I know everything happens for a reason – but sometimes I wish I knew what that reason was

1 op 1000. Zo groot is de kans dat je MS krijgt. Of dat zeggen de statistieken toch. Van elke duizend mensen krijgt er eentje MS. Een dikke tien weken geleden was ik plots die ene uit de duizend. Sindsdien rijzen er steeds meer vragen, elke dag komt er wel eentje bij. Op een aantal vragen kan de verloofde een antwoord geven. Andere vragen stelde ik aan de neuroloog en aan de dokter. Voor een aantal vragen zocht ik lotgenoten op. Tot nu toe kregen al heel veel vragen een antwoord. Behalve eentje.

De eerste vragen die in me opkwamen, waren veelal algemeen. Wat is MS? Wat betekent het voor mijn toekomst? Wat betekent het voor onze kinderwens? Wanneer kan ik weer aan het werk? De ene vraag bleek al makkelijker te beantwoorden dan de andere. De ene vraag kreeg een eenduidig antwoord, terwijl de andere vraag wel duizend verschillende antwoorden leek te krijgen. De eerste weken brachten veel duidelijkheid over de ziekte MS, en daarbij hoorde dan weer een flinke dosis onzekerheid. Maar één ding was voor mij zo klaar al een klontje: na zes weken rusten zou ik weer aan de slag kunnen.
In mijn hoofd zag dat “weer aan de slag gaan” er veel rooskleuriger uit dan het eigenlijk was. Ik ging er namelijk van uit dat ik er weer voor de volle 100% zou kunnen in vliegen. Niets was minder waar. Na iets meer dan een week kwamen de symptomen terug, ik had een “heropflakkering” van de vorige opstoot. Een eerste tegenvaller.
Die tegenvaller bracht nieuwe vragen met zich mee. Hoe lang gaat dit nog duren? Wanneer ben ik eindelijk volledig hersteld? Hoe kan ik deze symptomen doen verdwijnen? Vragen waarop al voorzichtiger werd geantwoord. Het enige duidelijke antwoord dat ik kreeg, bevatte het woord dat ondertussen al mijn oren uit kwam: “rusten”. Nog meer rusten. Hoe lang nog? Dat moeten we aanzien…
Na opnieuw twee weken rusten, gunde ik mezelf een weekendje uit. De Tongelse Dorpsfeesten hier in de buurt wilde ik voor geen geld ter wereld missen. De afgelopen 13 jaar was dit een vaste traditie, dus moest en zou ik aanwezig kunnen zijn. Ik keek al uit naar de eerste danspasjes die ik zou kunnen zetten samen met vriendinnen. Die danspasjes kwamen niet. Nog voordat ik goed en wel was aangekomen, voelde ik al dat mijn linkerbeen weer z’n eigen zin zou gaan doen. Ook mijn rechterkant wilde nog steeds niet mee, het gevoel was nog niet terug. Om het plaatje compleet te maken was ik ook weer heel moe. Ik voelde me dus alles behalve op en top, en besliste heel wat vroeger dan de vorige jaren om naar huis te gaan. Nog een tegenvaller.
Maar afgelopen weekend zou ik die danspassen toch kunnen zetten! Met een festivalletje in de buurt zou dat toch moeten lukken. De verloofde en ik hadden geen kaarten, maar dat zouden we nog wel geregeld krijgen. En oké, we zouden waarschijnlijk niet zo lang kunnen blijven als de rest, maar dat maakte me niet uit. Ik zag me al over de festivalwei dansen, ik had er zin in. Vrijdagmiddag zette de verloofde mijn zwevende dansvoetjes weer op de grond. De symptomen die ik bij de heropflakkering terug heb gekregen waren nog steeds niet volledig verdwenen en ik had er al een vermoeiende werkweek op zitten. Volgend weekend zou het schoolfeest zijn, wat ook al vermoeiend zou gaan worden. De verloofde vond het dus beter om mijn dansvoeten nog even stil te houden, en dan maar niet naar het festival te gaan. “Je gezondheid gaat voor!” en na enkele kleine protesten besefte ik ook wel dat hij hiermee gelijk had. De dokter beaamde dit vrijdagavond, wanneer ik bij hem langsging voor een vaccinatie en enkele voorschriften. Tegenvaller nummer …? En weer heel wat nieuwe vragen, met bijhorende antwoorden.

