1 universe, 9 planets, 204 countries, 809 islands, 7 seas – And I had the privilege of meeting you

Wanneer de dokter in box 5 besliste dat ik onmiddellijk opgenomen moest worden in het ziekenhuis, werd het al snel duidelijk dat er voor een tweepersoonskamer geopteerd moest worden. Niet enkel omdat de hospitalisatieverzekering dit dekte, maar simpelweg omdat het al een moeilijke opgave zou worden om überhaupt een kamer te vinden. In deze periode van het jaar is het ziekenhuis namelijk nogal overbevolkt met slachtoffers van de griepepidemie en andere winter-kwaaltjes. Je hoort het al: vooral overbevolkt met oudere mensen, en dat boezemde me weinig vertrouwen in mijn toekomstige kamergenoot in. Niet dat ik iets heb tegen oude mensen, begrijp me niet verkeerd. Maar oude mensen hebben, vooral in een ziekenhuis, nogal snel de neiging om over te gaan tot een nogal storende bezigheid: zagen en klagen. En daar had ik nu net geen zin in…

Na een 30-tal minuten kwam een verpleegster me ophalen in box 5, om me naar kamer 458 te brengen. Wanneer ik over de gang liep richting mijn verblijf voor de rest van de week, kon ik het niet laten om hier en daar toch eens een kamer binnen te gluren. Ik zag grijze haren. Overal. Paniek. En toch een sprankeltje hoop: dat is hier de geriatrie niet, wie weet kom ik toch nog bij een jong iemand terecht… Bij het binnenkomen van kamer 458 zag ik grijze haren, naast het bed. In het bed waren de haren zwart. Oef! Verder dan dat keek ik het eerste half uur niet. Van zodra de mama mijn tas met pyjama en toiletgerief uit de auto had gehaald, kleedde ik me om en at ik de boterhammen die de verpleegster nog voor me had weten te scoren (het was al na 19u, heel laat om te eten aangezien ze de dagen die volgden meestal al om 16.15u met het dienblad aan de deur stonden). Ik at ze op in bed, zo kon ik een beetje uit het zicht blijven van de kamergenote en haar echtgenoot achter het gordijn.
De mama vertrok, en het zou nog minstens een half uur duren voordat de verloofde er zou zijn. De echtgenoot van de kamergenote was ondertussen vertrokken. Tijd om kennis te maken, dus! We schudden elkaar de hand, stelden ons even voor (inclusief de reden van verblijf in kamer 458, zo hoort dat in een ziekenhuis) en ik kreeg meteen enkele tips. “Het eten is best lekker, maar plattekes. Best zelf zout toevoegen. Het is hier ’s nachts heel warm, dus geen te warme pyjama’s laten meebrengen voor de volgende dagen. En als je thee wil, ik heb hier mijn eigen waterkoker. Die mag je gerust mee gebruiken.” Verder vertelde Simonne dat ze de nachten voordien eerder pech had met haar gezelschap: een oudere vrouw die last had van ziekenhuisdementie. De vrouw wist niet waar ze was en wat ze daar deed, en trok er dus ’s nachts wel eens op uit. Of ze dacht dat ze samen op een appartementje aan zee zaten. Of ze probeerde onder haar bed te kruipen. Simonne had al enkele nachten niet geslapen, en was echt doodmoe. Ze was dus blij met een jonge kamergenote als ik, en keek al uit naar een zalige nachtrust. Die kreeg ze ook, de volgende nachten.
De volgende dagen leerden we elkaar steeds beter kennen. En het werd me al snel duidelijk dat Simonne een vrouw was die al veel meegemaakt had in haar leven. Wat precies, daar wijd ik niet over uit. Dat is niet mijn verhaal om te vertellen. Ondanks alles bleef ze alles positief bekijken, en daar heb ik enorm veel bewondering voor.
Simonne was diegene die me hielp wanneer ik plat moest liggen na de ruggenmergpunctie. Ze was diegene die extra water kookte wanneer ze thee dronk, zodat ik ook een tasje thee had. Ze was diegene die het zout aangaf wanneer ik eindelijk met m’n hele verhuis van baxters op mijn stoel zat, en vaststelde dat ik het zoutvaatje uit de kast vergeten was. En zij was diegene voor wie ik voor de eerste keer de berg beklom nadat ik van de neuroloog kwam. En die erop toekeek dat ik me niet meteen van deze berg de dieperik in stortte.

