Because maybe, you’re gonna be the one that saves me

Beste nieuw jaar. Liefste tweeduizend achttien. Ik schrijf je een brief. Geen nieuwjaarsbrief, daarvoor ben je al net-niet-nieuw-genoeg meer. Gewoon, een brief. Om je te vertellen wat jij in jouw 27-dagen-korte leventje al in je me hebt losgemaakt. En om je iets te vragen.

Jouw voorgangers hebben me geen goed gedaan. Vooral tweeduizend zeventien was er eentje met meer downs dan ups. Ik voelde me dan ook echt niet goed in mijn vel de laatste maanden. Vermoeidheid maakte zich meer en meer meester van mijn lichaam en doemdenkerij nestelde zich in mijn hoofd. Het zat me niet mee, het zat ons niet mee, en dat heeft z’n sporen nagelaten. Sporen in mijn lijf, in mijn gedachten en in mijn hart.
Het liet ook z’n sporen na op mijn blog. Of beter gezegd: geen sporen, ik schitterde vooral door afwezigheid. Want wat kon ik schrijven? Dat er met periodes dagelijks tranen waren voor wat er niet was? Dat ik me ellendig voelde? Dat ik me steeds weer afvroeg wanneer ik een antwoord zou krijgen op de eeuwige “waarom”-vraag? Zelfbeklag en zelfmedelijden staan me niet, dus liet ik het schrijven achterwege.
Jouw voorgangers zorgden ervoor dat ik bij het naderen van jou als shiny new year niet meer durfde geloven in de nieuwe start die jij met je zou meebrengen. Jaar na jaar geloofde ik er in, en jaar na jaar werd ik teleurgesteld. Dus besloot ik begin december van het vorige jaar al dat weer zo’n nieuw jaar niet bijzonder of speciaal was. Maar oh, wat heb ik me daar vergist. Van zodra je er was, werd het immers al snel duidelijk dat jij wel eens dat ene jaar zou kunnen zijn. Dat jaar waarin alles anders wordt, in alle mogelijke opzichten. Dat jaar waar ik al jarenlang naar uitkijk.
Je staat nog maar in je kinderschoenen, tweeduizend achttien, en toch maakte je al heel wat in me los. Eerst liet je me springen. Ik waagde een grote sprong, zo eentje met kriebels in de buik. Ondertussen werd het me duidelijk dat die sprong geen dag te vroeg kwam. Dat het tijd was om die sprong te wagen. En waar ik uiteindelijk terecht kom? Dat zie ik dan wel weer. Wat ik wel weet is dat het sowieso op mijn spreekwoordelijke pootjes zal zijn, hoe dan ook. Want als er iets is dat jouw voorgangers me hebben geleerd, is het dat wel.
Na de grote sprong liet je me hakken. Een knoop die al een paar maanden in de weg zat werd doorgehakt. Het is één van de meest egoïstische dingen die ik ooit deed – of zo voelt het toch – maar het moest. Ik moet er nog aan wennen, aan die knoop die ik onverbiddelijk heb doorgehakt. Enerzijds doet het deugd dat hij niet meer in de weg ligt, anderzijds voel ik me schuldig omdat het doorhakken van die knoop ook gevolgen heeft voor de mensen rondom mij. Maar ik weet waarvoor ik het deed, en dat dat dubbele gevoel snel zal verdwijnen wanneer het uiteindelijke doel wordt bereikt.
Het feit dat jij me in die kleine maand al dingen liet doen die ik maandenlang (misschien zelfs jarenlang) niet voor mogelijk hield, maakt dat ik je steeds leuker ga vinden, tweeduizend achttien. Je bent anders dan de vorige jaren, dat is me alvast duidelijk.