Zo verzamelde ik de afgelopen weken tegenvallers. En elke tegenvaller bracht vragen met zich mee, welke dan weer antwoorden opbrachten. Doorheen de twaalf voorbije weken heeft er zich echter één vraag tussen mijn oren genesteld, één vraag die tot vandaag onbeantwoord is gebleven en waarop ik waarschijnlijk nooit een antwoord zal krijgen.
Waarom?

Sometimes I forget putting myself first isn’t selfish, but necessary

Rusten. Niet te veel fysieke inspanning. Voldoende rust nemen. Dat zei de neuroloog me vanmorgen aan de telefoon. Een telefoontje waarop de verloofde, de ouders en de zus sterk aandrongen, en terecht. Een telefoontje waar ik een beetje tegenop keek, ook terecht. Want ik begon de laatste dagen een beetje te zweven, dacht dat MS stilaan in slaap was gevallen, en dat ik dus al heel wat meer aankon. Na het telefoontje staan m’n voeten weer netjes op de grond…

Dinsdag was een topdag. In Technopolis werd “de grootste chemieles ter wereld” georganiseerd. Een poging om het wereldrecord “zoveel mogelijk experimenten tegelijk uitvoeren” te verbreken. Daar mochten onze leerlingen van de derde graad natuurlijk niet ontbreken. Samen met een duizendtal leeftijdsgenoten slaagden ze erin om het nieuwe record te behalen. Als beloning mochten alle kinderen en leerkrachten in de namiddag Technopolis gratis verkennen. De leerlingen hebben zich gedurende de hele dag voorbeeldig gedragen, en we waren netjes op tijd terug op school. Voor de leek in het onderwijs: in leerkracht-termen is dit een “topdag”.
Wanneer ik van de bus stapte, merkte ik dat mijn linkerbeen er weer even minder zin in had. De knie protesteerde door lichtjes te overstrekken, en de voet struikelde over elke hoogteverschil vanaf 2 centimeter. Het was niet de eerste keer dat m’n gekke loopje weer de kop opstak, dus ik pikkelde nog even vrolijk rond op school vooraleer naar huis te gaan. Thuis lukte het me ook best om te stofzuigen en nog even te dweilen, voordat ik neerplofte in de loungeset in de tuin met een lekker glas wijn als beloning voor de geslaagde, productieve dag. Mijn benen voelden vermoeid en zwaar aan, maar ook dat was niets nieuws. ’s Avonds rustig aan doen, en dan zou ik woensdag weer gas kunnen geven.
Aan tafel voelde ik het. Of beter gezegd: voelde ik het niet zo goed. Wanneer ik mijn hand in mijn zij zette, leek mijn romp wel verdoofd. Niet helemaal verdoofd, maar het gevoel dat je hebt wanneer de verdoving er nog niet helemaal uit is. Het gevoel dat ik een tweetal maanden geleden ook had wanneer ik naar de spoedafdeling van het ziekenhuis ging. Het gevoel dat, gelukkig, al heel wat weken geleden verdween na de cortisone-behandeling. Het verbaasde me dit gevoel terug te voelen… Ik kon het me natuurlijk ook inbeelden, dus nam ik de proef op de som. Ik ging met m’n vingernagels over mijn rechterzij. Dan over mijn linkerzij. Terug over mijn rechterzij. Nee, dit beeldde ik me niet in. Hoewel het gevoel niet zo sterk verminderd was als een tweetal maanden geleden, het verdoofde gevoel was er. En dat terwijl mijn gevoel aan de rechterkant al weken terug oké was. Verdomme…
Ik besloot even af te wachten. Misschien zou een avondje platte rust en een goede nachtrust ervoor zorgen dat alles uit zichzelf zou overgaan, en zouden woensdagochtend zowel de linker- als de rechterkant van mijn lichaam terug naar behoren werken. Jammer genoeg was dit niet zo… Het gekke loopje zag er gelukkig al iets minder gek uit, maar het gevoel was nog niet terug.