Van alle kamers in het ziekenhuis kwam ik op kamer 458 terecht. Van alle patiënten in het ziekenhuis kreeg ik Simonne als kamergenote. En ik ben ervan overtuigd dat zij er mee voor heeft gezorgd dat het optimisme me is overkomen. Ik ben haar eeuwig dankbaar.

One’s not half of two; two are halves of one

Mijn verhaal zou niet volledig zijn zonder een stuk over de verloofde. Zoals ik al vertelde tijdens onze kennismaking, speelt de verloofde een immens grote rol in mijn leven. E.E. Cummings sloeg de nagel op de kop wanneer hij deze zin op papier zette. Niet dat ik het gevoel had niet volledig te zijn voordat ik de verloofde leerde kennen. Helemaal niet. Ik was een onbezorgde tiener die in het weekend graag een stapje in de wereld zette en de vrienden als de dierbaarste mensen in het leven beschouwde. Ik fladderde graag eens rond, van de ene jongen naar de andere. En toen zag ik J.

Ik ga je niet vervelen met onze volledige liefdeshistorie. Er zijn nu eenmaal hoofdstukken in het verhaal van mijn leven die ik liever binnen beperkte kringen houd. Gewoon, omdat ze van mij zijn, of in dit geval van ons. Om een lang verhaal kort te maken: het heeft heel wat voeten in de aarde gehad vooraleer we elkaar hadden gevonden. De film “King Arthur”, het lied “Mia” van Gorki en Sinterklaas hadden er elk in hun aandeel in. We deden alles in de juiste volgorde: studeren, werk vinden, samenwonen in een huurappartement, huisje kopen, huisje verbouwen, de grote verhuis, het hondje kopen. Huisje, tuintje, boompje, beestje… Verliefd, sinds kort verloofd en binnenkort getrouwd. The happy life!
De verloofde is van het voorzichtige type. Op alle vlakken. Geen bad boy dus, maar één grote brok bedachtzaamheid. Begrijp me niet verkeerd, geen softie! Hij heeft gewoon de nodige dosis geduld en kalmte en om een impulsief en energiek (of liever: druk) iemand als ik tot rust te brengen. Elke beslissing die hij neemt is berekend, en dat is nog wat ik het meest nodig heb. Ik ben namelijk een nogal snelle beslisser, behalve wanneer ik op zaterdag moet kiezen wat ik van de broodjeszaak in de buurt wil (en toch ga ik bijna elke zaterdag weer voor hetzelfde). Maar áls hij iets beslist, als hij kiest ergens voor te gaan, dan gáát hij er ook voor. Dan wijkt hij niet van zijn pad vooraleer hij zijn doel bereikt heeft.
Ook wanneer ik last kreeg van de gevoelloosheid in mijn rechtervoet en -been, hield hij voet bij stuk. Door zijn medische opleiding begon hij zich al snel zorgen te maken. Woensdagavond kreeg hij me uiteindelijk zo ver dat ik via internet een afspraak maakte bij mijn huisarts. Ik deed dit meer om hem gerust te stellen, dan uit bezorgdheid over wat er aan de hand zou kunnen zijn. Omdat ik pas vrijdagavond een afspraak kon vastleggen, wou de verloofde me overtuigen die dag nog bij zijn huisarts langs te gaan. Dus belde ik donderdagmiddag de huisdokter op om even te vragen of ik alvast iets kon doen om de gevoelloosheid te verminderen. Hiermee kon ik de verloofde toch even geruststellen, en toch gewoon naar mijn eigen huisarts gaan. Ik ben niet iemand die wekelijks naar de dokter gaat, en als ik dan toch moet gaan, dan liefst naar de dokter die me het best kent. Vrijdagavond stelde de dokter vast dat er hoogstwaarschijnlijk een zenuw gekneld zat ter hoogte van mijn bekken, en raadde hij me aan een afspraak te maken voor een CT-scan. Oef, dat was iets waar de verloofde me nog mee kon helpen. En het probleem was niet super-dringend, of toch niet in mijn ogen. Maandag zou ik bellen voor de scan, en dan zou de dokter verder kunnen bekijken hoe het probleem verholpen kon worden. Eind goed, al goed!
