Dear self: don’t focus on the negative

Alles in orde, oef. Het bezoekje aan de neuroloog was gelukkig snel voorbij, en werd afgesloten met een “alles is in orde”. Ik ben gerustgesteld, de verloofde is gerustgesteld, de mama is gerustgesteld, … Iedereen is weer even gerust, en dat mag hopelijk nog lang zo blijven.

Alles ging snel vanochtend. Na een viertal weken vakantie was dat plots een heel ander ritme dan ik gewend was. Ik sta wel altijd op tijd op, uitslapen zonder de verloofde zegt me niet zo veel, maar doe dan alles rustig aan. Douche nemen, aankleden, theetje zetten, beetje stofzuigen, beetje koken, beetje schoolwerk, enzovoort. Vanochtend moest ik op tijd uit bed (en je kent het, net dan heb je zin om eens goed uit te slapen, typisch), snel douchen, aankleden, coiffure in orde brengen, het onmisbare laagje make-up aanbrengen en vertrekken. Ik werd immers om 9u al bij de neuroloog verwacht.
Ook in het ziekenhuis ging alles snel. Deze keer moest ik nergens aanschuiven, en ik heb me nog niet eens goed en wel kunnen neerzetten in de wachtkamer. Maar goed dat alles zo snel ging, dat gaf me geen tijd om te gaan piekeren. Ik legde mijn klachten opnieuw uit, en de neuroloog deed zijn gewoonlijke testjes. Daaruit bleek al snel dat er niet echt iets mis was. Na weer een test met de “tjoepkes” op mijn hoofd en rug, kon hij besluiten dat er neurologisch gezien niets aan de hand was. Geen verstoorde zenuwbanen, geen nieuwe opstoot. Oef! Blijkbaar kunnen spierkrampen wel voorkomen, en is daar niet veel aan te doen. Hij schreef me magnesium voor, en raadde me aan om toch in beweging te blijven. Zwemmen of fietsen zou ideaal zijn, dus ik zal me er toch maar eens toe brengen om me twee keer per week richting het zwembad te begeven.
Het beste nieuws is dat ik nergens op moet letten. Ik moet niet rustig aan doen, mag gewoon alles in het huishouden e.d. doen. Logisch, want er is niets aan de hand. Maar vooral het feit dat ik gewoon alles kan en mag, maakt me gelukkig. Want zo lang ik ergens mee bezig ben, begin ik niet te piekeren.
Sinds vanochtend ben ik opgelucht, de berg twijfels is weg. Daarmee verdwijnt de “beenpijn” nog niet, maar ik weet nu dat ik me geen hele dag in de zetel moet liggen én dat mijn gedachten dus veel minder kans zullen krijgen om me gek te maken.
Het feit dat er niets aan de hand is, doet me wel twijfelen aan mezelf. Waren mijn klachten wel erg genoeg om de neuroloog te contacteren? Zit het niet gewoon in mijn hoofd? Het is misschien onnozel, maar daar ben ik echt bang voor. Dat ik zo’n hypochonder zou worden die bij de minste klacht aan de telefoon hangt bij de dokter. Je weet misschien nog wel dat ik al vertelde dat ik niet meteen fan ben van dokters, en dat is voorlopig nog niet echt veranderd, en ik hoop eigenlijk dat dat niet al te snel gaat veranderen. Ik wil er geen gewoonte van maken om er op bezoek te gaan.
Het moeilijke is dat ik nog helemaal niet weet op welke manieren MS van zich kan laten horen, en dat ik ook nog niet weet welke klachten er al dan niet mee te maken hebben. Wanneer MS en ik aan elkaar gewend zijn zal dat allemaal wel anders zijn, en zal ik perfect weten wanneer het tijd is om de dokter te vereren met een bezoekje. Tot dan zal ik af en toe eens een vals alarm moeten laten afgaan.
Jammer genoeg is het bij zo’n vals alarm wel eens gevaarlijk om in de val te trappen: de val van het pessimisme. Gisteren voelde ik hoe het gepieker en alle gedachten die door m’n hoofd gingen er langzaam maar zeker in slaagden om m’n humeur te doen kelderen. Dat is duidelijk tussen de regels door te lezen in mijn post van gisteren. Ik kon niet anders dan overal het negatieve in te zien. Zelfs als ik er van uit ging dat er niets aan de hand was, kon ik daar nóg iets negatiefs in vinden. Als Dalai Lama de zoveelste me bezig moest horen, hij zou me een goeie oorveeg verkopen. En terécht! Waar ik enkele maanden geleden nog van de daken schreeuwde “Be optimistic!”, kon ik gisteren verdorie nog niet eens het positieve zien in het positieve zelf. Ik was zo gefocust op het negatieve, dat ik het positieve niet eens de kans gaf. Shame on me…

Dus vandaag: een berichtje aan mezelf. Stop potverdikke met dat negatieve, en switch terug naar de positiviteit van de voorbije maanden!