Dus wil ik je iets vragen, lief jaar. Wil je me blijven verrassen? Wil je dat ene jaar worden? Je weet wel, dat jaar dat ook wel eens “mijn jaar” wordt genoemd. Ik kan het gebruiken, dat soort jaar. En aangezien ik je nu al leuk vind, ben jij het ideale jaar om die rol te vervullen, denk je ook niet? Want jij zou wel eens dat jaar kunnen zijn dat me weer wat meer “ik” kan maken. Het jaar dat me, na de ravage die jouw voorgangers hebben aangericht, zal redden…

Ik kijk er alvast naar uit!
Veel liefs,
M.

PS: als je dan toch bezig bent, gooi je er dan als het even kan een paar nieuwe M’etjes bij? Van die M’etjes waar ik blij van wordt, voor de verandering. Daar wacht ik al even op. Alvast bedankt!

Keep your head up – keep your heart strong

April. De gevreesde maand april. Ik keek er al tegenop vanaf het moment dat de vier woorden van de gynaecoloog onze wereld deden instorten. 28 april stond immers met een hartje aangeduid op onze kalender, als symbool voor mijn uitgerekende datum. En daar zal het bij blijven, een uitgerekende datum. Naast het feit dat ik daar al ontzettend tegenop zie, eist MS ook weer de nodige aandacht op. Wat een rotmaand.

Het ging. De laatste maanden ging er nog steeds geen dag voorbij zonder dat ik aan ons kindje dacht, aan wat had kunnen zijn, wat had moeten zijn maar niet mocht. Maar het ging langzaam maar zeker beter met me. Vooral de aanwezigheid van de zon de laatste weken maakt dat ik me elke dag een beetje beter voel. En toch knaagde er de laatste weken ook iets. Naarmate de getallen die de dagen van de maand maart telden hoger werden, kwamen er steeds meer vragen in me op. Vragen die altijd onbeantwoord zullen blijven. Hoe dik zou mijn buik nu zijn? Hoe lang zou ik onze dagelijkse wandelingetjes met ons Vicje nog volgehouden hebben? Hoe zou de babykamer er uit gezien hebben? Welke naam zouden we gekozen hebben? Hoe zou het geboortekaartje er uit zien? Zou hebben. Volgens de regels van de Nederlandse grammatica spreek ik dan in de voltooid verleden toekomende tijd. In praktijk is er echter helemaal niets voltooid, maar zal het verhaal van ons eerste kindje altijd onvoltooid blijven. 28 april is dus een datum waar ik allerminst naar uitkijk. Ook al is de kans heel klein dat ons kindje daadwerkelijk die dag zou zijn geboren, het zal voor altijd de dag blijven die me herinnert aan ons eerste kindje. Het kindje dat niet kwam.
Om van deze maand helemáál een rotmaand te maken, mag ik volgende week nog eens op bezoek in de MS-kliniek. Hoewel ik dacht dat er geen tests of consultaties meer op de planning zouden staan tot in juli, blijkt nu dat er toch een aantal routinetests gedaan dienen te worden. Ongeveer een jaar geleden onderging ik die hele reeks tests al een eerste keer. In de MS-kliniek wordt deze reeks jaarlijks herhaald, wat goed is voor twee keer een trip op en af naar Overpelt. Inderdaad, twee keer. Het ziekenfonds betaalt immers niet alles terug wanneer alle tests op dezelfde dag plaatsvinden. I know, ik zie hierin ook de logica niet, maar ik vind dat ze dan op z’n minst mijn vervoerskosten ook mogen terugbetalen…
De tests op zich zijn niet zo erg. Ik ken ze en ik weet dus waaraan ik me kan verwachten. Ik vind het op zich ook niet erg om naar de MS-kliniek te gaan. Je kon al eerder lezen dat ik me daar echt wel op m’n gemak voel. Ik ken er ondertussen de weg en ken er al heel wat mensen, die overigens stuk voor stuk su-per-vriendelijk zijn. Nee, ik kijk er niet per se tegenop om me volgende week donderdag weer aan te melden aan de receptie in Overpelt.
Wat dan wel het probleem is? Het feit dat het telefoontje vorige week me weer met de neus op de feiten drukte: ik heb MS. Ja, ik wéét dat ik MS heb. En ik wéét dat het nooit meer weggaat. En dat ik er zelf voor gekozen heb om naar de MS-kliniek te gaan en me daar te laten opvolgen. Ik ben er dag in – dag uit onbewust mee bezig, met die MS van mij, het zit in áltijd wel ergens in mijn hoofd (letterlijk én figuurlijk). ’s Ochtends een pilletje, ’s avonds een pilletje, tussendoor de bijhorende nevenwerkingen van de medicatie, het lichte manken wanneer ik net iets te ver ben gewandeld, … Allemaal dagdagelijks dingen waar ik al niet meer bij stilsta, maar ze zijn er wel. Het feit dat ik er nu ook weer even bewust mee bezig moet zijn, dat ik MS weer meer aandacht moet geven, vind ik echt – excuses voor mijn taalgebruik – gewoonweg klote.