Toen de gevoelloosheid verder trok in mijn zij, werd de verloofde terug ongerust. Na een moeizame wandeling, waarbij duidelijk werd dat ik ook een probleem had in mijn linkerbeen, wou hij me in de auto zetten en naar de spoedafdeling van het ziekenhuis rijden. Maar zoals misschien al duidelijk werd in vorige posts, ik ben dan weer van het koppige type. De rest van onze dag stond al gepland (friet-met-stoofvlees-dag bij de schoonfamilie, en de verloofde moest nog gaan sporten) en geen haar op mijn hoofd dat deze plannen nog wilde wijzigen. Ik had ook nog geen enkele voorbereiding getroffen voor de lessen die ik maandag zou geven in de klas, dus ik besloot dat we geen tijd hadden om naar het ziekenhuis te rijden. Tegen de zin van de verloofde, en uiteindelijk bereikte hij zijn doel maandagavond dan toch. Er waren nog de huisarts, de collega’s en de mama voor nodig om me zo ver te krijgen, maar ik belandde dan uiteindelijk toch op spoed.
De verloofde was, toen hij hoorde dat mijn ruggenmerg ontstoken was, meteen doodongerust. Meteen na zijn werk sprong hij in de auto en racete hij richting ziekenhuis. Dat beeld ik me nu zo maar in, ik was er natuurlijk niet bij. Ik weet wel dat op dat moment zijn rust, kalmte en bedachtzaamheid even plaats maakten voor bezorgdheid, onrust en zelfs lichte paniek. Dat zag ik aan zijn bleke gezicht wanneer hij kamer 458 binnen kwam. Dat hoorde ik aan zijn gebroken stem wanneer hij vroeg hoe het met me ging. Dat voelde ik aan de klamme hand die zich om de mijne sloot terwijl hij zwijgend naast mijn bed zat. Deze keer was ik diegene die geruststelde, de rollen even omgekeerd.
De volgende dagen heeft de verloofde heel zijn leven aangepast aan de bezoekuren van het ziekenhuis. Na het werk kwam hij steeds meteen naar kamer 458. Eten, slapen, … alles moest wijken. Niet zo gezond, heb ik hem ook meermaals gezegd. Maar daar was hij weer, zoals ik hem kende: standvastig en niet van zijn stuk te brengen. Elk vrij moment gebruikte hij om een berichtje te sturen of om me even op te bellen om te checken hoe het met me ging, welke tests er nog gedaan waren en wat de dokter nog had gezegd. Met elk woord dat hij zei, voelde ik me weer een stukje zekerder, een beetje veiliger. Met elk woord legde hij een steen bovenop de stevige muur die we in al die jaren rondom ons hadden gebouwd. De stevige muur die alle negatieve dingen die op ons af zouden komen, moest tegenhouden. Na 9 jaar was die muur al een behoorlijk bouwwerk geworden.
Wisten wij veel dat de muur opeens zwaar onder vuur zou komen te liggen… Die bewuste woensdag heeft de uitspraak van de dokter zijn eerste aanval op de muur geopend. Het was meteen een voltreffer. Aan de telefoon hoorde ik hoe de verloofde stil werd, de muur helde even over… Maar tegen de avond zag ik de verloofde terug zoals ik hem kende: mijn grote, vaste brok. Steen voor steen bouwden we de muur terug op. Samen. Met oude, gebroken stenen. Met nieuwe stenen.
Nu, vandaag, is de muur steviger dan ooit. Dit had ik niet alleen gekund, dit had de verloofde niet alleen gekund. Dit hebben we samen gedaan. En dit doen we nog elke dag, samen.