People will forget what you said, people will forget what you did, but people will never forget how you made them feel

Sinds vorige week ben ik weer aan de slag in mijn klas. De routine, hoewel die ook weer nieuw is, doet me deugd. Het sociale contact met de kinderen, de collega’s en de ouders nog meer. Het werk doet me tussen half 9 en half 4 even vergeten dat de wereld heeft stilgestaan. Jammer genoeg herinnert MS me daar na half 4 aan door me de zetel in te duwen. De vermoeidheid is nog niet voorbij. Als er één ding is dat ik van mijn jongste levenspartner kan zeggen, is dat het een doorzetter is. Jammer maar helaas voor MS: ik ben dat ook. Omdat het in me zit. Maar vooral omdat ik mensen om me heen heb die me helpen door te zetten.

Nu ik weer tot de klasse van de werkende mens behoor, is het ook geoorloofd dat ik me vertoon op afterworkparties. Vorige donderdag was de halfjaarlijkse afterworkparty van het Westels Achterwerk, en daar wilde ik graag van de partij zijn. Ik wist dat het een vermoeiend avond zou worden, maar dat woog voor mij niet op tegen de energie die het sociale contact mij zou geven. Na de vergadering op het werk maakte ik me dus klaar om te vertrekken. De verloofde werd verwacht op een bijscholing, die de hele avond zou duren. Daarom sprak ik af met een vriendin, M2. We spraken af dat we het niet laat zouden maken en dat zij me nadien thuis weer zou afzetten. Beide afspraken vielen in het water. Eens ik op locatie was, verloor ik de tijd al snel uit het oog. Het was leuk om ook eens “gewone” dingen te kunnen doen, dingen uit mijn oude routine, zoals uitgaan met vrienden. Het enige dat dan weer anders is in de nieuwe routine, is de bezorgdheid die de vrienden met zich meebrengen. De gewoonlijke babbels (die meestal beginnen met “heb je ook gehoord van …”) waren net iets anders. Ik was namelijk één van de geruchten die op dit moment de ronde doen. Dus begon elk gesprek met de vraag waarop ik het antwoord ondertussen al honderden malen “gerepeteerd” heb: hoe gaat het nu met jou? Standaard antwoord tegenwoordig is “alive and kicking!” De echte vrienden lachen dan, om dan de vraag te herhalen. “Nee maar, nu serieus, hoe gáát het met jou?” Uit de vragen die ze stelden kon ik afleiden in hoeverre ze op de hoogte waren van wat er met me aan de hand is, en ook welke geruchten en roddels ondertussen de ronde doen. Een aantal van hen kon ik geruststellen (sommige geruchten zien alles veel zwartgalliger in dan ikzelf), een aantal deed ik eens goed schrikken (niet iedereen was al helemaal op de hoogte van mijn gedwongen samenlevingscontract met MS). Maar iedereen was blij te zien dat ik weer goed te been was, er kon zelfs al een klein danspasje van af, en dat alles goed met me gaat. En ook ik ben daar blij om. Écht blij…
Gisteren kreeg ik een berichtje van de zus. De loopploeg waar ze deel van uitmaakt, zou een reportage krijgen op de regionale zender. Haar bazin zag hier meteen een kans om reclame te maken, en belooft daarom een bepaald bedrag aan een goed doel te schenken per loper die volgende vrijdag de Spartacus-run uitloopt. Het goede doel dat werd gekozen is de MS-liga. Toen ik dit hoorde, kreeg ik zo’n warm gevoel vanbinnen. Want dat doen ze omwille van mij. En daarmee doen ze meer dan ze zelf denken. Voor hen is dit een gewone loopwedstrijd. Voor mij doen ze iets heel anders. Zij zorgen ervoor dat het stilstaan van mijn wereld niet voor niets is geweest. Er lopen 12 lopers mee, wat betekent dat er heel wat geld naar de MS-liga kan gaan als ze allemaal de finish bereiken. Geld dat gebruikt kan worden om MS patiënten in Vlaanderen te helpen. En dat is toch geweldig… Hoe mijn nieuwe levenspartner niet alleen negatieve gevolgen met zich meebrengt, maar ook het positieve in mensen naar boven brengt. Niet alleen in mezelf, ook in de mensen rondom mij. Dat maakt me blij, en dankbaar. Ontzettend dankbaar. Vrijdag sta ik dus aan de zijlijn. En ik zal elke loper naar de finish schreeuwen.