April, de maand waar ik in september zó naar uitkeek, lijkt zich ondertussen te hebben ontpopt tot de meest deprimerende maand van het jaar. Of toch voor mij. Rondom mij gebeuren wel mooie dingen. Er worden baby’s geboren. Er worden zwangerschappen aangekondigd. Er worden verjaardagen gevierd. Stuk voor stuk redenen om te vieren. Gelukkig maar. Dat helpt me om deze maand april toch heelhuids door te komen. En het geeft hoop. Hoop dat de M die de maand mei met zich meebrengt er eentje zal zijn met alleen maar geluk.

We keep this love in a photograph

We leven in een tijd waarin alles wordt vastgelegd op foto. Alle momenten van geluk, zowel groot als klein, worden gefotografeerd zodat dat gevoel van geluk altijd weer opgeroepen kan worden bij het bekijken van deze foto’s. Ze worden bijgehouden in tientallen mapjes op onze computers, ingekaderd om te pronken aan de muren van onze woonkamers en massaal gedeeld op Facebook en Instagram.

Ik ben er altijd zot van geweest. Van zodra er digitale fotografie was en ik in het bezit was van mijn eigen fototoestel, was niemand nog veilig. Vooral in het uitgaansleven leverde dit toen prachtige plaatjes op, die achteraf gedeeld en geliked en becommentarieerd werden op sociale media. Op reis betekende dit dat ik alle ruimte op de sd-kaartjes vaak opgebruikt had nog voordat de vakantie nog maar half was, zodat we op zoek moesten gaan naar een extra kaartje om nóg meer foto’s te kunnen nemen. Mijn computer en harde schijf tellen tientallen mapjes waarin ik alle foto’s – netjes gerangschikt volgens jaartal en gebeurtenis – bewaar. En van tijd tot tijd ga ik daar eens door, om terug te kijken. Om me even weer in dat moment te wanen. Echt genieten, vind ik dat.
Van zodra de plus op de zwangerschapstest verscheen, het gelukkigste moment in ons leven, werden er dus foto’s genomen. Van de positieve test. Van de tweede – we konden het immers haast niet geloven – positieve test. Van de eerste cadeautjes die we kregen om ons grote geluk te vieren. Van de afdruk van de eerste echo, want we moesten die maar eens ergens verloren leggen. En van mijn buik. Week na week, elke zondag. Ik met mijn pyjama aan, buik ontbloot, en manlief met z’n smartphone. Met kleren aan was mijn buikje onzichtbaar, maar zonder kleren was mijn groeiende buikje duidelijk te zien. Vooral omdat ik in de maanden voor mijn zwangerschap heel erg was afgevallen en daardoor een super-platte buik had (niet dat ik op dieet was, integendeel), was elke millimeter die er bij kwam duidelijk zichtbaar. Week na week zagen we de buik een inimini-beetje groeien.
In onze 6 gelukkigste weken verzamelden we dus al een mooie fotoreeks. Stuk voor stuk plaatjes van geluk. We wachtten vol ongeduld om na de 12 weken – echo deze fotoreeks verder aan te vullen, totdat de 4 woorden van de gynaecoloog een abrupt en veel te vroeg einde brachten aan deze fotoserie. Geen gelukkige plaatjes meer, alleen tranen. En van ongeluk, daar neem je geen foto’s van. Waarom zou je ook? Foto’s zijn herinneringen en een moment als dit is geen herinnering waard. En geloof me, er zijn geen foto’s nodig om dit moment nooit meer te vergeten…
De weken na mijn miskraam kon ik het niet aan om onze plaatjes van geluk opnieuw te bekijken. De herinneringen deden me vooral denken aan ons verlies, en dat was me te pijnlijk. Maar dan kwam het besef: hoe kort ons geluk ook heeft mogen duren, deze herinneringen moeten voor altijd bewaard blijven. Dus verzamelde ik alle foto’s in een mapje en ging ik aan de slag om online een fotoalbum samen te stellen. Zonder succes. Met geen enkele website die ik raadpleegde kon ik mijn plan uitvoeren. De reden werd al snel duidelijk. We hadden simpelweg niet voldoende foto’s om een album te vullen. Hoeveel plaatjes van geluk we in die 6 weken ook hadden verzameld, voor geen enkele website die ik raadpleegde was het toereikend om een album te laten afdrukken.
Wat de automatische berichten op de websites me vertelden, wist ik al. Niet voldoende foto’s. Natuurlijk zijn deze foto’s niet voldoende. Onze fotoreeks is niet compleet. Ons geluk ook niet. Of hoe de technologie mij in dit geval helemaal doorgrond had.