One’s not half of two; two are halves of one. En hij is de andere helft van ons.

The darkest nights produce the brightest stars

Men zegt wel eens dat je in slechte tijden je echte vrienden leert kennen. En dat lijkt zo’n negatieve betekenis te hebben, alsof iedereen je zal laten vallen wanneer het minder goed gaat. Toch is het zo: wanneer het minder goed met je gaat, ontdek je wie er met je begaan is. Maar dan niet in de negatieve betekenis. Daarom vind ik deze quote een betere beschrijving. The darkest nights produce the brightest stars. En zoals je zal merken in dit deel van mijn verhaal, zijn dat verdomd veel sterren…

Nog voordat ik goed en wel uit box 5 werd gezet en in kamer 458 werd gedropt, liepen de eerste bezorgde telefoontjes al binnen. De verloofde, de schoonmama, de schoonzus,… Allemaal waren ze erg geschrokken dat ik onmiddellijk opgenomen werd in het ziekenhuis. Ik moest natuurlijk ook meteen mijn directie op de hoogte brengen, want er moest voor de rest van de week een oplossing gezocht worden voor mijn leerlingen. Via Facebook bracht ik de rest van de vrienden op de hoogte, en de leerlingen en ouders van de school verwittigde ik via de klaspagina van Facebook over mijn voorlopige afwezigheid. Dit alles bracht een overvloed aan berichtjes op gang. “Veel beterschap!” “Snel weer beter!” “Laat je maar goed verzorgen!” Fijn. Niet sarcastisch, écht fijn. Niet dat ik het deed voor de aandacht, veeleer om ervoor te zorgen dat iedereen op de hoogte was en er dus geen al te grote verbazing zou zijn ’s ochtends op de speelplaats. Maar toch geeft het een ontzettend fijn gevoel om te weten dat er mensen zijn die aan je denken, al is het maar even. Het maakte dat de eerste uren in het ziekenhuis minder bevreemdend waren, alsof ik een stukje van m’n vertrouwde omgeving had meegenomen.
De dagen dat ik in het ziekenhuis lag, kreeg ik veel bezoek. De mama kwam elke namiddag en avond, zodat ik niet te veel alleen zou zitten. Na twee dagen op het hondje te passen kwam ook de papa naar het ziekenhuis. Twee keer kwam de moe mee met de mama, die natuurlijk doodongerust was. De zus kwam direct na haar werk langs en ook de schoonfamilie liet alles vallen om een bezoekje te kunnen brengen. De tante, de nonkel, de neef en zijn vriendin, S (de vriendin-van-het-middelbaar), allemaal kwamen ze langs. En ze brachten cadeaus mee, want dat doe je als je iemand in het ziekenhuis bezoekt: bloemen, chocola, pralines, … Een hele verzameling. Nu moet je weten dat ik iemand ben die letterlijk NOOIT ziek is, dus dat was ik allemaal niet gewend. Ik houd ook niet van medelijden, maar dat was er niet. Bezorgdheid, dat wel. Medelijden heeft zo’n denigrerende bijklank, bezorgdheid niet. Bezorgd klinkt beter, voelt warmer…
De grootste verrassing stond vrijdag aan de deur van kamer 458. Omstreeks kwart voor 11 werd er op de kamerdeur geklopt. Simonneke (waar ik later nog op terugkom) was er even niet, de mama zou pas om half 12 komen om me te komen ophalen (en die klopte normaal niet aan) en het was nog geen bezoekuur. Wie kon dat toch zijn? Wanneer ik om de hoek keek, zag ik iemand staan die ik al jaren niet meer gezien had. Kijk, dat is nu vriendschap. We kennen elkaar van in de lagere school. Toen noemde men het nog niet zo, maar om het in hedendaagse woordenschat te omschrijven: wij waren echte BFF’s. Tot enkele jaren terug zagen we elkaar nog wekelijks op de dansles, maar van zodra ik het wat drukker