Today is THE day – today is ALWAYS the day

27 mei 2015. Wereld MS-Dag. Urenlang gesleuteld aan wat ik vandaag zou schrijven. Want op zo’n dag moet je toch iets schrijven, denk ik dan… Maar eigenlijk is vandaag de dag dat ik MS even buitenspel zet. Dus alles wat ik vandaag wil schrijven is:

FUCK YOU, MS!

Dus eigenlijk zouden we het beter FUCK-MS-DAG noemen. Kunnen we dat dan nu afspreken?
Met excuses voor het taalgebruik (goed bezig juf, weg voorbeeldfunctie…)

I know everything happens for a reason – but sometimes I wish I knew what that reason was

1 op 1000. Zo groot is de kans dat je MS krijgt. Of dat zeggen de statistieken toch. Van elke duizend mensen krijgt er eentje MS. Een dikke tien weken geleden was ik plots die ene uit de duizend. Sindsdien rijzen er steeds meer vragen, elke dag komt er wel eentje bij. Op een aantal vragen kan de verloofde een antwoord geven. Andere vragen stelde ik aan de neuroloog en aan de dokter. Voor een aantal vragen zocht ik lotgenoten op. Tot nu toe kregen al heel veel vragen een antwoord. Behalve eentje.

De eerste vragen die in me opkwamen, waren veelal algemeen. Wat is MS? Wat betekent het voor mijn toekomst? Wat betekent het voor onze kinderwens? Wanneer kan ik weer aan het werk? De ene vraag bleek al makkelijker te beantwoorden dan de andere. De ene vraag kreeg een eenduidig antwoord, terwijl de andere vraag wel duizend verschillende antwoorden leek te krijgen. De eerste weken brachten veel duidelijkheid over de ziekte MS, en daarbij hoorde dan weer een flinke dosis onzekerheid. Maar één ding was voor mij zo klaar al een klontje: na zes weken rusten zou ik weer aan de slag kunnen.
In mijn hoofd zag dat “weer aan de slag gaan” er veel rooskleuriger uit dan het eigenlijk was. Ik ging er namelijk van uit dat ik er weer voor de volle 100% zou kunnen in vliegen. Niets was minder waar. Na iets meer dan een week kwamen de symptomen terug, ik had een “heropflakkering” van de vorige opstoot. Een eerste tegenvaller.
Die tegenvaller bracht nieuwe vragen met zich mee. Hoe lang gaat dit nog duren? Wanneer ben ik eindelijk volledig hersteld? Hoe kan ik deze symptomen doen verdwijnen? Vragen waarop al voorzichtiger werd geantwoord. Het enige duidelijke antwoord dat ik kreeg, bevatte het woord dat ondertussen al mijn oren uit kwam: “rusten”. Nog meer rusten. Hoe lang nog? Dat moeten we aanzien…
Na opnieuw twee weken rusten, gunde ik mezelf een weekendje uit. De Tongelse Dorpsfeesten hier in de buurt wilde ik voor geen geld ter wereld missen. De afgelopen 13 jaar was dit een vaste traditie, dus moest en zou ik aanwezig kunnen zijn. Ik keek al uit naar de eerste danspasjes die ik zou kunnen zetten samen met vriendinnen. Die danspasjes kwamen niet. Nog voordat ik goed en wel was aangekomen, voelde ik al dat mijn linkerbeen weer z’n eigen zin zou gaan doen. Ook mijn rechterkant wilde nog steeds niet mee, het gevoel was nog niet terug. Om het plaatje compleet te maken was ik ook weer heel moe. Ik voelde me dus alles behalve op en top, en besliste heel wat vroeger dan de vorige jaren om naar huis te gaan. Nog een tegenvaller.
Maar afgelopen weekend zou ik die danspassen toch kunnen zetten! Met een festivalletje in de buurt zou dat toch moeten lukken. De verloofde en ik hadden geen kaarten, maar dat zouden we nog wel geregeld krijgen. En oké, we zouden waarschijnlijk niet zo lang kunnen blijven als de rest, maar dat maakte me niet uit. Ik zag me al over de festivalwei dansen, ik had er zin in. Vrijdagmiddag zette de verloofde mijn zwevende dansvoetjes weer op de grond. De symptomen die ik bij de heropflakkering terug heb gekregen waren nog steeds niet volledig verdwenen en ik had er al een vermoeiende werkweek op zitten. Volgend weekend zou het schoolfeest zijn, wat ook al vermoeiend zou gaan worden. De verloofde vond het dus beter om mijn dansvoeten nog even stil te houden, en dan maar niet naar het festival te gaan. “Je gezondheid gaat voor!” en na enkele kleine protesten besefte ik ook wel dat hij hiermee gelijk had. De dokter beaamde dit vrijdagavond, wanneer ik bij hem langsging voor een vaccinatie en enkele voorschriften. Tegenvaller nummer …? En weer heel wat nieuwe vragen, met bijhorende antwoorden.

Zo verzamelde ik de afgelopen weken tegenvallers. En elke tegenvaller bracht vragen met zich mee, welke dan weer antwoorden opbrachten. Doorheen de twaalf voorbije weken heeft er zich echter één vraag tussen mijn oren genesteld, één vraag die tot vandaag onbeantwoord is gebleven en waarop ik waarschijnlijk nooit een antwoord zal krijgen.
Waarom?

Sometimes I forget putting myself first isn’t selfish, but necessary

Rusten. Niet te veel fysieke inspanning. Voldoende rust nemen. Dat zei de neuroloog me vanmorgen aan de telefoon. Een telefoontje waarop de verloofde, de ouders en de zus sterk aandrongen, en terecht. Een telefoontje waar ik een beetje tegenop keek, ook terecht. Want ik begon de laatste dagen een beetje te zweven, dacht dat MS stilaan in slaap was gevallen, en dat ik dus al heel wat meer aankon. Na het telefoontje staan m’n voeten weer netjes op de grond…

