The darkest nights produce the brightest stars

Men zegt wel eens dat je in slechte tijden je echte vrienden leert kennen. En dat lijkt zo’n negatieve betekenis te hebben, alsof iedereen je zal laten vallen wanneer het minder goed gaat. Toch is het zo: wanneer het minder goed met je gaat, ontdek je wie er met je begaan is. Maar dan niet in de negatieve betekenis. Daarom vind ik deze quote een betere beschrijving. The darkest nights produce the brightest stars. En zoals je zal merken in dit deel van mijn verhaal, zijn dat verdomd veel sterren…

Nog voordat ik goed en wel uit box 5 werd gezet en in kamer 458 werd gedropt, liepen de eerste bezorgde telefoontjes al binnen. De verloofde, de schoonmama, de schoonzus,… Allemaal waren ze erg geschrokken dat ik onmiddellijk opgenomen werd in het ziekenhuis. Ik moest natuurlijk ook meteen mijn directie op de hoogte brengen, want er moest voor de rest van de week een oplossing gezocht worden voor mijn leerlingen. Via Facebook bracht ik de rest van de vrienden op de hoogte, en de leerlingen en ouders van de school verwittigde ik via de klaspagina van Facebook over mijn voorlopige afwezigheid. Dit alles bracht een overvloed aan berichtjes op gang. “Veel beterschap!” “Snel weer beter!” “Laat je maar goed verzorgen!” Fijn. Niet sarcastisch, écht fijn. Niet dat ik het deed voor de aandacht, veeleer om ervoor te zorgen dat iedereen op de hoogte was en er dus geen al te grote verbazing zou zijn ’s ochtends op de speelplaats. Maar toch geeft het een ontzettend fijn gevoel om te weten dat er mensen zijn die aan je denken, al is het maar even. Het maakte dat de eerste uren in het ziekenhuis minder bevreemdend waren, alsof ik een stukje van m’n vertrouwde omgeving had meegenomen.
De dagen dat ik in het ziekenhuis lag, kreeg ik veel bezoek. De mama kwam elke namiddag en avond, zodat ik niet te veel alleen zou zitten. Na twee dagen op het hondje te passen kwam ook de papa naar het ziekenhuis. Twee keer kwam de moe mee met de mama, die natuurlijk doodongerust was. De zus kwam direct na haar werk langs en ook de schoonfamilie liet alles vallen om een bezoekje te kunnen brengen. De tante, de nonkel, de neef en zijn vriendin, S (de vriendin-van-het-middelbaar), allemaal kwamen ze langs. En ze brachten cadeaus mee, want dat doe je als je iemand in het ziekenhuis bezoekt: bloemen, chocola, pralines, … Een hele verzameling. Nu moet je weten dat ik iemand ben die letterlijk NOOIT ziek is, dus dat was ik allemaal niet gewend. Ik houd ook niet van medelijden, maar dat was er niet. Bezorgdheid, dat wel. Medelijden heeft zo’n denigrerende bijklank, bezorgdheid niet. Bezorgd klinkt beter, voelt warmer…
De grootste verrassing stond vrijdag aan de deur van kamer 458. Omstreeks kwart voor 11 werd er op de kamerdeur geklopt. Simonneke (waar ik later nog op terugkom) was er even niet, de mama zou pas om half 12 komen om me te komen ophalen (en die klopte normaal niet aan) en het was nog geen bezoekuur. Wie kon dat toch zijn? Wanneer ik om de hoek keek, zag ik iemand staan die ik al jaren niet meer gezien had. Kijk, dat is nu vriendschap. We kennen elkaar van in de lagere school. Toen noemde men het nog niet zo, maar om het in hedendaagse woordenschat te omschrijven: wij waren echte BFF’s. Tot enkele jaren terug zagen we elkaar nog wekelijks op de dansles, maar van zodra ik het wat drukker kreeg met mijn job en huishouden gaf ik die hobby op. En je kent dat: in het