IVF GOT THIS | Anticlimax

Vooraleer je aan dit stuk begint, is het belangrijk om te weten dat alles wat ik hierin beschrijf zich in het verleden afspeelt. Eind augustus – begin september, om precies te zijn. Ondertussen ziet onze wereld er anders uit, en onze toekomst heel wat rooskleuriger. Maar om daartoe te komen, moesten we eerst nog een paar hindernissen passeren. Deze anticlimax was er daar slechts eentje van …

Vooraleer je aan dit stuk begint, is het belangrijk om te weten dat alles wat ik hierin beschrijf zich in het verleden afspeelt. Eind augustus – begin september, om precies te zijn. Ondertussen ziet onze wereld er anders uit, en onze toekomst heel wat rooskleuriger. Maar om daartoe te komen, moesten we eerst nog een paar hindernissen passeren. Deze anticlimax was er daar slechts eentje van …

Kort na het kippenvelmoment en de tranen bij de terugplaatsing van ons embryo, gingen we er een weekje tussenuit. Samen met mijn schoonfamilie trokken we naar de Ardennen, waar mijn schoonouders naar jaarlijkse gewoonte een huisje hadden gehuurd. Het deed deugd om alles even los te laten, hoewel er in onze hoofden maar één gedachte was die ons bezighield: wat gebeurde er in mijn buik?
Wie een (of meer) vruchtbaarheidsbehandelingen heeft ondergaan, weet dat die is opgedeeld in verschillende ‘periodes’. Elke periode heeft zo z’n eigen typerende kenmerken. De tijd waarin je je voorbereid op de inseminatie, de pick-up en/of de terugplaatsing, is de periode waarin je meer doet dan je ooit voor mogelijk had gehouden. Je neemt de pil om de hele boel stil te leggen – hoewel dat onlogisch en tegennatuurlijk lijkt in het proces op weg naar een kind – zet alarmpjes op je gsm om elke acht uur een prikkelende spray in je neus te verstuiven, steekt elke dag een naald in je buik (of laat dan doen, in mijn geval, door manlief), en wanneer dat alles achter de rug is gebruik je dezelfde meldingen op je gsm om elke acht uur de pillen om het progesteron op peil te houden in te brengen. Je doet alles om voldoende eicellen te hebben, om een terugplaatsing mogelijk te maken, om die terugplaatsing te vergemakkelijken … Daarna komen de wachtweken. Het woord zegt het zelf: alles wat je dan nog kunt doen is wachten. Als je het zo hoort, lijkt het de rustigste tijd. Niets is minder waar. De wachtweken zijn werkelijk verschrikkelijk. Nadat je een aantal weken alles zelf in de hand had, kun je nu niets anders doen dan alles los te laten en af te wachten. Terwijl je je moet gedragen alsof je zwanger bent – geen alcohol, geen pijnstillers, geen rauw vlees, geen rauwe vis, geen rauwe groenten op restaurant, enzovoort – weet je niet met zekerheid of er daarbinnen daadwerkelijk gebeurt wat er zou moeten gebeuren: het innestelen van het embryo. Je wordt gek, en als dat niet vanzelf gebeurt dan maak je jezelf gek. Je maakt elkaar gek. Je weet niet wat je voelt, wat je zou moeten voelen, wat je niet zou mogen voelen. De dagen lijken geen einde te kennen, waardoor die periode van twaalf dagen een eindeloze mentale kwelling lijkt te zijn.
Op 16 augustus kwam er dan toch een einde aan die ellendige wachtweken. Voor dag en dauw stonden we op om ‘even over en weer te rijden’ naar het UZA. Ik kan je vertellen dat de duur van de twaalf voorbije dagen niets voorstelde tegenover de duur van de autoritten Erézée-Edegem en omgekeerd. Wie me kent, weet dat ik een spraakwaterval ben (soms tot het irritante toe – believe me, I know). Tijdens deze ritten was ik stiller dan ooit tevoren. Ik wist niet wat ik moest denken, laat staan wat ik moest zeggen.
Eenmaal het bloed was afgenomen, reden we terug richting Ardennen. We zouden immers tot in de namiddag moeten wachten op het resultaat, en hadden besloten dat we onze tijd liever zouden vullen met een wandeling in de Ardense bossen in plaats van rond te hangen in Antwerpen, wachtend op het verdict. Wanneer we weer aankwamen in het vakantiehuisje, wilde ik het liefst meteen gaan douchen. Daar hadden we die ochtend de tijd niet voor gehad, en de spanning had ervoor gezorgd dat er al heel wat angstzweet mijn poriën had verlaten. Het zou me deugd doen om alles even – letterlijk – van me af te stromen.
Op de trap rinkelde mijn telefoon. Uren voordat we het resultaat hadden verwacht, verscheen het nummer van de verpleegpost van de dienst Reproductieve Geneeskunde op het scherm. Mijn maag keerde om. Want als ik een verpleegster zou zijn, zou ik eerst alle patiënten met het slechte nieuws opbellen, om af te sluiten met de fijne telefoontjes. En aangezien het telefoontje véél vroeger kwam dan verwacht, kon dit alleen maar slecht nieuws betekenen …
De minuten die volgden op mijn ‘Hallo, met Marlies’ beleefde ik als in een roes. Ik herinner me dat de verpleegster me zei dat ze goed nieuws had. Dat de test positief was. Dat de waarden heel goed waren. En dat ze me graag nog enkele weken wilden opvolgen om na te gaan of het goed zou blijven gaan. En dan tranen. Heel veel tranen. Een knuffel en een kus met manlief die beter voelden dan ooit (zelfs ongedoucht). Geluk in zijn puurste vorm
Iedereen beleefde ons geluk samen met ons. Mijn schoonfamilie viel ons in de armen bij het horen van ons gelukzalige nieuws, en mijn ouders en zus sprongen in de auto en reden richting Ardennen. Er ontstond spontaan één groot feest.
We konden niet anders dan genieten. Echt genieten. Bijna exact twee jaar na onze eerste zwangerschap, konden we eindelijk weer vooruit kijken. Eind april 2019 zouden we eindelijk ons eigen kindje in onze armen kunnen sluiten. We zagen het feit dat de uitgerekende datum zo kort bij de datum van ons eerste kindje lag als een nieuwe kans, en alles behalve een slecht voorteken.