Dinsdag was een topdag. In Technopolis werd “de grootste chemieles ter wereld” georganiseerd. Een poging om het wereldrecord “zoveel mogelijk experimenten tegelijk uitvoeren” te verbreken. Daar mochten onze leerlingen van de derde graad natuurlijk niet ontbreken. Samen met een duizendtal leeftijdsgenoten slaagden ze erin om het nieuwe record te behalen. Als beloning mochten alle kinderen en leerkrachten in de namiddag Technopolis gratis verkennen. De leerlingen hebben zich gedurende de hele dag voorbeeldig gedragen, en we waren netjes op tijd terug op school. Voor de leek in het onderwijs: in leerkracht-termen is dit een “topdag”.
Wanneer ik van de bus stapte, merkte ik dat mijn linkerbeen er weer even minder zin in had. De knie protesteerde door lichtjes te overstrekken, en de voet struikelde over elke hoogteverschil vanaf 2 centimeter. Het was niet de eerste keer dat m’n gekke loopje weer de kop opstak, dus ik pikkelde nog even vrolijk rond op school vooraleer naar huis te gaan. Thuis lukte het me ook best om te stofzuigen en nog even te dweilen, voordat ik neerplofte in de loungeset in de tuin met een lekker glas wijn als beloning voor de geslaagde, productieve dag. Mijn benen voelden vermoeid en zwaar aan, maar ook dat was niets nieuws. ’s Avonds rustig aan doen, en dan zou ik woensdag weer gas kunnen geven.
Aan tafel voelde ik het. Of beter gezegd: voelde ik het niet zo goed. Wanneer ik mijn hand in mijn zij zette, leek mijn romp wel verdoofd. Niet helemaal verdoofd, maar het gevoel dat je hebt wanneer de verdoving er nog niet helemaal uit is. Het gevoel dat ik een tweetal maanden geleden ook had wanneer ik naar de spoedafdeling van het ziekenhuis ging. Het gevoel dat, gelukkig, al heel wat weken geleden verdween na de cortisone-behandeling. Het verbaasde me dit gevoel terug te voelen… Ik kon het me natuurlijk ook inbeelden, dus nam ik de proef op de som. Ik ging met m’n vingernagels over mijn rechterzij. Dan over mijn linkerzij. Terug over mijn rechterzij. Nee, dit beeldde ik me niet in. Hoewel het gevoel niet zo sterk verminderd was als een tweetal maanden geleden, het verdoofde gevoel was er. En dat terwijl mijn gevoel aan de rechterkant al weken terug oké was. Verdomme…
Ik besloot even af te wachten. Misschien zou een avondje platte rust en een goede nachtrust ervoor zorgen dat alles uit zichzelf zou overgaan, en zouden woensdagochtend zowel de linker- als de rechterkant van mijn lichaam terug naar behoren werken. Jammer genoeg was dit niet zo… Het gekke loopje zag er gelukkig al iets minder gek uit, maar het gevoel was nog niet terug.
Wat dit zou kunnen betekenen, wist ik niet. Was het de voorbode van een nieuwe opstoot? Een uitloper van de vorige opstoot? Of gewoon een reminder van MS, in de zin van “Hey, ik ben er ook nog!”? Maar om nu meteen de neuroloog te contacteren, dat vond ik er misschien een beetje over. Ik wil niet zo’n patiënt zijn die voor elke scheet naar de dokter belt… Dus besloot ik ergens anders een antwoord op mijn vragen te zoeken. Sinds kort ben ik lid van een Facebook-groep met MS-patiënten. In deze groep worden dagelijks vragen gesteld en beantwoord. Het leek me een goede manier om antwoorden te krijgen. Alle leden van deze groep zijn immers “ervaringsdeskundigen”. Ik legde de situatie in enkele zinnen uit, en verstuurde het bericht. Vol hoop op positieve antwoorden. Al snel kwam de eerste reactie. Ook de tweede en derde reactie bleven niet lang uit. Allemaal zeiden ze hetzelfde: dit zou een heropflakkering kunnen zijn van de vorige opstoot, te wijten aan vermoeidheid en/of stress. Allemaal hadden ze dit wel eens meegemaakt. Toch raadden ze me aan om mijn neuroloog te contacteren als de symptomen langer dan 24u zouden aanhouden. Ik besloot nog even te wachten met het telefoontje, en hoopte dat de klachten snel zouden verdwijnen.
Elke woensdag gaan de verloofde en ik eten bij de mama en de papa. Dat is na mijn verblijf in kamer 458 een wekelijkse gewoonte geworden. Tijdens het avondeten kwam het ter sprake: het gekke loopje, het verminderde gevoel in mijn rechterzij (en ondertussen ook -been). De vragen die ik had gesteld in de MS-groep, en de antwoorden die ik had gekregen. Ondertussen waren er jammer genoeg 24u verstreken sinds de symptomen weer de kop opstaken. De verloofde en de ouders vonden het dus logisch dat ik de neuroloog zou contacteren. Ik beloofde om er de volgende dag meteen werk van te maken.
Vanmorgen zag ik enorm op tegen het telefoontje. Om verschillende redenen. Ten eerste vond ik nergens op de website van het ziekenhuis welk nummer ik moest bellen om een dokter te kunnen spreken. Verder was ik bang. Bang dat de neuroloog mijn reactie overdreven zou vinden. Bang dat de neuroloog me zou verwijten dat ik te hard gewerkt had. Bang dat hij me zou zeggen dat ik terug thuis zou moeten blijven. Bang dat hij mijn wereld weer zou laten stilstaan. Bang, om allerlei redenen… Ik stelde het telefoontje niet uit, maar beet meteen door de zure appel. Na enkele keren doorverbinden kreeg ik de dokter aan de lijn. Ik legde hem kort uit wat mijn klachten waren. Volgens hem is dit geen voorbode van een nieuwe opstoot. Daarvoor zouden er andere symptomen moeten zijn. Dit is, zoals de “ervaringsdeskundigen” in de MS-groep mij al wisten te vertellen, een heropflakkering van de vorige opstoot. Een gevolg van te veel fysieke inspanning. Dan stijgt volgens de neuroloog de lichaamstemperatuur, wat een negatief effect heeft op de ontsteking in het ruggenmerg. Die is nog volop aan het genezen, en kan terug “geactiveerd” worden bij verhoogde lichaamstemperatuur. Met als gevolg de terugkeer van eerder symptomen. Wat ik nu kan doen is rusten. Niet te veel fysieke inspanning. Voldoende rust nemen.
Enerzijds ben ik opgelucht. Oef, geen nieuwe opstoot. Ik moet “gewoon” rusten, en dan verdwijnen de klachten weer. Anderzijds voelt dit weer aan als een tegenslag. Het gekke loopje was er al een tijdje bij vermoeidheid, maar nu is er een tweede symptoom teruggekeerd. Het voelt alsof ik achteruit ga in plaats van vooruit. Ik weet dat MS onvoorspelbaar is, en ik weet ook steeds beter en beter dat het net die onvoorspelbaarheid is die ik haat. Het gooit m’n hele routine overhoop. In plaats van het laatste lesuur vandaag nog les te gaan geven, moest ik thuisblijven. En rusten. Alsof ik dat nog niet genoeg gedaan heb de laatste twee maanden…
Twee dagen, langer heeft het niet geduurd voordat MS me z’n reminder stuurde. Eén dag. Zo lang kon ik het telefoontje uitstellen. In totaal drie dagen. Drie dagen lang ben ik er in geslaagd om MS even opzij te zetten. Om niet te denken aan mijn onvoorspelbare levenspartner, maar weer “gewoon” te functioneren in het huishouden en op het werk. Want zo heb ik het altijd gedaan: eerst de rest, en dan ik. Eerst het werk, dan pas rust. Vandaag is mijn vroegere logica weer op z’n kop gezet. Eerst ik, dan de rest. Eerst rust, dan pas het werk…