begin wordt er nog getelefoneerd en wel eens afgesproken voor een etentje, maar op de duur is ieder z’n eigen leven beginnen leiden en vielen ook de telefoontjes en afspraakjes weg. Enkele weken geleden was ik haar nog wel eens tegen het lijf gelopen in het winkelcentrum, waar we even hebben stilgestaan om te praten over waar het leven ons gebracht had. Daarna gingen we elk weer verder op onze eigen weg. En nu, plots, stond ze daar, in het midden van mijn weg. “Ik moest hier in het ziekenhuis zijn, wist dat je hier lag, en voelde dat ik even moest langskomen” – “Dan denk ik dat je best even gaat zitten”, waarop ik de berg weer rustig beklom. Ongeloof, bezorgdheid, steun, de lawine die ik ondertussen al gewend was. Maar alles heel vertrouwd, want hoe lang we elkaar ook niet meer gezien hadden, die vertrouwde band was er nog steeds. Fijn.
Eenmaal thuis kwamen er weer berichtjes. En bloemen (aan de deur geleverd, verrassing!). En bezoekjes. En telefoontjes. Het leuke is dat alle berichtjes die ik kreeg vroegen naar hoe het met me ging, en niet naar wat ik precies had. Dat is een groot verschil. Mensen die vragen wat je precies hebt vragen dit uit eigenbelang, nieuwsgierigheid. Mensen die vragen hoe het met je gaat, zijn bezorgd en geïnteresseerd in jou als persoon. Die mensen, die vragen hoe het met je gaat, die bezorgd zijn, die geïnteresseerd zijn, dat zijn die sterren waar het om gaat in de quote. De mensen die je niet uitnodigt, maar die zelf aanvoelen dat ze welkom zijn voor een bezoekje. De mensen die je niet opbelt, maar die als in een reflex zelf je nummer kiezen. Dat zijn de mensen die je nodig hebt om deze periode in je leven door te komen.
Er kwamen mensen langs die ik verwachtte. Familie. Vrienden. De mensen waar je altijd op kunt rekenen, en die je steunen en helpen waar ze kunnen. De zus offerde heel wat uurtjes van haar zeldzame vakantiedagen op om te helpen in het huishouden. De mama verplaatste een klant om te kunnen chauffeuren, en kwam regelmatig langs om te helpen met de kleine karweitjes. De papa, mama en schoonmama maakten ons terrasje lenteklaar. De va wiedde het onkruid in de voortuin. Ik kan nog pagina’s lang doorgaan met het opsommen van de dingen die de familie en de vrienden voor me hebben gedaan, en nu nog steeds doen. Langs de ene kant is het een frustratie, zij doen de dingen die ik normaal gezien doe in en rond ons huis. Maar langs de andere kant geeft het een geruststellend gevoel: het leven gaat door. Alles gaat door zoals het hoort, maar dan even net iets anders dan anders. Mijn wereld blijft in beweging, en dat dankzij hen.
Er kwamen mensen langs die ik niet verwachtte. Collega’s. Ouders van op school. Kennissen. De mensen die je anders dagelijks ziet, maar waarvan je niet besefte dat ze je zouden missen als je er niet bent. Het klinkt misschien raar, maar het is fijn om te weten dat je gemist wordt. Dat toont dat mensen je appreciëren en waarderen wanneer je er wel bent. Een gevoel dat iedereen nodig heeft, maar niet iedereen ook werkelijk heeft. Ik kan niet zeggen dat ik dit gevoel niet had, ik stond er gewoon niet echt bij stil. Nu de wereld heeft stilgestaan bekijk ik alles anders, sta ik zelf ook wat meer stil. En dat doet me meer dan eens beseffen hoezeer ik langs mijn kant deze mensen waardeer en apprecieer. Ook zij zorgen ervoor dat mijn wereld in beweging blijft.

The darkest nights produce the brightest stars… Toch mooi, niet?