De weken die volgden, waren zalig. We brachten al snel onze vrienden en familie op de hoogte. Niet omdat we ons lieten leiden door impulsiviteit of naïviteit dat alles deze keer sowieso goed zou gaan, maar omdat we al uit ervaring wisten dat als het toch mis zou gaan we de steun van die familie en vrienden nodig zouden hebben. En toch … Toch was er ergens dat gevoel. Het gevoel dat het deze keer wel goed moést komen. Dat we ons deel van het ongeluk nu wel echt zouden hebben gehad.
Jammer genoeg was dat alleen maar een gevoel. Na enkele weken bleek na een bloedcontrole het hCG-gehalte in mijn bloed onvoldoende te zijn gestegen, wat niet veel goeds betekende …
Er volgden heel wat telefoontjes. Een afspraak bij de gynaecoloog. Met als verdict dat onze zwangerschap hoogstwaarschijnlijk weer op een miskraam zou uitdraaien. Na twee weken vol onzekerheid, toonde een volgende controle bij de gynaecoloog aan dat er geen hartslag was. Een hartslag die er wel had moeten zijn, op dat moment. En op een bepaalde manier viel er op dat moment een gewicht van onze schouders. Het voelt niet goed om het zo te zeggen, maar het is wel zo. Er kwam een einde aan de onzekerheid, nu konden we ons focussen op het afscheid. Afscheid nemen van ons tweede kindje, wat iets heel anders bleek te zijn dan het afscheid van ons eerste kindje twee jaar voordien. Het was niet erger, en niet minder erg. Het was niet zwaarder, en niet minder zwaar. Het was gewoon anders. Dat leek me op dat moment raar. Af en toe speelden schuldgevoelens me parten. De ene keer voelde ik me schuldig tegenover ons eerste kindje, de andere keer tegenover ons tweede kindje. Achteraf bekeken is het niet meer dan logisch dat het afscheid nu geen ‘kopie’ was van het afscheid toen. Onze tweede zwangerschap was dan ook geen kopie van de eerste. De weg naar deze zwangerschap was heel anders geweest en de manier waarop er een einde aan kwam was niet te vergelijken. Het resultaat daarentegen was wel hetzelfde: twee gebroken harten, vier lege armen en ontelbaar veel tranen.