Ik was het even vergeten. Ik was vergeten dat het nodig is om eerst aan mezelf te denken. Vergeten dat het geen kwestie is van egoïsme, maar van noodzaak. De verloofde, de mama en de papa, de zus, de dokter, de collega’s, … Allemaal zetten ze mijn beide voeten weer op de grond, en herinnerden ze me eraan dat ik moet luisteren. Naar hen, naar mijn onvoorspelbare levenspartner, en vooral naar mijn eigen lichaam. Omdat het moet. Omdat het nodig is.

People will forget what you said, people will forget what you did, but people will never forget how you made them feel

Sinds vorige week ben ik weer aan de slag in mijn klas. De routine, hoewel die ook weer nieuw is, doet me deugd. Het sociale contact met de kinderen, de collega’s en de ouders nog meer. Het werk doet me tussen half 9 en half 4 even vergeten dat de wereld heeft stilgestaan. Jammer genoeg herinnert MS me daar na half 4 aan door me de zetel in te duwen. De vermoeidheid is nog niet voorbij. Als er één ding is dat ik van mijn jongste levenspartner kan zeggen, is dat het een doorzetter is. Jammer maar helaas voor MS: ik ben dat ook. Omdat het in me zit. Maar vooral omdat ik mensen om me heen heb die me helpen door te zetten.

Nu ik weer tot de klasse van de werkende mens behoor, is het ook geoorloofd dat ik me vertoon op afterworkparties. Vorige donderdag was de halfjaarlijkse afterworkparty van het Westels Achterwerk, en daar wilde ik graag van de partij zijn. Ik wist dat het een vermoeiend avond zou worden, maar dat woog voor mij niet op tegen de energie die het sociale contact mij zou geven. Na de vergadering op het werk maakte ik me dus klaar om te vertrekken. De verloofde werd verwacht op een bijscholing, die de hele avond zou duren. Daarom sprak ik af met een vriendin, M2. We spraken af dat we het niet laat zouden maken en dat zij me nadien thuis weer zou afzetten. Beide afspraken vielen in het water. Eens ik op locatie was, verloor ik de tijd al snel uit het oog. Het was leuk om ook eens “gewone” dingen te kunnen doen, dingen uit mijn oude routine, zoals uitgaan met vrienden. Het enige dat dan weer anders is in de nieuwe routine, is de bezorgdheid die de vrienden met zich meebrengen. De gewoonlijke babbels (die meestal beginnen met “heb je ook gehoord van …”) waren net iets anders. Ik was namelijk één van de geruchten die op dit moment de ronde doen. Dus begon elk gesprek met de vraag waarop ik het antwoord ondertussen al honderden malen “gerepeteerd” heb: hoe gaat het nu met jou? Standaard antwoord tegenwoordig is “alive and kicking!” De echte vrienden lachen dan, om dan de vraag te herhalen. “Nee maar, nu serieus, hoe gáát het met jou?” Uit de vragen die ze stelden kon ik afleiden in hoeverre ze op de hoogte waren van wat er met me aan de hand is, en ook welke geruchten en roddels ondertussen de ronde doen. Een aantal van hen kon ik geruststellen (sommige geruchten zien alles veel zwartgalliger in dan ikzelf), een aantal deed ik eens goed schrikken (niet iedereen was al helemaal op de hoogte van mijn gedwongen samenlevingscontract met MS). Maar iedereen was blij te zien dat ik weer goed te been was, er kon zelfs al een klein danspasje van af, en dat alles goed met me gaat. En ook ik ben daar blij om. Écht blij…
Gisteren kreeg ik een berichtje van de zus. De loopploeg waar ze deel van uitmaakt, zou een reportage krijgen op de regionale zender. Haar bazin zag hier meteen een kans om reclame te maken, en belooft daarom een bepaald bedrag aan een goed doel te schenken per loper die volgende vrijdag de Spartacus-run uitloopt. Het goede doel dat werd gekozen is de MS-liga. Toen ik dit hoorde, kreeg ik zo’n warm gevoel vanbinnen. Want dat doen ze omwille van mij. En daarmee doen ze meer dan ze zelf denken. Voor hen is dit een gewone loopwedstrijd. Voor mij doen ze iets heel anders. Zij zorgen ervoor dat het stilstaan van mijn wereld niet voor niets is geweest. Er lopen 12 lopers mee, wat betekent dat er heel wat geld naar de MS-liga kan gaan als ze allemaal de finish bereiken. Geld dat gebruikt kan worden om MS patiënten in Vlaanderen te helpen. En dat is toch geweldig… Hoe mijn nieuwe levenspartner niet alleen negatieve gevolgen met zich meebrengt, maar ook het positieve in mensen naar boven brengt. Niet alleen in mezelf, ook in de mensen rondom mij. Dat maakt me blij, en dankbaar. Ontzettend dankbaar. Vrijdag sta ik dus aan de zijlijn. En ik zal elke loper naar de finish schreeuwen.

Ik kan niet beloven dat ik binnen een twintigtal jaar nog woord voor woord kan herhalen wat iedereen me nu zegt, en wat al deze mensen afzonderlijk voor me doen. Maar ik kan wel beloven dat ik nooit meer zal vergeten welk gevoel alle mensen rondom mij me geven. Dit waren slechts twee voorbeelden, ik kan nog pagina’s lang doorgaan over alle dingen die mensen doen om me een goed gevoel te geven. In de klas, in de koffiekamer, op de speelplaats, aan de poort, in de winkel, thuis, … Overal kom ik mensen tegen die me op de één of andere manier een goed gevoel geven. Een goed gevoel dat maakt dat ik doorzet in mijn optimisme. Een gevoel dat meer waard is dan wat ook ter wereld. Het gevoel dat alles, wanneer ook, hoe dan ook, goed komt…

Choose a job you love, and you will never have to work a day in your life

Vandaag was de eerste dag van de rest van mijn leven. En het was een mooie dag. De lente hing in de lucht en de zon bracht aangename temperaturen met zich mee. Overal stralende gezichten. Nee, niet in de woonkamer waar ik de vorige 42 dagen doorbracht. Op de speelplaats. In de klas. Want vandaag mocht ik weer aan het werk. En het was heerlijk!