Wat dit zou kunnen betekenen, wist ik niet. Was het de voorbode van een nieuwe opstoot? Een uitloper van de vorige opstoot? Of gewoon een reminder van MS, in de zin van “Hey, ik ben er ook nog!”? Maar om nu meteen de neuroloog te contacteren, dat vond ik er misschien een beetje over. Ik wil niet zo’n patiënt zijn die voor elke scheet naar de dokter belt… Dus besloot ik ergens anders een antwoord op mijn vragen te zoeken. Sinds kort ben ik lid van een Facebook-groep met MS-patiënten. In deze groep worden dagelijks vragen gesteld en beantwoord. Het leek me een goede manier om antwoorden te krijgen. Alle leden van deze groep zijn immers “ervaringsdeskundigen”. Ik legde de situatie in enkele zinnen uit, en verstuurde het bericht. Vol hoop op positieve antwoorden. Al snel kwam de eerste reactie. Ook de tweede en derde reactie bleven niet lang uit. Allemaal zeiden ze hetzelfde: dit zou een heropflakkering kunnen zijn van de vorige opstoot, te wijten aan vermoeidheid en/of stress. Allemaal hadden ze dit wel eens meegemaakt. Toch raadden ze me aan om mijn neuroloog te contacteren als de symptomen langer dan 24u zouden aanhouden. Ik besloot nog even te wachten met het telefoontje, en hoopte dat de klachten snel zouden verdwijnen.
Elke woensdag gaan de verloofde en ik eten bij de mama en de papa. Dat is na mijn verblijf in kamer 458 een wekelijkse gewoonte geworden. Tijdens het avondeten kwam het ter sprake: het gekke loopje, het verminderde gevoel in mijn rechterzij (en ondertussen ook -been). De vragen die ik had gesteld in de MS-groep, en de antwoorden die ik had gekregen. Ondertussen waren er jammer genoeg 24u verstreken sinds de symptomen weer de kop opstaken. De verloofde en de ouders vonden het dus logisch dat ik de neuroloog zou contacteren. Ik beloofde om er de volgende dag meteen werk van te maken.
Vanmorgen zag ik enorm op tegen het telefoontje. Om verschillende redenen. Ten eerste vond ik nergens op de website van het ziekenhuis welk nummer ik moest bellen om een dokter te kunnen spreken. Verder was ik bang. Bang dat de neuroloog mijn reactie overdreven zou vinden. Bang dat de neuroloog me zou verwijten dat ik te hard gewerkt had. Bang dat hij me zou zeggen dat ik terug thuis zou moeten blijven. Bang dat hij mijn wereld weer zou laten stilstaan. Bang, om allerlei redenen… Ik stelde het telefoontje niet uit, maar beet meteen door de zure appel. Na enkele keren doorverbinden kreeg ik de dokter aan de lijn. Ik legde hem kort uit wat mijn klachten waren. Volgens hem is dit geen voorbode van een nieuwe opstoot. Daarvoor zouden er andere symptomen moeten zijn. Dit is, zoals de “ervaringsdeskundigen” in de MS-groep mij al wisten te vertellen, een heropflakkering van de vorige opstoot. Een gevolg van te veel fysieke inspanning. Dan stijgt volgens de neuroloog de lichaamstemperatuur, wat een negatief effect heeft op de ontsteking in het ruggenmerg. Die is nog volop aan het genezen, en kan terug “geactiveerd” worden bij verhoogde lichaamstemperatuur. Met als gevolg de terugkeer van eerder symptomen. Wat ik nu kan doen is rusten. Niet te veel fysieke inspanning. Voldoende rust nemen.
Enerzijds ben ik opgelucht. Oef, geen nieuwe opstoot. Ik moet “gewoon” rusten, en dan verdwijnen de klachten weer. Anderzijds voelt dit weer aan als een tegenslag. Het gekke loopje was er al een tijdje bij vermoeidheid, maar nu is er een tweede symptoom teruggekeerd. Het voelt alsof ik achteruit ga in plaats van vooruit. Ik weet dat MS onvoorspelbaar is, en ik weet ook steeds beter en beter dat het net die onvoorspelbaarheid is die ik haat. Het gooit m’n hele routine overhoop. In plaats van het laatste lesuur vandaag nog les te gaan geven, moest ik thuisblijven. En rusten. Alsof ik dat nog niet genoeg gedaan heb de laatste twee maanden…
Twee dagen, langer heeft het niet geduurd voordat MS me z’n reminder stuurde. Eén dag. Zo lang kon ik het telefoontje uitstellen. In totaal drie dagen. Drie dagen lang ben ik er in geslaagd om MS even opzij te zetten. Om niet te denken aan mijn onvoorspelbare levenspartner, maar weer “gewoon” te functioneren in het huishouden en op het werk. Want zo heb ik het altijd gedaan: eerst de rest, en dan ik. Eerst het werk, dan pas rust. Vandaag is mijn vroegere logica weer op z’n kop gezet. Eerst ik, dan de rest. Eerst rust, dan pas het werk…

