niet meer dan enkele onsamenhangende half-afgemaakte zinnen waren, waarna ik hem de test toonde en hem stevig vastpakte. Achteraf vertelde hij me dat ik huilde en lachte tegelijk, en dat ik stond te trillen op mijn benen. Wat ik nog wél weet, is dat ik nooit eerder – en dat meen ik – nooit ofte nimmer zo’n geluk had gevoeld als op dat moment doorheen m’n hele lijf raasde.
Agenda erbij. Wanneer had ik mijn laatste menstruatie gehad? Dat kon geen echte menstruatie geweest zijn… Een innestelingsbloeding dan? Ik vond het al raar dat ik er al na 3 dagen van af was, en dat ik nergens last van had gehad, maar dat was voor mij aanvankelijk geen reden geweest om iets te gaan vermoeden. Maar soit, dan was mijn laatste menstruatie al van voor 20 juli, kort na onze reis. Tellen. Wanneer kan “het” dan gebeurd zijn? We besloten om hiervoor het bloedonderzoek af te wachten in plaats van te gissen, maar telden al even verder. Het zou er eentje worden voor de lente. April, om precies te zijn. Begin, midden of einde van de maand, dat lieten we nog even in het midden.
De volgende ochtend deed ik een tweede test. Voor de zekerheid. Weer dat overduidelijke plusteken, dat ervoor zorgde dat de kriebels in mijn buik zich weer vermenigvuldigden. Nu was er écht geen twijfel meer mogelijk: zo zwanger als wat!
Het bloedonderzoek bij de dokter de dag nadien schepte nog wat meer duidelijkheid. Volgens de waarden in mijn bloed was ik al in de 6e of 7e week van mijn zwangerschap. Dezelfde waarden toonden ook aan dat het vruchtje goed was ingenesteld. Oef. Weer een tikkeltje meer zekerheid.

Sinds 1 september, kwart voor 9 ’s avonds loop ik op wolkjes. Lopen wij op wolkjes. Manlief en ik, en de baby. Het geluk – ons geluk – raast nog steeds door mijn lijf, en I love it…