Ik kan niet beloven dat ik binnen een twintigtal jaar nog woord voor woord kan herhalen wat iedereen me nu zegt, en wat al deze mensen afzonderlijk voor me doen. Maar ik kan wel beloven dat ik nooit meer zal vergeten welk gevoel alle mensen rondom mij me geven. Dit waren slechts twee voorbeelden, ik kan nog pagina’s lang doorgaan over alle dingen die mensen doen om me een goed gevoel te geven. In de klas, in de koffiekamer, op de speelplaats, aan de poort, in de winkel, thuis, … Overal kom ik mensen tegen die me op de één of andere manier een goed gevoel geven. Een goed gevoel dat maakt dat ik doorzet in mijn optimisme. Een gevoel dat meer waard is dan wat ook ter wereld. Het gevoel dat alles, wanneer ook, hoe dan ook, goed komt…

Remember how far you’ve come, not how far you have to go – You are not where you want to be, but neither are you where you used to be

Vandaag is het weer zo’n dag. Zo’n ik-ben-moe-laat-me-met-rust-dag. In de afgelopen weken heb ik gelukkig nog maar een paar van die dagen gehad. En ik weet ondertussen ook dat ze voorbij gaan en dat morgen vast weer beter zal zijn. Maar dat neemt niet weg dat ik vandaag die dag moet doorworstelen.