Maar ik blijf niet bij de pakken zitten. Op geen enkel vlak. Er zál een fotoalbum van ons engeltje komen, dan doe ik het maar op de “ouderwetse” manier met fotostickers en een plakboek. En er zál een nieuwe fotoreeks komen. Eentje die we oneindig zullen kunnen voortzetten, en waar we talloze fotoalbums mee gaan vullen. Vroeg of laat zullen er weer plaatjes van geluk zijn…

I have MS – It does not have me

Het afgelopen weekend was druk. Het begon donderdag met het concert waarover ik al vertelde, en eindigde gisteren met de babyshower van de schoonzus. Ook in “normale omstandigheden” zou ik dit als een druk weekend beschouwen, en de gebeurtenissen van de voorbije weken maakten het alleen maar vermoeiender. Het nieuws dat mijn wereld heeft stilgestaan, en vooral wat hiervan de oorzaak was, heeft zich ondertussen namelijk als een lopend vuurtje verspreid. Het was dus hoog tijd om een aantal brandjes te blussen…

Wanneer ik ergens binnenkom, kan ik aan de blikken van mensen zien of ze “het” weten of niet. Of ze er al over gehoord hebben, en of ze zich afvragen waarom ik zo moeilijk stap. En vooral: of ze zich afvragen hoe ik me voel sinds ik “het” heb. Want iedereen schijnt te denken dat ik het pas heb sinds enkele weken, sinds de wereld heeft stilgestaan. De waarheid is dat ik het al langer heb, en dat wordt meer en meer duidelijk nu ik stilaan meer over MS begin te weten. De wereld stond niet stil omdat ik plots MS had, maar omdat iemand het me vertelde.
Overal waar ik nu kom en waar ik in contact kom met anderen, komen de vragen. Het gesprek begint meestal met “Hoe gaat het met je?” en eindigt met iets in de zin van “Houd je nog sterk”. Mensen lijken te denken dat de verloofde en ik in een ontzettend diepe put zitten, te jammeren over wat er nu van ons leven moet worden, hoe het nu verder moet. Ze zien die muur niet, die we samen opnieuw hebben opgebouwd. Het is aan mij om die muur te tonen. Sommigen zien hem, anderen dan weer niet.
Ongelooflijk hoeveel mensen je opeens kennen wanneer er iets aan de hand is. Tussen die mensen zitten een aantal echte, blijvende sterren, zoals ik al uitlegde. Maar er zitten ook heel wat exemplaren tussen die snel uitdoven. Je kent dat wel, van die plastic figuren die je als kind aan het plafond had hangen, en die enkel oplichtten als ze voldoende licht hadden gehad. Na een dik uur doofden die sterren dan weer uit, onmerkbaar, want ondertussen was je als kind al lang in dromenland. Er zijn heel wat mensen die dat soort sterren zijn, de sterren die maar even schijnen omdat iemand z’n wereld kort stilstaat, en die weer uitdoven van zodra die wereld weer aan het draaien is. Onmerkbaar, gewoon omdat je er zelf niet op let. Gelukkig maar, want dat betekent dat je ze niet zult missen. Begrijp me niet verkeerd, dit zijn geen slechte sterren. Ook dit soort sterren hebben goede bedoelingen en zijn in de meeste gevallen oprecht bezorgd. Maar het is belangrijk het onderscheid te kennen, zodat je je niet teveel aan die voorlopige sterren gaat hechten en je je energie kan sparen voor de sterren die je leven zullen blijven verlichten (letterlijk en figuurlijk).