Ik was het even vergeten. Ik was vergeten dat het nodig is om eerst aan mezelf te denken. Vergeten dat het geen kwestie is van egoïsme, maar van noodzaak. De verloofde, de mama en de papa, de zus, de dokter, de collega’s, … Allemaal zetten ze mijn beide voeten weer op de grond, en herinnerden ze me eraan dat ik moet luisteren. Naar hen, naar mijn onvoorspelbare levenspartner, en vooral naar mijn eigen lichaam. Omdat het moet. Omdat het nodig is.

And now you don’t have to be perfect, you can be good

Weer een knoop doorgehakt. Na de paasvakantie, die het begin van het einde van mijn ziekteverlof inluidt (en dat is een vreugdedansje waard), zal ik nog enkele maanden niet fulltime voor de klas staan. Weet je dat water nog, dat ik bij mijn wijn moest doen? Wel, laat ons zeggen dat mijn wijn verdacht waterig begint te worden. En hoezeer ik ook van wijn houd, ik zal dit waterachtige goedje moeten leren drinken.

Wekenlang ben ik in de overtuiging geweest dat ik na de paasvakantie mijn job gewoon fulltime weer zou kunnen opnemen. Van maandag tot vrijdag, van half 9 tot half 4 voor de klas en dan nog enkele uurtjes doorwerken thuis, al mijn speelplaatstoezichten en zelfs de refters. De neuroloog heeft immers gezegd dat ik na deze opstoot weer alles zou kunnen. Ik zag niet in dat het herstel van een opstoot langer duurt dan een paar weken. Ik zag niet in dat de combinatie vierde en zesde leerjaar ook voor het eerste bezoek van mijn nieuwe levenspartner al zwaar en vermoeiend was. Ik zag niet in dat “alles” niet ineens komt, maar beetje bij beetje. Na een drietal weken rusten tot het mijn oren bijna uit kwam, probeerde de verloofde mij al met m’n eigenwijze voeten op de grond te zetten. “Ben je wel zeker dat je terug voltijds kunt werken na de vakantie?” Waarop mijn antwoord steevast positief was. Natuurlijk was ik ervan overtuigd dat ik terug voltijds zou kunnen werken! Waarom niet? Nu nog even rusten, en dan zou het me wel lukken. Stilaan begon ook de mama hieraan te twijfelen. Toch bleef ik zowel de verloofde als de mama verzekeren dat ik er na de paasvakantie terug fulltime zou kunnen staan, en hield ik mijn voeten koppig van de grond.
Pas vorige week begon ik in te zien dat ik misschien toch teveel ineens wou. Het inzicht begon te komen na het korte uitstapje naar school, voor de klasfoto’s. Dat blitzbezoekje had me zoveel energie gekost, dat ik de rest van de dag nodig had om te recupereren. Of beter gezegd: mijn lichaam had de rest van de dag nodig om te recupereren. De directie leek ook niet helemaal zeker te zijn van mijn plannen om terug voltijds te starten. Wanneer de verloofde en de mama zagen hoe vermoeiend de drukte was geweest voor me, deden ze weer enkele pogingen om me te overtuigen toch een aantal uurtjes minder te werken, voor even. Stilletjes aan begonnen mijn voeten te zakken, tot ze vrijdag helemaal op de grond stonden en ik besefte dat ik nog even zou moeten wachten op het “alles” waar de neuroloog over sprak en dat ik intussen best wat rustiger aan deed.
Eenmaal beide voeten op vaste grond stonden, moest het dan ook snel gaan. Ik wilde immers de knoop doorhakken en zo snel mogelijk alle papieren in orde brengen, voordat ik terug zou gaan zweven. Dus volgde een telefoontje naar de directie, printte ik meteen alle nodige in te vullen documenten af en maakte ik een afspraak bij de huisarts om deze documenten in orde te brengen. Na mijn bezoek aan de huisdokter morgenavond passeer ik meteen bij de rode brievenbus om de documenten te posten, zodat er geen weg terug meer is.
Nooit gedacht dat ik zelfs zoveel water zou hébben om bij mijn wijn te doen, laat staan dat ik het er eigenhandig bij zou gieten. Nooit gedacht dat ik me hier dan ook nog best goed bij zou voelen. Ik ben altijd heel erg streng geweest voor mezelf. Gewoon goed was nooit goed genoeg, voor minder dan perfect deed ik het niet. En was iets niet perfect, dan deed ik er alles aan om het beter te doen de volgende keer. Ik schrijf nu in de verleden tijd, omdat ik ondertussen heb geleerd dat perfectie niet bestaat. Ik heb al moeten leren me tevreden te stellen met “gewoon goed”, en soms zelfs met “goed genoeg”.