Op zo’n dag is het net iets moeilijker om positief te blijven denken. Het optimisme is er wel, doet z’n best, maar lijkt nog moe te zijn van het weekend. Hoewel dit weekend niet zo druk was als het vorige, ben ik er toch best moe van. Eigen schuld. Nu ik al goed kan stappen, zonder mank te lopen (yes!), denk ik ook heel snel dat ik alles alweer aankan. Wie me kent, weet dan ook dat ik mezelf niet kan inhouden… Ik stap dus vrolijk rond: naar de winkel, naar de sporthal, … In de sauna spring ik in het zwembad om een aantal baantjes te zwemmen, en na 4 baantjes al te moeten stoppen. Om dan achteraf doodmoe in de zetel neer te ploffen, en me af te vragen hoe het toch zou kunnen komen dat ik zo moe ben. En dan “de blik” van de verloofde te krijgen, vergezeld door de woorden “Je hebt weer te veel gedaan, hé?!” Dan pas komt het besef dat ik inderdaad wat veel hooi op m’n vork heb genomen, hoewel het nog maar een fractie is van de hoeveelheid hooi die ik anders draag (op soms meer dan één vork).
Het is soms moeilijk om in te schatten wat ik al goed kan, en wat nog niet. Vooral omdat ik (gelukkig) geen pijn heb. Op het moment zelf voel ik niet meteen wat al kan en wat nog niet, nadien voel ik het des te meer. Dan ben ik vermoeid, gaat het stappen terug wat minder goed en zijn m’n benen weer wat zwaarder. Het slechte gevoel krijg ik er gratis en voor niets bij. Een slecht gevoel, omdat ik weet dat het m’n eigen stomme schuld is. Omdat ik weet dat ik normaal gezien veel meer aankan. Omdat ik vind dat het herstel niet snel genoeg vooruitgaat. Omdat niemand weet wanneer ik weer alles zal kunnen dat ik eerst kon, zelfs de verloofde niet. En de verloofde weet normaal gezien álles, of toch in mijn ogen. Omdat ik pas volgende week vrijdag op controle moet bij de dokter. En omdat ik niet eens weet of die wel een antwoord weet op al mijn vragen, en of die wel een glazen bol heeft om te zien wanneer ik weer wat actiever zal kunnen zijn. Het is de onzekerheid die het slechte gevoel veroorzaakt. De onzekerheid over hoe lang alles nog duurt, wanneer deze opstoot volledig voorbij zal zijn, of dit alles überhaupt voorbijgaat.
Zoals je ondertussen al weet ben ik een echte planner, als het ware verslaafd aan regelmaat. Na elke vakantie stond er netjes in m’n agenda aangeduid hoeveel weken er nog waren vooraleer er een rapport klaar moest zijn. Zo kon ik in de gaten houden hoe lang ik nog had om toetsen af te nemen, punten op te lijsten, commentaren in te geven, … Mijn todo-lijstjes voor de vakanties waren altijd zo opgesteld dat ik eerst de prioritaire taken deed, en dan pas de dingen die ik als extra zag. Ik schreef zelfs op dat ik de klas moest opruimen, tot in detail: knutselkast opruimen, bureaulades opruimen, huistaken ordenen, … Als ik het zo zelf lees, gaat dit misschien zelfs voorbij het begrip “controlefreak”. Het contrast met mijn leven op dit moment kan dan ook niet groter zijn. Ik moet elke ochtend afwachten hoe ik me voel, om dan voorzichtig de rest van mijn dag te plannen. Die plannen bestaan uit: tv kijken, werken aan mijn blog, mails checken, beetje koken, misschien iets gaan drinken met de mama, dutje doen, beetje breien, … Dat kan je moeilijk een todo-lijst noemen, ik noem het dan maar een ” can do – lijst”, want het zijn dingen die ik allemaal kan.
Wanneer ik terug kan overgaan naar todo-lijstjes, weet ik niet. Hoeveel dingen ik op zo’n lijstje kan schrijven en effectief zal kunnen afwerken, weet ik niet. Ik weet niet hoe mijn lichaam zal reageren op terug een fulltime job na de paasvakantie. Ik weet niet hoe lang onze strandwandelingen zullen zijn tijdens ons weekendje aan de zee binnen twee weken. Laat staan dat ik weet wanneer ik weer alleen met het hondje zal kunnen wandelen. Onzekerheid is troef. En dat maakt me gek, van tijd tot tijd.
Op zo’n dagen als deze, trap ik steeds weer in dezelfde val. Ik ga mezelf steeds vragen stellen, en dan vooral over de toekomst. Dat is fout, zo fout! Ik zou ondertussen moeten weten dat het optimisme niet van dat soort vragen houdt. Omdat ik niet wil riskeren dat het optimisme nog eens een snipperdag neemt, moest ik wel een strategie ontwikkelen. Een strategie om deze vragen te ontwijken, en andere gedachten op te roepen. Positieve gedachten, gedachten die me zekerheid bieden. En wat biedt nu meer zekerheid dan het verleden?
Wat geweest is, is geweest. Niets meer aan te doen. Daar, zo zeker als wat! Op dagen als deze probeer ik dus terug te denken. Van waar kom ik, en waar sta ik nu? Vier weken geleden ging ik vanavond op spoed binnen. Dan gebeurden alle onderzoeken: scans, elektrotest, en (my favorite!) de ruggenmergpunctie. De wereld stond stil, en dat was het absolute dieptepunt. Sindsdien heb ik al bergen beklommen. Sindsdien gaat het elke dag, met enkele uitzonderingen, weer een beetje beter. Sindsdien ben ik al goed hersteld, langzaam maar zeker. Goed bezig, M!

Dat is mijn strategie om het optimisme te behouden op dagen als deze. Dat is de strategie, die ik hoop ooit helemaal onder de knie te krijgen. In plaats van verder te kijken, kijk ik terug. Ik kijk terug op alles wat ik overwon, op alles dat ik al bereikt heb. Want ook al ben ik nog niet waar ik wil zijn, ik ben ook niet meer waar ik was.

Every day may not be good, but there’s something good in every day

Deze week nam het optimisme een dagje vrij. Dat had ik wel kunnen verwachten, na bijna drie weken fulltime dienst. De dag dat het optimisme vrij had, was een baaldag. En toch waren er zelfs in die dag kleine lichtpuntjes, die zelfs deze dag de moeite waard maakten.