Vanaf het moment dat de mensen rondom je (en dan bedoel ik vooral de mensen in de grote straal rondom je) weten dat je ziek bent, weet iedereen ook wat je nu het best doet. Dan is die medicatie het beste volgens de ene, en volgens de andere dan weer niet. Dan ga ik toch best naar een gespecialiseerde MS-kliniek, en dan toch maar weer niet. Dan moet ik er de rest van mijn leven rekening mee houden in alles wat ik doe, of moet ik me er net niets van aantrekken en alles doen wat ik graag doe. Enzoverder, enzovoort. Plots is iedereen dokter. Soms kan ik dit binnenin heel goed naast me neerleggen, deze raadgevingen dankbaar aannemen en gewoon zeggen “Ik bespreek het eens met de dokter wanneer ik op controle moet”. Maar soms, heel soms, zou ik het wel kunnen uitschreeuwen: Laat! Mij! Met! Rust! En dan knik ik. En lach ik. Met m’n tanden op elkaar geklemd. Ik weet dat iedereen dit alles goed bedoelt. Ze willen helpen. Ik ben geen dokter, dus ik kan niet beoordelen welke raad goed en welke niet. Dus toon ik mijn frustratie niet, maar blijf ik vriendelijk en dankbaar. Want iedereen die z’n best doet om een ster te zijn heeft het recht om te schijnen, al is het maar even.
Ik word er wel moe van. Het is vermoeiend altijd opnieuw hetzelfde verhaal te vertellen. Nu ik enkele weken verder ben, heb ik ook al verschillende versies: de lange versie en de korte versie. De versie waarbij ik start met de eerste symptomen die ik voelde en eindig met de diagnose van de dokter. En de versie waarbij ik start met “Ik heb MS” en de vragen op me laat afkomen. Welke versie ik kies hangt af van de energie die ik heb. Van het moment waarop het gesprek plaatsvindt. Van de gesprekspartner, en de plaats waar ik me bevind. Of gewoon, van de mate waarin ik zin heb in het gesprek. En heel soms, als ik echt moe ben, houd ik het bij die ene zin van de korte versie en geef ik de link door van deze blog. Gewoon, omdat het gemakkelijk is. Sorry als jij bij die categorie hoort. Neem het niet persoonlijk, soms ben ik (het) gewoon even moe.

Alle gesprekken die ik de afgelopen weken heb gevoerd, probeerde ik steeds in dezelfde (positieve) richting te sturen. Ik probeer telkens duidelijk te maken dat ik heb aanvaard dat sinds het stilstaan mijn wereld een beetje anders draait. Dat ik besef dat ik de touwtjes af en toe moet delen met MS, en dat ik mijn best doe hier vrede mee te nemen. Dat ik weet dat er nog zware momenten zullen komen, maar dat ook mensen die niet ziek zijn zware momenten kennen in hun leven. Dat ook de verloofde het, denk ik, een plaats heeft kunnen geven en vooral positief naar de toekomst toe kijkt en klaar is om niet alleen met mij, maar ook met MS zijn leven te delen. Dat we nog steeds “gewoon gelukkig” zijn, niet gelukkiger dan eerst, maar ook zeker niet minder.
Maar vooral: dat ik MS heb, maar dat het mij niet klein zal krijgen…