kreeg met mijn job en huishouden gaf ik die hobby op. En je kent dat: in het begin wordt er nog getelefoneerd en wel eens afgesproken voor een etentje, maar op de duur is ieder z’n eigen leven beginnen leiden en vielen ook de telefoontjes en afspraakjes weg. Enkele weken geleden was ik haar nog wel eens tegen het lijf gelopen in het winkelcentrum, waar we even hebben stilgestaan om te praten over waar het leven ons gebracht had. Daarna gingen we elk weer verder op onze eigen weg. En nu, plots, stond ze daar, in het midden van mijn weg. “Ik moest hier in het ziekenhuis zijn, wist dat je hier lag, en voelde dat ik even moest langskomen” – “Dan denk ik dat je best even gaat zitten”, waarop ik de berg weer rustig beklom. Ongeloof, bezorgdheid, steun, de lawine die ik ondertussen al gewend was. Maar alles heel vertrouwd, want hoe lang we elkaar ook niet meer gezien hadden, die vertrouwde band was er nog steeds. Fijn.
Eenmaal thuis kwamen er weer berichtjes. En bloemen (aan de deur geleverd, verrassing!). En bezoekjes. En telefoontjes. Het leuke is dat alle berichtjes die ik kreeg vroegen naar hoe het met me ging, en niet naar wat ik precies had. Dat is een groot verschil. Mensen die vragen wat je precies hebt vragen dit uit eigenbelang, nieuwsgierigheid. Mensen die vragen hoe het met je gaat, zijn bezorgd en geïnteresseerd in jou als persoon. Die mensen, die vragen hoe het met je gaat, die bezorgd zijn, die geïnteresseerd zijn, dat zijn die sterren waar het om gaat in de quote. De mensen die je niet uitnodigt, maar die zelf aanvoelen dat ze welkom zijn voor een bezoekje. De mensen die je niet opbelt, maar die als in een reflex zelf je nummer kiezen. Dat zijn de mensen die je nodig hebt om deze periode in je leven door te komen.
Er kwamen mensen langs die ik verwachtte. Familie. Vrienden. De mensen waar je altijd op kunt rekenen, en die je steunen en helpen waar ze kunnen. De zus offerde heel wat uurtjes van haar zeldzame vakantiedagen op om te helpen in het huishouden. De mama verplaatste een klant om te kunnen chauffeuren, en kwam regelmatig langs om te helpen met de kleine karweitjes. De papa, mama en schoonmama maakten ons terrasje lenteklaar. De va wiedde het onkruid in de voortuin. Ik kan nog pagina’s lang doorgaan met het opsommen van de dingen die de familie en de vrienden voor me hebben gedaan, en nu nog steeds doen. Langs de ene kant is het een frustratie, zij doen de dingen die ik normaal gezien doe in en rond ons huis. Maar langs de andere kant geeft het een geruststellend gevoel: het leven gaat door. Alles gaat door zoals het hoort, maar dan even net iets anders dan anders. Mijn wereld blijft in beweging, en dat dankzij hen.
Er kwamen mensen langs die ik niet verwachtte. Collega’s. Ouders van op school. Kennissen. De mensen die je anders dagelijks ziet, maar waarvan je niet besefte dat ze je zouden missen als je er niet bent. Het klinkt misschien raar, maar het is fijn om te weten dat je gemist wordt. Dat toont dat mensen je appreciëren en waarderen wanneer je er wel bent. Een gevoel dat iedereen nodig heeft, maar niet iedereen ook werkelijk heeft. Ik kan niet zeggen dat ik dit gevoel niet had, ik stond er gewoon niet echt bij stil. Nu de wereld heeft stilgestaan bekijk ik alles anders, sta ik zelf ook wat meer stil. En dat doet me meer dan eens beseffen hoezeer ik langs mijn kant deze mensen waardeer en apprecieer. Ook zij zorgen ervoor dat mijn wereld in beweging blijft.