Eerder deze week voelde ik meer even “normaal”, gezond. Enkele maanden geleden bestelden we tickets voor een concert, om de verjaardag van de schoonzus te vieren. Het zou een familie-uitstapje worden, niet iets wat echt bijzonder of zeldzaam is. Of toch, op dit moment wel. Na bijna drie weken verplichte rust, klonk het woord “uitstapje” als muziek in mijn oren. Gelukkig voor mij en de zwangere schoonzus hadden we zitplaatsen gereserveerd. Met staanplaatsen had ik het uitstapje wel op m’n blauwgestipte (trombose-spuitjes, looks lovely…) buik kunnen schrijven. Gelukkig was de verloofde van mening dat het wel haalbaar zou zijn, dus vertrokken we iets voor 6 richting Antwerpen. We maakten er een “echte” concertavond van, frietjes en hamburgers inbegrepen. Ik vond het heerlijk. Anderzijds hield deze avond wel in dat ik veel langer moest rechtstaan en veel verder moest stappen dan ik tot nu toe na mijn ziekenhuisopname gedaan had. Nu niet dat ik ineens een marathon moest lopen… Maar zo voelde mijn lichaam wel aan de dag nadien. M’n benen konden weer een beetje minder goed mee, en ik had al van ’s ochtends weer dat vermoeide gevoel van vorige week. De enige activiteit die ik tot vijf uur in de namiddag heb ondernomen is zetelliggen, en de grootste inspanning die ik tot dan deed was me aankleden. Stappen ging terug minder vlot, mijn benen voelden terug zwaar aan en leken bij elke trede van de trap tegen te werken.
Ik denk dat het door de vermoeidheid en de opstandige benen was dat het optimisme besloot een snipperdag te nemen, en mij even alleen te laten met mijn gedachten. En die waren plots, door de afwezigheid van et optimisme, heel wat negatiever.
Dus begon ik te piekeren. Want de combinatie van de factoren die ik opsomde, maakte de ideale uitvalsbasis om te beginnen piekeren. Om elke gedachte te beginnen met “wat als ik niet meer kan…” en hierbij al mijn dagdagelijkse dingen te laten passeren, alle dingen die ik graag doe, alles wat ik altijd als vanzelfsprekend heb beschouwd. Ik houd van dansen, maar wat als ik op mijn eigen trouwfeest niet kan dansen? Ik ga graag naar een festival, maar wat als mijn benen me niet meer zo lang kunnen dragen? Ik wandel graag, maar wat als ik geen lange wandelingen meer kan maken met de verloofde en het hondje? En zo ging het maar door.
Tot de bel ging, te vroeg. De mama en de zus zouden hier pas binnen anderhalf uur zijn, hadden ze gezegd. En sinds kort hebben ze een sleutel van de achterdeur, dus het zou gek zijn als ze zouden aanbellen. Nee hé, geen bezoek! Na al dat gepieker was dat wel het laatste waar ik zin in had. Heel even kwam ik in verleiding om gewoon te blijven liggen, om gewoon te doen alsof ik niet thuis was. Even maar, om dan toch het deken van me af te gooien en richting voordeur te pikkelen. Het silhouet dat ik door het raam van de voordeur kon onderscheiden, kwam me niet bekend voor. Wanneer ik de deur opendeed, kwam er een boeket bloemen tevoorschijn. “Alsjeblieft, dat kom ik hier even afleveren.” Daar was het eerste lichtpuntje. Bloemen van de familie, en ik zou kunnen zweren dat ik bij het openknippen van de plasticfolie een vleugje optimisme kon ruiken. Niet veel, maar het was er. En het was net genoeg om me ertoe te brengen me te gaan klaarmaken voor de spaghetti-avond op school waar ik in de vroege avond nog zou langsgaan.
Op de spaghetti-avond volgden de lichtpuntjes elkaar op. Collega’s en ouders die me een hart onder de riem kwamen steken en me vroegen hoe het met me ging. Ze waren niet benieuwd, maar bezorgd. Het verschil legde ik al eens uit. Toen ik thuiskwam van school, zaten mijn twee grootste lichtpuntjes op mij te wachten. De verloofde, het hondje en ik samen voor de tv. En alles was weer normaal. Het was zelfs zo normaal, dat het optimisme terug kwam na het dagje uit. Helemaal uitgerust om er weer even tegenaan te gaan.

Every day may not be good, but there’s something good in every day. Kleine lichtpuntjes, die zelfs de ergste baaldag de moeite waard maken. En die er voor zorgen dat het optimisme uit zichzelf terugkomt…