The darkest nights produce the brightest stars

Men zegt wel eens dat je in slechte tijden je echte vrienden leert kennen. En dat lijkt zo’n negatieve betekenis te hebben, alsof iedereen je zal laten vallen wanneer het minder goed gaat. Toch is het zo: wanneer het minder goed met je gaat, ontdek je wie er met je begaan is. Maar dan niet in de negatieve betekenis. Daarom vind ik deze quote een betere beschrijving. The darkest nights produce the brightest stars. En zoals je zal merken in dit deel van mijn verhaal, zijn dat verdomd veel sterren…

Nog voordat ik goed en wel uit box 5 werd gezet en in kamer 458 werd gedropt, liepen de eerste bezorgde telefoontjes al binnen. De verloofde, de schoonmama, de schoonzus,… Allemaal waren ze erg geschrokken dat ik onmiddellijk opgenomen werd in het ziekenhuis. Ik moest natuurlijk ook meteen mijn directie op de hoogte brengen, want er moest voor de rest van de week een oplossing gezocht worden voor mijn leerlingen. Via Facebook bracht ik de rest van de vrienden op de hoogte, en de leerlingen en ouders van de school verwittigde ik via de klaspagina van Facebook over mijn voorlopige afwezigheid. Dit alles bracht een overvloed aan berichtjes op gang. “Veel beterschap!” “Snel weer beter!” “Laat je maar goed verzorgen!” Fijn. Niet sarcastisch, écht fijn. Niet dat ik het deed voor de aandacht, veeleer om ervoor te zorgen dat iedereen op de hoogte was en er dus geen al te grote verbazing zou zijn ’s ochtends op de speelplaats. Maar toch geeft het een ontzettend fijn gevoel om te weten dat er mensen zijn die aan je denken, al is het maar even. Het maakte dat de eerste uren in het ziekenhuis minder bevreemdend waren, alsof ik een stukje van m’n vertrouwde omgeving had meegenomen.
De dagen dat ik in het ziekenhuis lag, kreeg ik veel bezoek. De mama kwam elke namiddag en avond, zodat ik niet te veel alleen zou zitten. Na twee dagen op het hondje te passen kwam ook de papa naar het ziekenhuis. Twee keer kwam de moe mee met de mama, die natuurlijk doodongerust was. De zus kwam direct na haar werk langs en ook de schoonfamilie liet alles vallen om een bezoekje te kunnen brengen. De tante, de nonkel, de neef en zijn vriendin, S (de vriendin-van-het-middelbaar), allemaal kwamen ze langs. En ze brachten cadeaus mee, want dat doe je als je iemand in het ziekenhuis bezoekt: bloemen, chocola, pralines, … Een hele verzameling. Nu moet je weten dat ik iemand ben die letterlijk NOOIT ziek is, dus dat was ik allemaal niet gewend. Ik houd ook niet van medelijden, maar dat was er niet. Bezorgdheid, dat wel. Medelijden heeft zo’n denigrerende bijklank, bezorgdheid niet. Bezorgd klinkt beter, voelt warmer…
De grootste verrassing stond vrijdag aan de deur van kamer 458. Omstreeks kwart voor 11 werd er op de kamerdeur geklopt. Simonneke (waar ik later nog op terugkom) was er even niet, de mama zou pas om half 12 komen om me te komen ophalen (en die klopte normaal niet aan) en het was nog geen bezoekuur. Wie kon dat toch zijn? Wanneer ik om de hoek keek, zag ik iemand staan die ik al jaren niet meer gezien had. Kijk, dat is nu vriendschap. We kennen elkaar van in de lagere school. Toen noemde men het nog niet zo, maar om het in hedendaagse woordenschat te omschrijven: wij waren echte BFF’s. Tot enkele jaren terug zagen we elkaar nog wekelijks op de dansles, maar van zodra ik het wat drukker kreeg met mijn job en huishouden gaf ik die hobby op. En je kent dat: in