In mijn ogen was de “perfecte juf” er eentje die er fulltime staat. En ik wilde die perfecte juf zijn, liefst tot aan mijn pensioen (wanneer dat ook mag komen, enkel de regering mag het weten…). Met het doorhakken van deze knoop, leer ik weer iets bij. Ik leer mezelf tevreden te stellen met “goed” i.p.v. “perfect”. En dus wordt het vanaf nu mijn doel om een goede juf te zijn, in plaats van de perfecte versie ervan.

PS: Ik heb vandaag gestofzuigd. Voor het eerst in 5 weken tijd. Dat is ook een klein vreugdedansje waard!

I have MS – It does not have me

Het afgelopen weekend was druk. Het begon donderdag met het concert waarover ik al vertelde, en eindigde gisteren met de babyshower van de schoonzus. Ook in “normale omstandigheden” zou ik dit als een druk weekend beschouwen, en de gebeurtenissen van de voorbije weken maakten het alleen maar vermoeiender. Het nieuws dat mijn wereld heeft stilgestaan, en vooral wat hiervan de oorzaak was, heeft zich ondertussen namelijk als een lopend vuurtje verspreid. Het was dus hoog tijd om een aantal brandjes te blussen…

Wanneer ik ergens binnenkom, kan ik aan de blikken van mensen zien of ze “het” weten of niet. Of ze er al over gehoord hebben, en of ze zich afvragen waarom ik zo moeilijk stap. En vooral: of ze zich afvragen hoe ik me voel sinds ik “het” heb. Want iedereen schijnt te denken dat ik het pas heb sinds enkele weken, sinds de wereld heeft stilgestaan. De waarheid is dat ik het al langer heb, en dat wordt meer en meer duidelijk nu ik stilaan meer over MS begin te weten. De wereld stond niet stil omdat ik plots MS had, maar omdat iemand het me vertelde.
Overal waar ik nu kom en waar ik in contact kom met anderen, komen de vragen. Het gesprek begint meestal met “Hoe gaat het met je?” en eindigt met iets in de zin van “Houd je nog sterk”. Mensen lijken te denken dat de verloofde en ik in een ontzettend diepe put zitten, te jammeren over wat er nu van ons leven moet worden, hoe het nu verder moet. Ze zien die muur niet, die we samen opnieuw hebben opgebouwd. Het is aan mij om die muur te tonen. Sommigen zien hem, anderen dan weer niet.
Ongelooflijk hoeveel mensen je opeens kennen wanneer er iets aan de hand is. Tussen die mensen zitten een aantal echte, blijvende sterren, zoals ik al uitlegde. Maar er zitten ook heel wat exemplaren tussen die snel uitdoven. Je kent dat wel, van die plastic figuren die je als kind aan het plafond had hangen, en die enkel oplichtten als ze voldoende licht hadden gehad. Na een dik uur doofden die sterren dan weer uit, onmerkbaar, want ondertussen was je als kind al lang in dromenland. Er zijn heel wat mensen die dat soort sterren zijn, de sterren die maar even schijnen omdat iemand z’n wereld kort stilstaat, en die weer uitdoven van zodra die wereld weer aan het draaien is. Onmerkbaar, gewoon omdat je er zelf niet op let. Gelukkig maar, want dat betekent dat je ze niet zult missen. Begrijp me niet verkeerd, dit zijn geen slechte sterren. Ook dit soort sterren hebben goede bedoelingen en zijn in de meeste gevallen oprecht bezorgd. Maar het is belangrijk het onderscheid te kennen, zodat je je niet teveel aan die voorlopige sterren gaat hechten en je je energie kan sparen voor de sterren die je leven zullen blijven verlichten (letterlijk en figuurlijk).
Vanaf het moment dat de mensen rondom je (en dan bedoel ik vooral de mensen in de grote straal rondom je) weten dat je ziek bent, weet iedereen ook wat je nu het best doet. Dan is die medicatie het beste volgens de ene, en volgens de andere dan weer niet. Dan ga ik toch best naar een gespecialiseerde MS-kliniek, en dan toch maar weer niet. Dan moet ik er de rest van mijn leven rekening mee houden in alles wat ik doe, of moet ik me er net niets van aantrekken en alles doen wat ik graag doe. Enzoverder, enzovoort. Plots is iedereen dokter. Soms kan ik dit binnenin heel goed naast me neerleggen, deze raadgevingen dankbaar aannemen en gewoon zeggen “Ik bespreek het eens met de dokter wanneer ik op controle moet”. Maar soms, heel soms, zou ik het wel kunnen uitschreeuwen: Laat! Mij! Met! Rust! En dan knik ik. En lach ik. Met m’n tanden op elkaar geklemd. Ik weet dat iedereen dit alles goed bedoelt. Ze willen helpen. Ik ben geen dokter, dus ik kan niet beoordelen welke raad goed en welke niet. Dus toon ik mijn frustratie niet, maar blijf ik vriendelijk en dankbaar. Want iedereen die z’n best doet om een ster te zijn heeft het recht om te schijnen, al is het maar even.
Ik word er wel moe van. Het is vermoeiend altijd opnieuw hetzelfde verhaal te vertellen. Nu ik enkele weken verder ben, heb ik ook al verschillende versies: de lange versie en de korte versie. De versie waarbij ik start met de eerste symptomen die ik voelde en eindig met de diagnose van de dokter. En de versie waarbij ik start met “Ik heb MS” en de vragen op me laat afkomen. Welke versie ik kies hangt af van de energie die ik heb. Van het moment waarop het gesprek plaatsvindt. Van de gesprekspartner, en de plaats waar ik me bevind. Of gewoon, van de mate waarin ik zin heb in het gesprek. En heel soms, als ik echt moe ben, houd ik het bij die ene zin van de korte versie en geef ik de link door van deze blog. Gewoon, omdat het gemakkelijk is. Sorry als jij bij die categorie hoort. Neem het niet persoonlijk, soms ben ik (het) gewoon even moe.