De wekker om 6u15. En om 6u25. En nog eens om 6u35. Om dan eindelijk, na de wekker van de verloofde om 6u45, op te staan. Het hondje buiten laten. Het versgebakken brood uit de machine halen. Opfrissen, aankleden, haar en make-up. Ontbijten en de krant lezen met de verloofde. Boterhammen smeren. Tanden poetsen. Fietsmand inladen. Het hondje binnen zetten. Samen met de verloofde naar het werk vertrekken. De ochtendroutine die ik al meer dan 42 dagen had gemist, voelde weer heel vertrouwd aan. Alsof het nooit anders is geweest. Alles ging vanzelf, als in een automatisme.
Ook op school ging alles weer zoals ik het gewend was voor het stilstaan van de wereld. De goeiemorgens in de gang en de koffiekamer. Het klaarzetten van de klas. De wachtrij aan het kopieerapparaat. Het was net of de tijd had stilgestaan, alsof de klok was stilgezet bij het stilstaan van de wereld en vandaag weer begon te tikken. Alles was hetzelfde.
En dan toch weer anders. De goeiemorgens werden nu gevolgd door vragen die ik ondertussen al op automatische piloot weet te beantwoorden. “Hoe gaat het?” “Zie je het zitten om alweer te starten?” “Hoe voel je je?” Collega’s die bezorgd zijn, niet nieuwsgierig, niet overbezorgd. Gewoon bezorgd, fijn. Ik weet dat ik op hen kan rekenen als het nodig is, en dat ze het begrijpen wanneer iets wat moeilijker gaat. En dat geeft me een veilig en zeker gevoel. Fijn om zo terug te kunnen starten.
Maandag, het eerste lesuur. In de oude routine zou ik in het vierde leerjaar zijn, om me samen met de leerlingen in de spellingsregels te verdiepen. In de nieuwe routine ben ik vrij en moet ik eigenlijk nog niet op school zijn. Vandaag is dan weer nóg iets anders. Ik moest de vierdeklassers gaan vertellen dat ik de rest van het jaar hun juf niet meer zou zijn. Dat ik alleen nog maar de juf van het zesde leerjaar zou zijn. Ik zag er enorm tegenop. Samen met mijn collega ging ik de klas binnen en bracht ik het nieuws. Ik legde uit dat ik heel erg ziek was geweest, en dat ik nog niet helemáál genezen ben. Ik vertelde dat de dokter het dan ook beter vond dat ik wat minder hard zou werken. En dat ik dus niet meer naar het vierde leerjaar zou gaan, maar dat ze me in het zesde leerjaar zeker terug zouden tegenkomen. Stilte in de klas. Een 16-tal droevige gezichtjes die me afwachtend aankeken. Dus vertelde ik ook snel dat juf K de rest van het schooljaar bij hen zou blijven. Opluchting op de gezichtjes. Oef…
Het tweede lesuur werd ik verwacht in mijn eigen klas. Wanneer ik binnenkwam, leek het wel of niemand durfde bewegen. Wanneer het ijs weer gebroken was met een mopje (“Jullie zien het, onkruid vergaat niet. Ik ben terug!”) legde ik de kinderen rustig uit wat er aan de hand was geweest: mijn verblijf in kamer 458, de onderzoeken die de dokter deed. En de wereld die bleef stilstaan. Alles in kindertaal, natuurlijk. Ik legde uit dat mijn hersenen niet zo goed meer konden communiceren met mijn been en hand, door een “wegomlegging” in mijn ruggenmerg die veroorzaakt werd door een ontsteking. Ik vertelde dat de dokter tests deed met elektrische schokjes, en dat ik twee keer in een soort van tunnel moest om “gescand” te worden. Uiteindelijk vertelde ik dat ik nog steeds ziek ben, ook al zie je het niet aan me. Ik gebruikte de term MS en probeerde duidelijk te maken wat dat precies is. Natuurlijk kwamen er al snel heel wat vragen. “Is dat dan zoals kanker?” – “Nee, van kanker kan je doodgaan. Van MS niet.” / “Dan kunnen ze jou een medicijn geven zodat je weer gezond bent?” – “Nee, er is nog geen medicijn om te genezen van MS.” / “Zijn er dan helemaal geen medicijnen?” – “Jawel, maar die kunnen er enkel voor zorgen dat je er minder last van hebt, ze kunnen je niet genezen. Nog niet. Misschien ooit wel.” / enzovoort. Ik nam de tijd om de vragen van de kinderen te beantwoorden. Want ik vond het belangrijk dat de kinderen een goed beeld kregen van wat hun juf heeft. Kinderen van 12 jaar zijn oud genoeg om te begrijpen dat er meer aan de hand is, dus vond ik het niet meer dan normaal hen alles te vertellen.
Voor de ouders maakte ik een brief waarin ik alles kort uitlegde. Niet de hele reutemeteut met het verblijf in kamer 458, de tests en de wereld die stilstond. Wel wat de diagnose was, en welke gevolgen die met zich meebrengt. De praktische gevolgen, bedoel ik dan. Het feit dat ik minder uren ga werken de rest van het schooljaar. Dat ik rustig aan moet doen, en er dus veel klassikaal en zelfstandig verbeterd zal worden. En dat ik hierbij hoop op het begrip en de medewerking van de ouders. Ik ben er zeker van dat dat geen probleem zal zijn.
Tegen de middag ging ik langs in de refter. In de oude routine zou ik het eerste half uur van de middagpauze reftertoezicht doen. In de nieuwe routine zijn al mijn middagen toezichtvrij, om ervoor te zorgen dat ik die tijd kan gebruiken om een beetje rust te nemen. Dat heeft de directie zo geregeld, waarvoor ik haar heel dankbaar ben. Toch kon ik het niet laten om even langs de refter te passeren om de kokkin te gaan begroeten. Ik werk al enkele jaren samen met haar tijdens de reftertoezichten, en wou haar toch even laten weten dat ik terug aan het werk was en dat het goed met me gaat. Ze was blij me te zien, en ik was blij om haar te zien. Ze vroeg of ik af en toe nog zou binnenspringen, dus beloofde ik haar om elke week langs te gaan voor een babbeltje. En ik kijk er al naar uit, naar die wekelijkse babbeltjes met haar in mijn nieuwe routine.
In de namiddag was het ietwat drukker in de klas, zoals gewoonlijk. De eerste dag na de vakantie in combinatie met een stralende lentezon maakte dat de leerlingen snel afgeleid waren. Tel daar nog eens een groepswerk bij op, en je krijgt de perfecte mix om een hoop drukte en chaos te creëren. Ik was dan ook blij dat de bel voor de speeltijd ging.
Na de speeltijd ging de tijd snel. Na het inschrijven van de agenda en het uitdelen van de huistaken, besloot ik mijn planning lichtjes te wijzigen en de leerlingen een tekenopdracht te geven in plaats van de geplande zangles. Ik voelde me stilaan best moe worden, en trakteerde mezelf hiermee op 20 minuten rust. Ook voor de kinderen was dit een goed plan om even tot rust te komen. De zangles pas ik later in de week wel in de nieuwe routine in.