Met deze tweede keer kwam er een tragisch einde aan ons hoofdstuk van eerste keren. Ook dit hoofdstuk eindigde in een anticlimax. Hoezeer we ook gehoopt hadden op een ‘happy beginning’, een nieuwe start met ons tweede kindje, het mocht uiteindelijk niet zijn. Maar het einde van een hoofdstuk betekent daarom niet meteen het einde van het verhaal. We besloten al snel om de moed niet op te geven – niet nu we er zo dicht bij waren – en stapten al snel in het volgende hoofdstuk. Er zaten immers nog enkele embryo’tjes in de diepvries …


Because maybe, you’re gonna be the one that saves me

Beste nieuw jaar. Liefste tweeduizend achttien. Ik schrijf je een brief. Geen nieuwjaarsbrief, daarvoor ben je al net-niet-nieuw-genoeg meer. Gewoon, een brief. Om je te vertellen wat jij in jouw 27-dagen-korte leventje al in je me hebt losgemaakt. En om je iets te vragen.

Jouw voorgangers hebben me geen goed gedaan. Vooral tweeduizend zeventien was er eentje met meer downs dan ups. Ik voelde me dan ook echt niet goed in mijn vel de laatste maanden. Vermoeidheid maakte zich meer en meer meester van mijn lichaam en doemdenkerij nestelde zich in mijn hoofd. Het zat me niet mee, het zat ons niet mee, en dat heeft z’n sporen nagelaten. Sporen in mijn lijf, in mijn gedachten en in mijn hart.
Het liet ook z’n sporen na op mijn blog. Of beter gezegd: geen sporen, ik schitterde vooral door afwezigheid. Want wat kon ik schrijven? Dat er met periodes dagelijks tranen waren voor wat er niet was? Dat ik me ellendig voelde? Dat ik me steeds weer afvroeg wanneer ik een antwoord zou krijgen op de eeuwige “waarom”-vraag? Zelfbeklag en zelfmedelijden staan me niet, dus liet ik het schrijven achterwege.
Jouw voorgangers zorgden ervoor dat ik bij het naderen van jou als shiny new year niet meer durfde geloven in de nieuwe start die jij met je zou meebrengen. Jaar na jaar geloofde ik er in, en jaar na jaar werd ik teleurgesteld. Dus besloot ik begin december van het vorige jaar al dat weer zo’n nieuw jaar niet bijzonder of speciaal was. Maar oh, wat heb ik me daar vergist. Van zodra je er was, werd het immers al snel duidelijk dat jij wel eens dat ene jaar zou kunnen zijn. Dat jaar waarin alles anders wordt, in alle mogelijke opzichten. Dat jaar waar ik al jarenlang naar uitkijk.
Je staat nog maar in je kinderschoenen, tweeduizend achttien, en toch maakte je al heel wat in me los. Eerst liet je me springen. Ik waagde een grote sprong, zo eentje met kriebels in de buik. Ondertussen werd het me duidelijk dat die sprong geen dag te vroeg kwam. Dat het tijd was om die sprong te wagen. En waar ik uiteindelijk terecht kom? Dat zie ik dan wel weer. Wat ik wel weet is dat het sowieso op mijn spreekwoordelijke pootjes zal zijn, hoe dan ook. Want als er iets is dat jouw voorgangers me hebben geleerd, is het dat wel.
Na de grote sprong liet je me hakken. Een knoop die al een paar maanden in de weg zat werd doorgehakt. Het is één van de meest egoïstische dingen die ik ooit deed – of zo voelt het toch – maar het moest. Ik moet er nog aan wennen, aan die knoop die ik onverbiddelijk heb doorgehakt. Enerzijds doet het deugd dat hij niet meer in de weg ligt, anderzijds voel ik me schuldig omdat het doorhakken van die knoop ook gevolgen heeft voor de mensen rondom mij. Maar ik weet waarvoor ik het deed, en dat dat dubbele gevoel snel zal verdwijnen wanneer het uiteindelijke doel wordt bereikt.
Het feit dat jij me in die kleine maand al dingen liet doen die ik maandenlang (misschien zelfs jarenlang) niet voor mogelijk hield, maakt dat ik je steeds leuker ga vinden, tweeduizend achttien. Je bent anders dan de vorige jaren, dat is me alvast duidelijk.