het begin wordt er nog getelefoneerd en wel eens afgesproken voor een etentje, maar op de duur is ieder z’n eigen leven beginnen leiden en vielen ook de telefoontjes en afspraakjes weg. Enkele weken geleden was ik haar nog wel eens tegen het lijf gelopen in het winkelcentrum, waar we even hebben stilgestaan om te praten over waar het leven ons gebracht had. Daarna gingen we elk weer verder op onze eigen weg. En nu, plots, stond ze daar, in het midden van mijn weg. “Ik moest hier in het ziekenhuis zijn, wist dat je hier lag, en voelde dat ik even moest langskomen” – “Dan denk ik dat je best even gaat zitten”, waarop ik de berg weer rustig beklom. Ongeloof, bezorgdheid, steun, de lawine die ik ondertussen al gewend was. Maar alles heel vertrouwd, want hoe lang we elkaar ook niet meer gezien hadden, die vertrouwde band was er nog steeds. Fijn.
Eenmaal thuis kwamen er weer berichtjes. En bloemen (aan de deur geleverd, verrassing!). En bezoekjes. En telefoontjes. Het leuke is dat alle berichtjes die ik kreeg vroegen naar hoe het met me ging, en niet naar wat ik precies had. Dat is een groot verschil. Mensen die vragen wat je precies hebt vragen dit uit eigenbelang, nieuwsgierigheid. Mensen die vragen hoe het met je gaat, zijn bezorgd en geïnteresseerd in jou als persoon. Die mensen, die vragen hoe het met je gaat, die bezorgd zijn, die geïnteresseerd zijn, dat zijn die sterren waar het om gaat in de quote. De mensen die je niet uitnodigt, maar die zelf aanvoelen dat ze welkom zijn voor een bezoekje. De mensen die je niet opbelt, maar die als in een reflex zelf je nummer kiezen. Dat zijn de mensen die je nodig hebt om deze periode in je leven door te komen.
Er kwamen mensen langs die ik verwachtte. Familie. Vrienden. De mensen waar je altijd op kunt rekenen, en die je steunen en helpen waar ze kunnen. De zus offerde heel wat uurtjes van haar zeldzame vakantiedagen op om te helpen in het huishouden. De mama verplaatste een klant om te kunnen chauffeuren, en kwam regelmatig langs om te helpen met de kleine karweitjes. De papa, mama en schoonmama maakten ons terrasje lenteklaar. De va wiedde het onkruid in de voortuin. Ik kan nog pagina’s lang doorgaan met het opsommen van de dingen die de familie en de vrienden voor me hebben gedaan, en nu nog steeds doen. Langs de ene kant is het een frustratie, zij doen de dingen die ik normaal gezien doe in en rond ons huis. Maar langs de andere kant geeft het een geruststellend gevoel: het leven gaat door. Alles gaat door zoals het hoort, maar dan even net iets anders dan anders. Mijn wereld blijft in beweging, en dat dankzij hen.
Er kwamen mensen langs die ik niet verwachtte. Collega’s. Ouders van op school. Kennissen. De mensen die je anders dagelijks ziet, maar waarvan je niet besefte dat ze je zouden missen als je er niet bent. Het klinkt misschien raar, maar het is fijn om te weten dat je gemist wordt. Dat toont dat mensen je appreciëren en waarderen wanneer je er wel bent. Een gevoel dat iedereen nodig heeft, maar niet iedereen ook werkelijk heeft. Ik kan niet zeggen dat ik dit gevoel niet had, ik stond er gewoon niet echt bij stil. Nu de wereld heeft stilgestaan bekijk ik alles anders, sta ik zelf ook wat meer stil. En dat doet me meer dan eens beseffen hoezeer ik langs mijn kant deze mensen waardeer en apprecieer. Ook zij zorgen ervoor dat mijn wereld in beweging blijft.

The darkest nights produce the brightest stars… Toch mooi, niet?