De eerste dag van de rest van mijn leven was er meteen een goeie. Wat een geruststelling. De angst en onzekerheid van dag 42 zijn verdwenen, en maakten plaats voor een stevige dosis vertrouwen. Vertrouwen dat ik snel gewend zal zijn aan de nieuwe routine. Vertrouwen dat ik op mijn collega’s kan rekenen. Vertrouwen dat na het stilstaan van de wereld alles weer op z’n plaats zal vallen. Na deze eerste dag ben ik doodmoe, maar voldaan. Ik neem met plezier de nodige rust vanavond, om ervoor te zorgen dat ik voldoende recupereer van de eerste dag om ook de tweede dag aan te kunnen. En de derde, de vierde, enzoverder. Met de nieuwe routine, de energie die ik weer krijg door dat heerlijke gevoel en de nodige rust tussen de inspanningen door lukt het me wel.
Op de eerste dag van de rest van mijn leven heb ik niet gewerkt, maar genoten. En ik ben van plan om dat nog heel wat dagen te doen…

What if I fall? – Oh but my darling, what if you fly?

Dag 42. De laatste dag, oef! Aan het begin van mijn ziekteverlof thuis begon ik de dagen af te tellen. 6 weken, 7 dagen per week, 42 dagen. Het leek een onoverkomelijk lange tijd om thuis te zitten. De eerste drie dagen telde ik de dagen dan ook af. Nog 41 dagen. Nog 40 dagen. Nog 39 dagen. Na 39 heb ik niet meer verder geteld. Toen had ik vrede genomen met het feit dat het nog even zou duren vooraleer ik m’n gewone leventje weer kon oppakken, en was ik mijn ‘nieuwe routine’ zelfs al bijna gewend. Vandaag is dag 42. Nog 0 dagen. Morgen begint een nieuw hoofdstuk. En hoewel ik er al 42 dagen lang naar uitkijk, ben ik bang voor wat er gaat komen.

Na een zomervakantie van een 8-tal weken is er altijd wel wat spanning. Een nieuwe klas, een nieuw schooljaar vol verrassingen. Die spanning is er tot 1 september, en vanaf 2 september gaat alles weer z’n gewone gangetje en lijkt het alsof de vakantie alweer lang geleden is. Je stapt terug in een gekende routine, en dus gaat alles snel weer vanzelf.
Tijdens mijn ziekteverlof zei ik wel eens dat ik een vervroegde zomervakantie had gekregen, mijn overuren alvast had opgenomen. Wat de duur betreft, ging deze vergelijking ongeveer op. Met mijn verblijf in kamer 458 en de 42 dagen thuis ben ik al 7 weken niet aan het werk. De collega’s en de kinderen zijn de afgelopen 2 weken ook thuis geweest, dus ik ben niet de enige die opnieuw op gang moet komen morgen. Het grote verschil is dat ik ditmaal niet terug ga naar mijn gewone routine. De beslissing om de rest van het schooljaar deeltijds aan de slag te gaan, verandert deze hele routine. Het feit dat de neuroloog nog in de tegenwoordige tijd spreekt wanneer het over mijn herstel gaat, verandert deze routine. Het gegeven dat de wereld heeft stilgestaan, verandert alles.
Ik moet rustig aan doen. Wie mij een beetje kent, weet dat “rustig aan” tot nu toe niet op mijn lijstje van karaktereigenschappen heeft gestaan, dat het niet in mijn “definitie” staat. Nu moet ik mijn definitie dus aanpassen. Ik moet veranderen hoe ik ben, om te kunnen blijven wie ik ben. Het lijkt zó gemakkelijk: gewoon wat rustiger aan doen. Maar dat is het allesbehalve. Het heeft 28 dagen geduurd vooraleer ik nog maar kon inzien dat ik niet fulltime zou kunnen starten, en ik had nog eens 14 dagen nodig om me op deze nieuwe routine voor te bereiden. En zelfs nu, op dag 42, ben ik niet helemaal zeker van deze aangepaste versie van deze definitie. Begrijp me niet verkeerd, ik gelóóf in de aangepaste definitie en ik weet dat ik ze nodig heb. Ik weet alleen niet of ik wel sterk genoeg ben om ze waar te maken. Of ik mijn perfectionisme aan de kant kan zetten. Of ik kan stoppen met werken wanneer ik het hoogstnodige heb gedaan. Of ik überhaupt kan bepalen wat hoogstnodig is en wat extra. Ik moet nog veel leren, vooraleer ik mijn aangepaste definitie waar kan maken.
Eerder deze week ging ik ’s ochtends met de fiets naar de winkel. Ik zette de boodschappen weg en ruimde enkele keukenkasten op. Ik stofzuigde de woonkamer. En ik was zo moe dat ik moest gaan liggen. Het was nog geen 11 uur en ik lag uitgeteld in de zetel. Morgen start mijn werkdag om 20 na 9, en hij duurt tot half 4. Met de voorbereidingen voor de volgende dag erbij tot half 5. Dan moet ik nog koken. Ik weet niet welk effect dat op mijn lichaam gaat hebben, en dat maakt me bang. Voor het stilstaan van de wereld werd mijn lichaam ook moe, maar toen kon ik de vermoeidheid negeren en toch gewoon doorgaan. Niet meteen gezond, maar met een goede nachtrust na het harde werk was dit niet onoverkomelijk. Ik weet dat ik de vermoeidheid nu niet meer kan negeren, niet meer mag negeren. Ik weet dat ik nu rust moet nemen wanneer ik de vermoeidheid voel opkomen. De vraag is: wanneer gaat de vermoeidheid opkomen? Het antwoord moet ik mezelf schuldig blijven. Het is namelijk onvoorspelbaar. Voor het stilstaan van de wereld kende ik mijn lichaam en de grenzen ervan. En hoewel ik wel eens met een dikke teen over de grens durfde te gaan, of moest de verloofde me wel eens terug naar de juiste kant van de grens roepen. Ik kende mijn grenzen en ik respecteerde ze. Nu heb ik het gevoel dat ik mijn lichaam opnieuw moet leren kennen. Met het stilstaan van de wereld zijn er nieuwe grenzen gesteld. Grenzen waarvan ik nog niet helemaal weet waar ze precies liggen. Tijdens mijn ziekteverlof kreeg ik meer dan voldoende rust om niet te dicht in de buurt van deze grenzen te komen. Nu begin ik ze stilaan af te tasten, op de enige mogelijke manier: ondervinding.
De komende dagen boezemen me dus enerzijds angst in. Want wat als ik ondervind dat mijn lichaam z’n grenzen sneller bereikt dan ik verwacht, dan ik hoop? Wat dan? Anderzijds weet ik dat ik niet anders kan. Ik moet ondervinden om te weten waar de nieuwe grenzen van mijn lichaam liggen. Ik moet ondervinden om te weten hoe ik mezelf in de toekomst moet definiëren. Ik moet ondervinden om terug te kunnen zijn wie ik ben. En de angst die daarbij komt kijken, is geloof ik normaal. Wanneer iemand een nieuw hoofdstuk in z’n leven begint, is die angst er altijd. Wat als het niet gaat zoals ik wil, zoals ik verwacht? Wat als het niet goed gaat? Vragen die wel eens door ieders hoofd gaan. We moeten leren deze vragen anders te stellen, positiever te maken. Wat als het wél gaat zoals ik wil? Wat als het wél goed gaat? Vragen die de angst niet doen verdwijnen, maar ze zorgen er wel voor dat de angst niet de bovenhand krijgt.