Choose to be optimistic – it feels better

Dalai Lama XIV had hier kennelijk al goed over nagedacht vooraleer hij deze beroemde quote de wereld in stuurde. Oké, het is de logica zelve, het omzetten naar de praktijk dan weer net niet… Mensen kiezen de dag van vandaag te snel voor de andere, pessimistische kant. Ook ik ben in het verleden meermaals in die val getrapt. Een ongelukkige combinatie van een slechte nacht, een oneindige to do lijst, drukke kinderen in de klas, en een regenachtig weerbericht waren meer dan eens de oorzaak van een “bakkes tot op de grond”, zoals dat wel eens wordt gezegd. En dan gaat niets meer zoals je wil, wat zorgt voor nog meer negatieve gedachten, enzoverder, enzovoort. Een weekend of een weekje vakantie kon me dan altijd wel helpen om terug in een positieve spiraal te geraken, en me dan voor te nemen me niet meer door negatieve gedachten te laten meeslepen. Om dit na enkele weken dan weer vergeten te zijn. Toch post ik nu deze quote, vol overtuiging om ze in de praktijk om te zetten. Want toen de wereld weer in beweging kwam, was deze logica de enige uitweg…

Na de uitspraak van de neuroloog reageerde ik verrassend kalm. Ik luisterde naar zijn uitleg, liet alles over me heen komen. Er was nog geen zekerheid, maar ook uitsluitsel van deze diagnose zou deze week sowieso niet meer geboden kunnen worden. “De kans is dus reëel?” – “De kans is groot.” De dokter legde uit dat hij ook graag een hersenscan zou nemen om te kijken of er daar ook zichtbare letsels waren. Die scan zou één van volgende dagen nog plaatsvinden en zou meer, of net minder, duidelijkheid en zekerheid kunnen brengen. Waarop de vriendelijke verpleger werd opgeroepen om me terug naar kamer 458 te brengen. Wat er onderweg door me heen ging, weet ik niet meer. Ik herinner me dat de verpleger, net als tijdens de andere rolstoelritjes, een praatje maakte over koetjes en kalfjes. Maar zet me nu alle koeien en kalveren op een rij, ik haal die van dat gesprek er niet meer tussen uit! Mijn gedachten waren overal en nergens tegelijk. Terug op kamer 458 kon ik eindelijk (het was ondertussen 10.15u) aan mijn ontbijt beginnen, ook in gedachten verzonken. Geen negatieve, geen positieve, gewoon… gedachten. Tot het tot me doordrong dat ik dit nieuws aan de verloofde en mijn familie zou moeten vertellen. Wat nog restte van de voormiddag, besteedde ik dus aan het bedenken hoe ik dit zou moeten zeggen zonder verdriet te veroorzaken. Het werd me al snel duidelijk dat dit niet zou lukken…
Net als elke middag ging de telefoon wanneer het dienblad met het middageten op tafel werd gezet. De verloofde, op wandel met het hondje, meldde zich elke middag even om te checken hoe het met me ging. Ik stond voor de torenhoge berg met helemaal bovenaan de uitspraak van de neuroloog, en besloot om meteen een spurtje te wagen naar de top. In enkele woorden was het eruit: de dokter vermoedt MS. Achteraf bekeken stel ik me grammaticale vragen bij de opbouw van deze zin, maar op dat moment was het de beste samenvatting die ik kon uitbrengen aan de telefoon. De verloofde werd even stil. “Dat was ook al bij me opgekomen.” Het moet hier wel even gezegd worden dat de verloofde zelf de nodige medische achtergrond heeft, en voor zijn beroep wel eens in contact komt met MS-patiënten. Hij had zelf dus al een aantal puzzelstukjes in elkaar gepast, maar schrok toch even wanneer het luidop werd gezegd. Ik vertelde hem nog kort welke tests er verder nog gepland stonden de volgende dagen, en liet hem dan alleen met zijn gedachten en het hondje.