The darkest nights produce the brightest stars… Toch mooi, niet?

Choose to be optimistic – it feels better

Dalai Lama XIV had hier kennelijk al goed over nagedacht vooraleer hij deze beroemde quote de wereld in stuurde. Oké, het is de logica zelve, het omzetten naar de praktijk dan weer net niet… Mensen kiezen de dag van vandaag te snel voor de andere, pessimistische kant. Ook ik ben in het verleden meermaals in die val getrapt. Een ongelukkige combinatie van een slechte nacht, een oneindige to do lijst, drukke kinderen in de klas, en een regenachtig weerbericht waren meer dan eens de oorzaak van een “bakkes tot op de grond”, zoals dat wel eens wordt gezegd. En dan gaat niets meer zoals je wil, wat zorgt voor nog meer negatieve gedachten, enzoverder, enzovoort. Een weekend of een weekje vakantie kon me dan altijd wel helpen om terug in een positieve spiraal te geraken, en me dan voor te nemen me niet meer door negatieve gedachten te laten meeslepen. Om dit na enkele weken dan weer vergeten te zijn. Toch post ik nu deze quote, vol overtuiging om ze in de praktijk om te zetten. Want toen de wereld weer in beweging kwam, was deze logica de enige uitweg…

Na de uitspraak van de neuroloog reageerde ik verrassend kalm. Ik luisterde naar zijn uitleg, liet alles over me heen komen. Er was nog geen zekerheid, maar ook uitsluitsel van deze diagnose zou deze week sowieso niet meer geboden kunnen worden. “De kans is dus reëel?” – “De kans is groot.” De dokter legde uit dat hij ook graag een hersenscan zou nemen om te kijken of er daar ook zichtbare letsels waren. Die scan zou één van volgende dagen nog plaatsvinden en zou meer, of net minder, duidelijkheid en zekerheid kunnen brengen. Waarop de vriendelijke verpleger werd opgeroepen om me terug naar kamer 458 te brengen. Wat er onderweg door me heen ging, weet ik niet meer. Ik herinner me dat de verpleger, net als tijdens de andere rolstoelritjes, een praatje maakte over koetjes en kalfjes. Maar zet me nu alle koeien en kalveren op een rij, ik haal die van dat gesprek er niet meer tussen uit! Mijn gedachten waren overal en nergens tegelijk. Terug op kamer 458 kon ik eindelijk (het was ondertussen 10.15u) aan mijn ontbijt beginnen, ook in gedachten verzonken. Geen negatieve, geen positieve, gewoon… gedachten. Tot het tot me doordrong dat ik dit nieuws aan de verloofde en mijn familie zou moeten vertellen. Wat nog restte van de voormiddag, besteedde ik dus aan het bedenken hoe ik dit zou moeten zeggen zonder verdriet te veroorzaken. Het werd me al snel duidelijk dat dit niet zou lukken…
Net als elke middag ging de telefoon wanneer het dienblad met het middageten op tafel werd gezet. De verloofde, op wandel met het hondje, meldde zich elke middag even om te checken hoe het met me ging. Ik stond voor de torenhoge berg met helemaal bovenaan de uitspraak van de neuroloog, en besloot om meteen een spurtje te wagen naar de top. In enkele woorden was het eruit: de dokter vermoedt MS. Achteraf bekeken stel ik me grammaticale vragen bij de opbouw van deze zin, maar op dat moment was het de beste samenvatting die ik kon uitbrengen aan de telefoon. De verloofde werd even stil. “Dat was ook al bij me opgekomen.” Het moet hier wel even gezegd worden dat de verloofde zelf de nodige medische achtergrond heeft, en voor zijn beroep wel eens in contact komt met MS-patiënten. Hij had zelf dus al een aantal puzzelstukjes in elkaar gepast, maar schrok toch even wanneer het luidop werd gezegd. Ik vertelde hem nog kort welke tests er verder nog gepland stonden de volgende dagen, en liet hem dan alleen met zijn gedachten en het hondje.
Na het middageten kwam de schoonzus op bezoek. Ik deed m’n spurtje opnieuw. Stilte. Haar stelde ik gerust door te zeggen dat er nog geen definitieve diagnose was, slechts een vermoeden. Dat gaf de boodschap toch een ietwat positief tintje. Achteraf bekeken niet meteen de juiste keuze, want hierdoor gaf ik ook weer hoop. Dat de dokter de kans als “groot” inschatte, vermeldde ik niet. Ik wilde niet dat iemand zich zorgen zou maken over mij of wat er met mij aan de hand zou kunnen zijn. Pas wanneer de mama arriveerde, kon ik mezelf ertoe brengen de berg rustig te beklimmen. En door dit rustig te doen, kreeg ik zelf ook meer inzicht in wat de dokter had gezegd. Ook de mama had zich hier aan verwacht, sinds een tijdje kan ze goed met de moderne media overweg en dus had ze ook al het nodige opzoekwerk verricht. Wat volgde was een reeks telefoontjes om de familie op de hoogte te brengen. Ik vond het fijn dat de mama de berg nog een paar keer in mijn plaats wou beklimmen, dat gaf mij de tijd om het even te laten doordringen. Want weet je, ik wist het van zodra de dokter het had gezegd, maar ik wíst het pas echt nadat ik het zelf een paar keer had verteld. Tot mijn eigen verbazing (toch als ik het nu bekijk) dacht ik er heel nuchter en rationeel over na. Ik besloot heel snel om niet te gaan denken in termen van “ik kan misschien niet meer …”, maar omgekeerd. Ik wist nog niet zo heel veel over MS, maar wel genoeg om meteen in te zien dat een leven met MS mogelijk is, leefbaar is. Ik denk dat dat inzicht, dat besluit, genoeg was voor mij om ervoor te kiezen optimistisch te zijn. Nee, “kiezen” is niet het woord dat hier past. Kiezen doe je bewust. Als je kiest, zeg je “ik ga optimistisch zijn”, en ik kan me niet herinneren dat die zin door mijn gedachten is gegaan op eender welk moment sinds het stilstaan van de wereld. Ik koos niet voor het optimisme, het overkwam me…
Sinds het optimisme me was overkomen, beklom ik de berg elke keer weer een beetje vlotter. Geen spurtjes meer, maar rustige wandelingen naar de top. Zonder te vergeten af en toe eens uit te rusten en te genieten van het uitzicht, want uiteindelijk was dit alles niet uitzichtloos. Eenmaal de top bereikt, kon ik telkens opgelucht ademhalen. Het werd me echter al snel duidelijk dat diegenen die met me mee waren gewandeld, eenmaal ze het nieuws hadden gehoord, moeite hadden met de afdaling. Elke keer veroorzaakte dit ongerustheid, bezorgdheid, verdriet. Logisch natuurlijk, zelf zou ik ook zo reageren. Ik werd bang, bang dat dit verdriet zich als een lawine van deze hoge berg zou storten, en ervoor zou zorgen dat iedereen rondom mij geneigd zou zijn het pessimisme te kiezen. Tegelijk werden de verloofde, de mama, en de rest van de familie bang dat ik me op het moment dat ze er waren gewoon sterk hield, dat mijn “lawine” van verdriet nog zou komen…
Gelukkig was het optimisme sterker dan alle negatieve gedachten die bij me aanklopten. Want natuurlijk, die negatieve gedachten doken wel eens op. En ik weet niet wat ik heb gedaan, ik weet niet hoe ik het heb gedaan, maar ik ben op één of andere manier in dat optimisme blijven geloven. En dat voelt goed.