Dag 42, de dag waarop ik al 41 dagen wachtte. Vanuit wiskundig standpunt gezien, zou morgen dag 43 komen. Maar dat is niet zo. Morgen is dag 1. Dag 1 van het volgende hoofdstuk in mijn leven. Dag 1 met een aangepaste definitie van mezelf. Hoe dat loopt, is af te wachten. Waar mijn lichaam z’n nieuwe grenzen heeft gelegd, moet ik ondervinden. En dan is de enige vraag die ik me op dit moment wil stellen: wat als alles goed gaat?
What if I fly?

Moving on doesn’t mean you forget about things – It just means you have to accept what happened and continue living

Vorige week was het dan zover: de dag dat ik terug naar het ziekenhuis ging. Niet meer naar box 5 of kamer 458, maar naar de wachtkamer op de eerste verdieping. Om daar te wachten totdat de neuroloog me binnenliet in zijn spreekkamer, en een antwoord zou geven op mijn grote vraag.

De voorbije weken stond ik er niet zo bij stil wat deze afspraak zou betekenen. Naarmate de vorige week vorderde, kwam er toch lichtjes wat stress op. Vooral omdat noch ik, noch de verloofde enig idee had wat er zou gebeuren. Was dit een echte “controle” controle, met bijhorende testjes en de hele reutemeteut? Of was dit eerder een “gesprek” controle, waarbij de neuroloog gewoon zou informeren hoe het herstel verlopen was? Of een combinatie van beide? Of iets hélemaal anders? Ik kreeg er de bibber van. Weer een onzekerheid.
Wachten dus. In de wachtkamer. Blijkbaar kwam in deze wachtkamer alles bij elkaar, wat maakte dat het er een geregeld komen en gaan was van zieke en gezonde mensen. Geduldige en ongeduldige mensen. Zenuwachtige en ogenschijnlijk rustige mensen. Ik zou mezelf in geen van deze categorieën kunnen plaatsen. Want ik wist nog niet of ik gezond, dan wel ongezond was. Ik was niet ongeduldig, en toch was mijn geduld al na 10 minuten wachten op. Ik bleef rustig, terwijl ik binnenin het gevoel had weer voor zo’n berg te staan waarvan ik nog niets eens aan de beklimming durfde te denken.
Om 20 na 2 verscheen de dokter. In stilte volgden de verloofde en ik hem naar zijn spreekkamer. De stilte hield aan totdat we op onze stoel zaten, om dan doorbroken te worden door de vraag “Hoe gaat het ondertussen met u?”. Hoe gaat het? Een vraag die ik de afgelopen weken al tientallen keren had beantwoord. En toch voelde de vraag nu anders aan. Andere keren zei ik vaak wat iedereen wilde horen. Deze keer antwoordde ik gewoon, eerlijk, maar toch optimistisch. “Het gaat al heel wat beter, sinds gisteren mank ik niet meer” was dan ook de beste samenvatting die ik kon geven. De dokter stelde vragen. Ik antwoordde. Soms vulde de verloofde aan. De dokter noteerde. Dan was het tijd voor enkele kleine tests. Stappen. Goed doorstappen. De benen in de lucht houden. De armen in de lucht houden. De reflexen werden getest. “Oké, dat ziet er al goed uit, gaat u maar weer even zitten”, zei de neuroloog terwijl hij de resultaten noteerde.
Toen kon ik het niet meer uithouden. De vraag die al een hele week in mijn hoofd speelde moest eruit, ook al wist ik ergens wel wat het antwoord zou zijn. “Is er ergens nog een kans dat het geen MS is?” Het antwoord kwam meteen, en kan kort samengevat worden: “Nee.” En dan de hele historie nog eens opnieuw. 9 kansen op de 10 zou het MS zijn, maar de symptomen liegen er volgens de neuroloog niet om. Dit was een duidelijke eerste opstoot, eentje van een stevig kaliber.
Net toen ik dacht dat daarmee alles gezegd was, en ik er dus van uit ging dat het nu weer afwachten zou zijn totdat MS weer de kop zou opsteken, zei de dokter dat hij nog een elektrotest zou doen én dat er een afspraak gemaakt zou moeten worden voor een nieuwe hersenscan. Oké, hier was ik dus nog niet klaar…
De elektrotest was er eentje die ik kende, die boezemde me dus weinig angst in. De dokter legde uit dat hij de resultaten van de eerste tests, toen ik nog in kamer 458 logeerde, wilde vergelijken met de resultaten van deze test. Om te zien in hoeverre er verbetering te zien was. Daar was ik dus meteen gerust in, want ik voelde toch zeker zelf wel dat alles weer werkte naar behoren. De eerste schokjes die de dokter met zijn tennisracket door mijn zenuwbanen stuurden, gaven dan ook het resultaat dat verwacht werd. Toen de plakkertjes van de rechter- naar de linkerkant verhuisden, bleek echter dat niet alle zenuwbanen al volledig hersteld waren. De linkerkant gaf nog steeds net iets minder reactie dan zou moeten. Maar er was al een pak verbetering te zien volgens de dokter, “dus het herstel verloopt goed”. Verloopt, niet verliep. Er werd nog steeds in tegenwoordige tijd gecommuniceerd, terwijl ik eerder in verleden tijd aan het denken was. Toch een kleine tegenvaller…
Hierna kwam het thema “preventieve medicatie” weer ter sprake. Vroeger werd na een eerste opstoot afgewacht, tegenwoordig is het dan toch eerder raadzaam om dit al in overweging te nemen. Gezien de kinderwens in de nabije toekomst zou ik nog even kunnen (moeten) wachten, de medicatie en een zwangerschap gaan namelijk niet samen door één deur. Maar indien er in de toekomst tekenen zijn van een actief ziektebeeld, is na de vervulling van de kinderwens een snelle start van preventieve medicatie toch aan te raden. Dus werd er een nieuwe afspraak gemaakt. Twee afspraken, om precies te zijn. Eentje met de dienst MRI, voor een nieuwe hersenscan. En eentje met de neuroloog, voor de bespreking van de resultaten van die hersenscan. Niet meteen, maar toch snel genoeg. Begin oktober, slechts enkele weken voor ons huwelijk, word ik opnieuw verwacht. Aan de hand van een hersenscan kunnen ze bepalen of ze van een actief of eerder stabiel ziektebeeld kunnen spreken. Blijkbaar kan je plaques (dat zijn kleine hersenletsels, die als witte stipjes te zien zijn op een MRI) bij krijgen zonder hierbij enige symptomen te ontwikkelen. Terwijl je dus denkt dat er niets aan de hand is, kan de ziekte dus toch actief zijn. Dat was ook weer nieuw voor mij, en weer een kleine tegenvaller. Ik had er namelijk niet op gerekend zo snel weer onder de scan te moeten…
Gelukkig had ik de verloofde bij me. Van zodra we uit de spreekkamer van de dokter kwamen, zei hij: “Dat ziet er toch goed uit, hé!” Ik kon eerst niet geloven dat hij wat er net allemaal was gezegd als “goed” kon bestempelen. Het antwoord op de grote vraag die ik had was negatief, het herstel waarvan ik dacht dat het voorbij zou zijn was blijkbaar nog volop aan de gang, ik zou binnen 6 maanden opnieuw een hersenscan moeten ondergaan én er werd ineens toch gepraat over eventuele preventieve medicatie. Terwijl dit alles bij mij bijna de wereld weer stilzette, vond hij dit allemaal “goed”. En toch had hij gelijk. Eigenlijk was er niets nieuws gezegd. Het negatieve antwoord op de vraag had ik ergens verwacht, ik voelde wel dat mijn lichaam nog even tijd nodig had om te recupereren, doordat ik een aantal getuigenissen had gelezen zag ik de scan al van ver aankomen, en ik besefte goed genoeg dat er ooit een moment zou komen waarop medicatie onvermijdelijk zou worden. Dus zei ik “Ja, goed hé!” Natuurlijk legde ik hem mijn bekommernissen uit, maar hij hielp me wel inzien dat ik niet enkel negatief maar ook positief nieuws had gekregen.