Na het middageten kwam de schoonzus op bezoek. Ik deed m’n spurtje opnieuw. Stilte. Haar stelde ik gerust door te zeggen dat er nog geen definitieve diagnose was, slechts een vermoeden. Dat gaf de boodschap toch een ietwat positief tintje. Achteraf bekeken niet meteen de juiste keuze, want hierdoor gaf ik ook weer hoop. Dat de dokter de kans als “groot” inschatte, vermeldde ik niet. Ik wilde niet dat iemand zich zorgen zou maken over mij of wat er met mij aan de hand zou kunnen zijn. Pas wanneer de mama arriveerde, kon ik mezelf ertoe brengen de berg rustig te beklimmen. En door dit rustig te doen, kreeg ik zelf ook meer inzicht in wat de dokter had gezegd. Ook de mama had zich hier aan verwacht, sinds een tijdje kan ze goed met de moderne media overweg en dus had ze ook al het nodige opzoekwerk verricht. Wat volgde was een reeks telefoontjes om de familie op de hoogte te brengen. Ik vond het fijn dat de mama de berg nog een paar keer in mijn plaats wou beklimmen, dat gaf mij de tijd om het even te laten doordringen. Want weet je, ik wist het van zodra de dokter het had gezegd, maar ik wíst het pas echt nadat ik het zelf een paar keer had verteld. Tot mijn eigen verbazing (toch als ik het nu bekijk) dacht ik er heel nuchter en rationeel over na. Ik besloot heel snel om niet te gaan denken in termen van “ik kan misschien niet meer …”, maar omgekeerd. Ik wist nog niet zo heel veel over MS, maar wel genoeg om meteen in te zien dat een leven met MS mogelijk is, leefbaar is. Ik denk dat dat inzicht, dat besluit, genoeg was voor mij om ervoor te kiezen optimistisch te zijn. Nee, “kiezen” is niet het woord dat hier past. Kiezen doe je bewust. Als je kiest, zeg je “ik ga optimistisch zijn”, en ik kan me niet herinneren dat die zin door mijn gedachten is gegaan op eender welk moment sinds het stilstaan van de wereld. Ik koos niet voor het optimisme, het overkwam me…
Sinds het optimisme me was overkomen, beklom ik de berg elke keer weer een beetje vlotter. Geen spurtjes meer, maar rustige wandelingen naar de top. Zonder te vergeten af en toe eens uit te rusten en te genieten van het uitzicht, want uiteindelijk was dit alles niet uitzichtloos. Eenmaal de top bereikt, kon ik telkens opgelucht ademhalen. Het werd me echter al snel duidelijk dat diegenen die met me mee waren gewandeld, eenmaal ze het nieuws hadden gehoord, moeite hadden met de afdaling. Elke keer veroorzaakte dit ongerustheid, bezorgdheid, verdriet. Logisch natuurlijk, zelf zou ik ook zo reageren. Ik werd bang, bang dat dit verdriet zich als een lawine van deze hoge berg zou storten, en ervoor zou zorgen dat iedereen rondom mij geneigd zou zijn het pessimisme te kiezen. Tegelijk werden de verloofde, de mama, en de rest van de familie bang dat ik me op het moment dat ze er waren gewoon sterk hield, dat mijn “lawine” van verdriet nog zou komen…
Gelukkig was het optimisme sterker dan alle negatieve gedachten die bij me aanklopten. Want natuurlijk, die negatieve gedachten doken wel eens op. En ik weet niet wat ik heb gedaan, ik weet niet hoe ik het heb gedaan, maar ik ben op één of andere manier in dat optimisme blijven geloven. En dat voelt goed.

Op dit moment ben ik al kleine week thuis, en het optimisme dat me is overkomen is er nog steeds. Het heeft me ervan overtuigd dat, hoewel het niet altijd de gemakkelijkste keuze is, het toch de moeite waard is om voor te kiezen. Ook de verloofde, de mama en de rest van de familie hebben er ondertussen voor gekozen. En ik zie dat het ook voor hen goed voelt.
Choose to be optimistic. It feels better.