Alle gesprekken die ik de afgelopen weken heb gevoerd, probeerde ik steeds in dezelfde (positieve) richting te sturen. Ik probeer telkens duidelijk te maken dat ik heb aanvaard dat sinds het stilstaan mijn wereld een beetje anders draait. Dat ik besef dat ik de touwtjes af en toe moet delen met MS, en dat ik mijn best doe hier vrede mee te nemen. Dat ik weet dat er nog zware momenten zullen komen, maar dat ook mensen die niet ziek zijn zware momenten kennen in hun leven. Dat ook de verloofde het, denk ik, een plaats heeft kunnen geven en vooral positief naar de toekomst toe kijkt en klaar is om niet alleen met mij, maar ook met MS zijn leven te delen. Dat we nog steeds “gewoon gelukkig” zijn, niet gelukkiger dan eerst, maar ook zeker niet minder.
Maar vooral: dat ik MS heb, maar dat het mij niet klein zal krijgen…

One’s not half of two; two are halves of one

Mijn verhaal zou niet volledig zijn zonder een stuk over de verloofde. Zoals ik al vertelde tijdens onze kennismaking, speelt de verloofde een immens grote rol in mijn leven. E.E. Cummings sloeg de nagel op de kop wanneer hij deze zin op papier zette. Niet dat ik het gevoel had niet volledig te zijn voordat ik de verloofde leerde kennen. Helemaal niet. Ik was een onbezorgde tiener die in het weekend graag een stapje in de wereld zette en de vrienden als de dierbaarste mensen in het leven beschouwde. Ik fladderde graag eens rond, van de ene jongen naar de andere. En toen zag ik J.