Dus wil ik je iets vragen, lief jaar. Wil je me blijven verrassen? Wil je dat ene jaar worden? Je weet wel, dat jaar dat ook wel eens “mijn jaar” wordt genoemd. Ik kan het gebruiken, dat soort jaar. En aangezien ik je nu al leuk vind, ben jij het ideale jaar om die rol te vervullen, denk je ook niet? Want jij zou wel eens dat jaar kunnen zijn dat me weer wat meer “ik” kan maken. Het jaar dat me, na de ravage die jouw voorgangers hebben aangericht, zal redden…

Ik kijk er alvast naar uit!
Veel liefs,
M.

PS: als je dan toch bezig bent, gooi je er dan als het even kan een paar nieuwe M’etjes bij? Van die M’etjes waar ik blij van wordt, voor de verandering. Daar wacht ik al even op. Alvast bedankt!

Our hearts sing a song incomplete until another heart whispers back

Ik heb het nooit geweten. Ik dacht nooit dat het kon. Maar nu voel ik het elke minuut, elke seconde van elke dag. Ik zie het in ons huis. In zijn lege armen, en in de mijne. Ik voel het in mijn hart, in mijn hele lijf en leden. Ik wist niet dat het zoveel pijn kon doen. En ik zou er alles voor doen om te horen dat het ooit zal overgaan.

De datum is voorbij. Oef. Dat zeg ik dan. Maar ik voel het niet. Want ik had gehoopt dat 28 april een nieuw begin met zich mee zou brengen, een nieuw hoofdstuk waarin ons engeltje de plaats in ons hart wel zou behouden maar stilaan minder door mijn hoofd zou spoken. Enerzijds is dat wel zo. Anderzijds wordt het gemis steeds groter.
En zichtbaarder. Want naast het gemis dat we voelen in ons hart, zien we het ook steeds duidelijker. We zien het aan het park dat er niet staat in de woonkamer. Aan de eetstoel die niet bij aan de tafel in de eetkamer staat. Aan de babykamer waarin nu het wasrek staat, met daaraan geen enkel kruippakje of rompertje. Aan de doos met onaangeroerde babyspullen. In elk hoekje van ons huis vinden we wel iets waar het gemis het uitschreeuwt.
Het is niet eerlijk. Ik heb die uitspraak altijd verafschuwd, ze heeft “zelfmedelijden” written all over it, en toch neem ik de woorden die ik zelf nooit heb kunnen horen nu zelf in de mond. Want het is geen statement dat ik hier wil maken, maar het is gewoon zo: het leven is niet eerlijk. Voor de ene draait dat positief uit, voor de andere dan weer negatief. Manlief en ik hebben lang gedacht dat wij bij die eerste categorie hoorden. Jarenlang ging het ons voor de wind, alles leek mee te zitten, en we vroegen ons af waar we dat aan hadden verdiend. Dat hadden we dus blijkbaar niet. En dan zodra het leven door had dat we al te veel van het geluk hadden mogen proeven, begon het langzaam maar zeker stukjes geluk terug af te nemen. Eerst stuurde hij MS op ons af om roet in het eten te gooien, en wanneer het door had dat zelfs dat ons niet van de wijs kon brengen – want we mochten toch wel echt van geluk spreken dat het niets erger was dan dat – besloot het het enige wat we écht wilden van ons af te pakken.
Want oh, wat willen we het graag. Echt mama zijn, en echt papa zijn. Ik vraag me af of we het goed zouden doen, en elke dag doet het zo ongelooflijk veel pijn dat we nog geen kans kregen om dat uit te zoeken. Mijn hart breekt elke keer terug een beetje wanneer we dromen over hoe het zou kunnen zijn. Hoe het had moeten zijn. Lange wandelingen met de kinderwagen. Slaapliedjes en lieve woordjes. Heerlijke knuffels en zachte kusjes. Het leven bracht ons niets van dat alles. In plaats daarvan kregen we die lege plekjes in ons huis, de lege plek in onze armen en de grote lege plek in ons hart.