Op dit moment ben ik al kleine week thuis, en het optimisme dat me is overkomen is er nog steeds. Het heeft me ervan overtuigd dat, hoewel het niet altijd de gemakkelijkste keuze is, het toch de moeite waard is om voor te kiezen. Ook de verloofde, de mama en de rest van de familie hebben er ondertussen voor gekozen. En ik zie dat het ook voor hen goed voelt.
Choose to be optimistic. It feels better.

En toen stond de wereld stil…

En toen stond de wereld stil. Even maar, onmerkbaar voor iedereen rondom mij. En wanneer ze terug in beweging kwam, ging alles gewoon weer verder. Maar dan toch een beetje… anders.

2 maart 2015, maandag. Een veel te koude dag voor m’n nagelnieuwe Allstars. Maar dat kon me niet deren, ik vond ze heerlijk. En de kids vonden ze super-tof, echt iets voor hun “coole juf”.
De eigenlijke reden om de nieuwe schoenen alvast te dragen, was het rare gevoel in mijn benen. Weinig gevoel aan de rechterkant, een slapend gevoel. Linkerhand en -been die minder kracht leken te hebben. Wanneer ik stapte, leek het of ik aan mijn benen niet meer kon uitleggen hoe ze dat ook weer moesten doen. J, de verloofde, had me gisteren al naar spoed willen brengen, maar ik ben niet zo’n fan van ziekenhuizen, en besloot mijn eigen huisdokter op te bellen tijdens mijn middagpauze. Die had ik immers vrijdag al opgezocht, toen enkel de gevoelloosheid in mijn rechterbeen nog voor problemen zorgde. Toen hij hoorde dat de gevoelloosheid verder omhoog was getrokken, en ik andere klachten had aan de linkerkant, raadde hij me toch ten stelligste aan om me naar de spoeddienst van het ziekenhuis te begeven.
Na veel vijven en zessen (ik kon m’n klas toch niet zomaar achterlaten in het midden van de dag, dus werkte ik met mijn koppige kop nog enkele uurtjes door), een blitzbezoekje aan de huisarts om zijn verwijsbrief op te pikken en een scheve blik van de spoedverpleegster lag ik dan toch op de onderzoekstafel van box 5. De neuroloog begon samen met een stagiaire aan zijn onderzoek, en al na enkele kleine testjes was de bezorgdheid van zijn gezicht af te lezen. Het verdict? Een ontsteking van het ruggenmerg. De oorzaak? Niet over uit te spreken voordat er een aantal tests gedaan worden. Het gevolg? Onmiddellijke opname, met zo snel mogelijk een cortisone-behandeling via baxters. Yay, it really was my lucky day…
Ik stelde me tevreden met een tweepersoonskamer, vooral in de overtuiging dat ik morgenavond weer in m’n eigen bedje zou slapen. Na even zoeken werd ik gedropt in kamer 458, bij de vrouw die tegen het einde van de week een stukje van mijn hart zou veroveren: Simonne. Na een korte kennismaking, het bekijken van de kinderfoto’s van de kleinkinderen en een aflevering op Netflix (leve WiFi in de moderne ziekenhuizen!) brak de eerste nacht aan. Tegen alle verwachting in kon ik de slaap best snel vatten, en heb ik toch een degelijk aantal uren vast kunnen slapen. Een opluchting toen ik wakker werd: oef, vandaag enkele tests en dan de behandeling opstarten. Ik zal snel weer thuis zijn…
“Goeiemorgen, we starten met de lumbale punctie” waren dan ook de woorden die mijn opluchting in rook lieten opgaan. Want laat me buiten ziekenhuizen nu ook net geen fan zijn van naalden. En het exemplaar dat klaarlag om zich in mijn ruggenmerg te planten zag er geen lieverdje uit… Nu is het me duidelijk dat dit één van de enige keren in mijn 27-jarige leven was dat ik letterlijk bloed, zweet en tranen heb gelaten. Gelukkig zijn dokters de dag van vandaag niet sadistisch ingesteld, en werd ik verdoofd vooraleer de naald in mijn ruggenmerg