Ik keek op tegen deze afspraak. Ik was bang, bang dat de neuroloog weer iets zou zeggen dat de wereld opnieuw zou doen stilstaan. En heel even leek het ook alsof de wereld weer begon stil te vallen. Dankzij de verloofde is dat godzijdank niet gebeurd. Meer nog, na deze afspraak is de wereld eindelijk weer op z’n normale snelheid gekomen. Ik kan weer verder, ook al kan ik de voorbije weken niet negeren of vergeten. Maar nu heeft alles een plaats gekregen. In mijn leven, in de wereld. Tijd om terug op “play” te drukken…

The cure for anything is salt water – sweat, tears or the sea

Al enkele dagen niet meer “geblogd”, het wordt weer stilaan wat drukker. Het gewone leven begint stilletjes aan weer op gang te komen nu ik steeds meer “kan”. Toch is het tijd om er tussenuit te gaan, eens echt wég. Met ons drietjes: de verloofde, het hondje en ik. Na de controle-afspraak bij de neuroloog is het tijd om alles even te vergeten aan zee. Ik beloof je het vervolg van mijn verhaal, en het hoofdstuk van vandaag, volgende keer te brengen. Nu even tijd voor ontspannen, liefde en genieten…

Luck is believing you are lucky

Wat een pech heb ik. MS komt bij 1 op 1000 mensen voor, en ik ben net die ene van deze 1000. Ik trok net dat lotje, het verkeerde lotje uit de loterij. Ik zou dit kunnen doortrekken naar de rest van mijn leven, en alle tegenslagen die ik al heb getrokken beginnen overlopen. Om dan te besluiten dat ik duidelijk niet voor het geluk geboren ben. Maar weet je, niemand is voor het geluk geboren. Geluk maak je zelf. Niet door hard te werken, of veel geld te verdienen, of door veel hobby’s te hebben of sportief te zijn. Zo moeilijk is het allemaal niet. Geluk maak je door simpelweg te geloven dat je gelukkig bent.

Mijn leven heeft al ups en downs gekend. De ene up al wat hoger, de ene down al wat dieper dan de andere. Dat zal niet anders zijn dan bij iemand anders. Iedereen heeft wel eens een tegenslag te verwerken in het leven. Dat heeft niets met geluk of ongeluk te maken, maar gewoon met het begrip “leven”. En ja, soms is het leven oneerlijk, en is het onbegrijpelijk waarom bij sommige mensen die tegenslagen ongelooflijk zwaar zijn om te dragen en bij anderen meer te vergelijken met een keitje waarover hij of zij struikelt om dan rustig weer door te gaan. Het leven is dan ook niet gemaakt om te begrijpen, maar om te leven. Een leven dient geleefd te worden, en hoe je dat doet is je eigen zaak. Hoe gelukkig je bent, is dus ook je eigen zaak, en heeft alles te maken met de point of view die je inneemt.
Je bent zo (on)gelukkig als je jezelf wijsmaakt. Als je gelooft dat je ongelukkig bent, als je gelooft dat het leven oneerlijk is en dat je geboren bent voor het ongeluk, dan zal je ook ongelukkig zijn. Dan kan je van elke mug een olifant maken. Ik spreek uit ervaring, ik ben ook al vaak in die val getrapt in het verleden. En ik ben er zeker van dat ik ook in de toekomst van tijd tot tijd nog in die val zal trappen. Gelukkig werkt dat ook omgekeerd. Als je oog leert hebben voor alle positieve zaken in je leven, dan ben je gelukkig. Of alleszins toch gelukkiger dan je aanvankelijk dacht.
Nu krijg ik misschien meteen commentaar van mensen die een burn-out of een depressie hebben (gehad). Begrijp me niet verkeerd, ik kan begrijpen dat je in een depressie of burn-out sukkelt. Hélemaal! Dat kan nu eenmaal gebeuren wanneer de downs in je leven zich wel erg snel opvolgen, en de ups die er tussen komen niet hoog genoeg zijn. Dan nestelt het idee dat het nooit meer goedkomt zich tussen je oren. Als er dan niemand uit je omgeving tijdig aan de alarmbel trekt, ben je de pineut.
Maar dat is het nu net, iemand uit je omgeving… Je hebt mensen om je heen nodig, en die heb ik. Daar ga ik nu niet weer het hele stuk over doorgaan, daar heb ik al veel over geschreven en ik wil mezelf niet blijven herhalen. Maar al die mensen rondom je die om je geven en er voor je zijn, dat zijn de winnende lotjes uit de loterij.