Ik ga je niet vervelen met onze volledige liefdeshistorie. Er zijn nu eenmaal hoofdstukken in het verhaal van mijn leven die ik liever binnen beperkte kringen houd. Gewoon, omdat ze van mij zijn, of in dit geval van ons. Om een lang verhaal kort te maken: het heeft heel wat voeten in de aarde gehad vooraleer we elkaar hadden gevonden. De film “King Arthur”, het lied “Mia” van Gorki en Sinterklaas hadden er elk in hun aandeel in. We deden alles in de juiste volgorde: studeren, werk vinden, samenwonen in een huurappartement, huisje kopen, huisje verbouwen, de grote verhuis, het hondje kopen. Huisje, tuintje, boompje, beestje… Verliefd, sinds kort verloofd en binnenkort getrouwd. The happy life!
De verloofde is van het voorzichtige type. Op alle vlakken. Geen bad boy dus, maar één grote brok bedachtzaamheid. Begrijp me niet verkeerd, geen softie! Hij heeft gewoon de nodige dosis geduld en kalmte en om een impulsief en energiek (of liever: druk) iemand als ik tot rust te brengen. Elke beslissing die hij neemt is berekend, en dat is nog wat ik het meest nodig heb. Ik ben namelijk een nogal snelle beslisser, behalve wanneer ik op zaterdag moet kiezen wat ik van de broodjeszaak in de buurt wil (en toch ga ik bijna elke zaterdag weer voor hetzelfde). Maar áls hij iets beslist, als hij kiest ergens voor te gaan, dan gáát hij er ook voor. Dan wijkt hij niet van zijn pad vooraleer hij zijn doel bereikt heeft.
Ook wanneer ik last kreeg van de gevoelloosheid in mijn rechtervoet en -been, hield hij voet bij stuk. Door zijn medische opleiding begon hij zich al snel zorgen te maken. Woensdagavond kreeg hij me uiteindelijk zo ver dat ik via internet een afspraak maakte bij mijn huisarts. Ik deed dit meer om hem gerust te stellen, dan uit bezorgdheid over wat er aan de hand zou kunnen zijn. Omdat ik pas vrijdagavond een afspraak kon vastleggen, wou de verloofde me overtuigen die dag nog bij zijn huisarts langs te gaan. Dus belde ik donderdagmiddag de huisdokter op om even te vragen of ik alvast iets kon doen om de gevoelloosheid te verminderen. Hiermee kon ik de verloofde toch even geruststellen, en toch gewoon naar mijn eigen huisarts gaan. Ik ben niet iemand die wekelijks naar de dokter gaat, en als ik dan toch moet gaan, dan liefst naar de dokter die me het best kent. Vrijdagavond stelde de dokter vast dat er hoogstwaarschijnlijk een zenuw gekneld zat ter hoogte van mijn bekken, en raadde hij me aan een afspraak te maken voor een CT-scan. Oef, dat was iets waar de verloofde me nog mee kon helpen. En het probleem was niet super-dringend, of toch niet in mijn ogen. Maandag zou ik bellen voor de scan, en dan zou de dokter verder kunnen bekijken hoe het probleem verholpen kon worden. Eind goed, al goed!