binnendrong om het nodige vocht af te nemen. Nadien mocht ik zelfs nog twee uurtjes plat liggen (ohja, vollédig plat!) om te bekomen van de hele gebeurtenis. Het begrip “bed & breakfast” kreeg op dit moment ook weer een nieuwe betekenis, gezien ik ook in platliggende toestand de boterhammetjes mocht proberen te verorberen die de verpleegster voor mij had gesmeerd en mijn thee netjes met een rietje geserveerd kreeg. Gelukkig had ik m’n gsm in de buurt om me een beetje bezig te houden, want al na 10 minuten had het plafond van kamer 458 geen geheimen meer voor mij. Uiteraard kon ik het ook niet laten om aan de verloofde en de rest van de familie te laten weten dat ik een ruggenmergpunctie had overleefd.
Na een tweetal uur werd ik door een vrolijke verpleger opgehaald voor een eerste bezoek aan de neuroloog. Een hele verhuis, met bed en al. Bij de neuroloog werd ik door een verpleegster vol geplakt met wat ik wetenschappelijk benoem als ‘tjoepkes’ en werden er elektrische schokjes door mijn zenuwbanen gestuurd. Ook deed de neuroloog een test om mijn oogzenuwen te checken. Later op de dag zou een NMR-scan volgen. Bij de terugkerende vraag naar de oorzaak, bleef de dokter ontwijkend antwoorden. Niet over uit te spreken vooraleer er meer testresultaten waren. Meer tests dus, en nog meer wachten…
Door de drukte op de MRI-dienst van het ziekenhuis bleef de scan die dag uit, dus werd de cortisone-behandeling alvast opgestart. Om half9 ’s avonds, na het bezoekuur dat voor mij goed gevuld was met familie, werden de eerste baxters aangesloten. Jep, weer een naald, lucky me!
De volgende ochtend was de dokter weer goed op tijd (vroege vogel!) voor zijn dagelijkse bezoekje. Vlak na zijn bezoek werd ik naar de MRI-afdeling gebracht, samen met Simonneke. We werden geparkeerd, letterlijk, in de wachtkamer totdat we één voor één werden meegenomen voor de geplande onderzoeken. In mijn geval was dat een reeks scans van ruggenmerg en ledematen, goed voor een 30-tal minuten stokstijf-liggend plezier. Of nee, ontspannen, moet ik het noemen, want “je moet vooral goed ontspannen stil blijven liggen” en “ohja, u mag tijdens de 2 à 3 minuten durende sessies telkens even niet slikken”. SLIK! De kans dat ik er nu nog ontspannen bij zou liggen werd kleiner met de minuut en verdween bijna als sneeuw voor de zon bij het aanschouwen van het apparaat waar ze me – hoofd eerst- zo dadelijk zouden in laten verdwijnen. Nu ben ik niet claustrofobisch, maar dat maakte het naar mijn mening toch niet veel minder indrukwekkend. Al bij al viel dit, m’n ijskoude voeten en de ongemakkelijke ietwat verkrampte houding buiten beschouwing gelaten, best goed mee.
Na de scan mocht dezelfde vriendelijke verpleger van de vorige dag me weer naar de neuroloog brengen voor enkele tests. Deze keer niet met de ‘tjoepkes’, dan wel met plakkertjes waardoor nog net iets meer elektrische stroom gestuurd kon worden. Of zo voelde het toch aan elke keer de dokter het tennisracket-achtige voorwerp op mijn hersenpan of ruggenwervel plaatste. Ik werd nu toch wel echt benieuwd, op het ongeduldige af, en vroeg nog eens naar de mogelijke oorzaak van mijn klachten. De dokter gaf eerst rustig uitleg bij wat hij had gezien op de scan: er was een duidelijke ontsteking te zien bovenaan mijn ruggenmerg. Er kon hier echter geen externe oorzaak voor gevonden worden. Zijn vermoeden ging eerder in de richting van MS.

En toen stond de wereld stil. Even maar, onmerkbaar voor iedereen rondom mij. En wanneer ze terug in beweging kwam, ging alles gewoon weer verder. Maar dan toch een beetje… anders.