Als ik nu mijn winnende lotjes afweeg tegenover dit slechte lotje besef ik dat, hoewel ik op dit moment nu niet bepaald de grote winnaar ben, ik ook geen grote verliezer ben. Oké, ik heb er een nieuwe partner voor het leven bij gekregen, eentje waarop ik niet had gerekend en waar ik nu ook niet echt op zat te wachten. Oké, dit zal in de toekomst zorgen voor nog een heel aantal minder goede dagen, weken, … En ja, ik zou nog het liefst het lotje terug in de pot gooien en opnieuw trekken. Maar zo zit het leven niet in elkaar. Bovendien heb ik al m’n winnende lotjes nog. En ook die neem ik nog de rest van mijn leven mee.
Wat een geluk heb ik.

And now you don’t have to be perfect, you can be good

Weer een knoop doorgehakt. Na de paasvakantie, die het begin van het einde van mijn ziekteverlof inluidt (en dat is een vreugdedansje waard), zal ik nog enkele maanden niet fulltime voor de klas staan. Weet je dat water nog, dat ik bij mijn wijn moest doen? Wel, laat ons zeggen dat mijn wijn verdacht waterig begint te worden. En hoezeer ik ook van wijn houd, ik zal dit waterachtige goedje moeten leren drinken.

Wekenlang ben ik in de overtuiging geweest dat ik na de paasvakantie mijn job gewoon fulltime weer zou kunnen opnemen. Van maandag tot vrijdag, van half 9 tot half 4 voor de klas en dan nog enkele uurtjes doorwerken thuis, al mijn speelplaatstoezichten en zelfs de refters. De neuroloog heeft immers gezegd dat ik na deze opstoot weer alles zou kunnen. Ik zag niet in dat het herstel van een opstoot langer duurt dan een paar weken. Ik zag niet in dat de combinatie vierde en zesde leerjaar ook voor het eerste bezoek van mijn nieuwe levenspartner al zwaar en vermoeiend was. Ik zag niet in dat “alles” niet ineens komt, maar beetje bij beetje. Na een drietal weken rusten tot het mijn oren bijna uit kwam, probeerde de verloofde mij al met m’n eigenwijze voeten op de grond te zetten. “Ben je wel zeker dat je terug voltijds kunt werken na de vakantie?” Waarop mijn antwoord steevast positief was. Natuurlijk was ik ervan overtuigd dat ik terug voltijds zou kunnen werken! Waarom niet? Nu nog even rusten, en dan zou het me wel lukken. Stilaan begon ook de mama hieraan te twijfelen. Toch bleef ik zowel de verloofde als de mama verzekeren dat ik er na de paasvakantie terug fulltime zou kunnen staan, en hield ik mijn voeten koppig van de grond.
Pas vorige week begon ik in te zien dat ik misschien toch teveel ineens wou. Het inzicht begon te komen na het korte uitstapje naar school, voor de klasfoto’s. Dat blitzbezoekje had me zoveel energie gekost, dat ik de rest van de dag nodig had om te recupereren. Of beter gezegd: mijn lichaam had de rest van de dag nodig om te recupereren. De directie leek ook niet helemaal zeker te zijn van mijn plannen om terug voltijds te starten. Wanneer de verloofde en de mama zagen hoe vermoeiend de drukte was geweest voor me, deden ze weer enkele pogingen om me te overtuigen toch een aantal uurtjes minder te werken, voor even. Stilletjes aan begonnen mijn voeten te zakken, tot ze vrijdag helemaal op de grond stonden en ik besefte dat ik nog even zou moeten wachten op het “alles” waar de neuroloog over sprak en dat ik intussen best wat rustiger aan deed.
Eenmaal beide voeten op vaste grond stonden, moest het dan ook snel gaan. Ik wilde immers de knoop doorhakken en zo snel mogelijk alle papieren in orde brengen, voordat ik terug zou gaan zweven. Dus volgde een telefoontje naar de directie, printte ik meteen alle nodige in te vullen documenten af en maakte ik een afspraak bij de huisarts om deze documenten in orde te brengen. Na mijn bezoek aan de huisdokter morgenavond passeer ik meteen bij de rode brievenbus om de documenten te posten, zodat er geen weg terug meer is.
Nooit gedacht dat ik zelfs zoveel water zou hébben om bij mijn wijn te doen, laat staan dat ik het er eigenhandig bij zou gieten. Nooit gedacht dat ik me hier dan ook nog best goed bij zou voelen. Ik ben altijd heel erg streng geweest voor mezelf. Gewoon goed was nooit goed genoeg, voor minder dan perfect deed ik het niet. En was iets niet perfect, dan deed ik er alles aan om het beter te doen de volgende keer. Ik schrijf nu in de verleden tijd, omdat ik ondertussen heb geleerd dat perfectie niet bestaat. Ik heb al moeten leren me tevreden te stellen met “gewoon goed”, en soms zelfs met “goed genoeg”.

In mijn ogen was de “perfecte juf” er eentje die er fulltime staat. En ik wilde die perfecte juf zijn, liefst tot aan mijn pensioen (wanneer dat ook mag komen, enkel de regering mag het weten…). Met het doorhakken van deze knoop, leer ik weer iets bij. Ik leer mezelf tevreden te stellen met “goed” i.p.v. “perfect”. En dus wordt het vanaf nu mijn doel om een goede juf te zijn, in plaats van de perfecte versie ervan.

PS: Ik heb vandaag gestofzuigd. Voor het eerst in 5 weken tijd. Dat is ook een klein vreugdedansje waard!