Toen de gevoelloosheid verder trok in mijn zij, werd de verloofde terug ongerust. Na een moeizame wandeling, waarbij duidelijk werd dat ik ook een probleem had in mijn linkerbeen, wou hij me in de auto zetten en naar de spoedafdeling van het ziekenhuis rijden. Maar zoals misschien al duidelijk werd in vorige posts, ik ben dan weer van het koppige type. De rest van onze dag stond al gepland (friet-met-stoofvlees-dag bij de schoonfamilie, en de verloofde moest nog gaan sporten) en geen haar op mijn hoofd dat deze plannen nog wilde wijzigen. Ik had ook nog geen enkele voorbereiding getroffen voor de lessen die ik maandag zou geven in de klas, dus ik besloot dat we geen tijd hadden om naar het ziekenhuis te rijden. Tegen de zin van de verloofde, en uiteindelijk bereikte hij zijn doel maandagavond dan toch. Er waren nog de huisarts, de collega’s en de mama voor nodig om me zo ver te krijgen, maar ik belandde dan uiteindelijk toch op spoed.
De verloofde was, toen hij hoorde dat mijn ruggenmerg ontstoken was, meteen doodongerust. Meteen na zijn werk sprong hij in de auto en racete hij richting ziekenhuis. Dat beeld ik me nu zo maar in, ik was er natuurlijk niet bij. Ik weet wel dat op dat moment zijn rust, kalmte en bedachtzaamheid even plaats maakten voor bezorgdheid, onrust en zelfs lichte paniek. Dat zag ik aan zijn bleke gezicht wanneer hij kamer 458 binnen kwam. Dat hoorde ik aan zijn gebroken stem wanneer hij vroeg hoe het met me ging. Dat voelde ik aan de klamme hand die zich om de mijne sloot terwijl hij zwijgend naast mijn bed zat. Deze keer was ik diegene die geruststelde, de rollen even omgekeerd.
De volgende dagen heeft de verloofde heel zijn leven aangepast aan de bezoekuren van het ziekenhuis. Na het werk kwam hij steeds meteen naar kamer 458. Eten, slapen, … alles moest wijken. Niet zo gezond, heb ik hem ook meermaals gezegd. Maar daar was hij weer, zoals ik hem kende: standvastig en niet van zijn stuk te brengen. Elk vrij moment gebruikte hij om een berichtje te sturen of om me even op te bellen om te checken hoe het met me ging, welke tests er nog gedaan waren en wat de dokter nog had gezegd. Met elk woord dat hij zei, voelde ik me weer een stukje zekerder, een beetje veiliger. Met elk woord legde hij een steen bovenop de stevige muur die we in al die jaren rondom ons hadden gebouwd. De stevige muur die alle negatieve dingen die op ons af zouden komen, moest tegenhouden. Na 9 jaar was die muur al een behoorlijk bouwwerk geworden.
Wisten wij veel dat de muur opeens zwaar onder vuur zou komen te liggen… Die bewuste woensdag heeft de uitspraak van de dokter zijn eerste aanval op de muur geopend. Het was meteen een voltreffer. Aan de telefoon hoorde ik hoe de verloofde stil werd, de muur helde even over… Maar tegen de avond zag ik de verloofde terug zoals ik hem kende: mijn grote, vaste brok. Steen voor steen bouwden we de muur terug op. Samen. Met oude, gebroken stenen. Met nieuwe stenen.
Nu, vandaag, is de muur steviger dan ooit. Dit had ik niet alleen gekund, dit had de verloofde niet alleen gekund. Dit hebben we samen gedaan. En dit doen we nog elke dag, samen.

One’s not half of two; two are halves of one. En hij is de andere helft van ons.