We missen iets dat we nooit echt hadden. Ik wist niet dat dat kon. Laat staan dat ik een idee had van hoeveel pijn het zou doen. Ons leven is niet compleet. Ik voel me, hij voelt zich, wij voelen ons onvolledig. En ik vraag me elke dag af: wanneer dan wel? Wanneer is dat gevoel voorbij? Wanneer zal ik écht mama mogen zijn, en hij papa? Want alles wat ik vraag is de kans om al die lege plekjes op te vullen, in ons huis en in ons hart…

De M van mama

Gisteren was het moederdag, de dag waarop alle moeders ter wereld worden gevierd. Terecht, want het is toch wel wat, zo’n kind(eren) opvoeden. Ik kijk al jaren uit naar de eerste editie die ik als mama mag meemaken. In september, bij het zien van de plus op de zwangerschapstest, droomde ik al van moederdag 2017. In oktober werd die droom aan diggelen geslagen, ik zou nog niet mogen meevieren op 14 mei. Manlief dacht daar anders over.

Het lijkt misschien stom, maar moederdag meemaken als mama lijkt me echt fantastisch. Hoewel je het elke dag bent, besef je – denk ik – die dag des te meer dat je de geweldige eer hebt om mama te zijn van één of meer kinderen die je doodgraag ziet, en dat je dat potverdikke nog niet zo slecht blijkt te doen.
Voor mij was het dit jaar echter de dag die me eens te meer deed beseffen dat ik het niet ben. Ik ben geen mama, en ik had het ondertussen wel moeten zijn.
Ik keek er dan ook ontzettend tegenop dit jaar. Ik zou door Facebook en Instagram scrollen, en al die blije en fiere mama’s moeten zien. Ook op tv ging er geen reclameblok voorbij zonder dat het wordt vermeld, en aangezien ik in het onderwijs werk zou ik ook in de klas een moederdagcadeautje in elkaar moeten knutselen. Nee, er was werkelijk geen enkele manier om eraan te ontkomen. Dus probeerde ik het naast me neer te leggen. Ik zou proberen om van zondag een “gewone” moederdag te maken, in de rol van dochter en niet in de dubbelrol die blijkbaar nog niet voor me was weggelegd.
Dat was naast manlief gerekend. Wanneer we ’s nachts thuis kwamen van een avondje uit – Tongelse Dorpsfeesten, een jaarlijkse traditie – en ik me afgepeigerd in de zetel liet vallen, dook hij in z’n rugzak. Ik hoorde het gekraak van papier, waarvan ik aannam dat het afkomstig was van een snoepverpakking. Vlak voor ik m’n ogen dicht liet vallen, kwam hij echter in mijn richting met de oorzaak van het gekraak. Een cadeautje. Voor mij? Ja! Dat alleen al vond ik fantastisch, ik hou van verrassingen als deze. Dan zei hij: “voor moederdag”.

Tranen. Van geluk. Want in zijn ogen ben ik wel een mama. Ook al moet ik ’s nachts niet opstaan om te troosten, moet ik geen pampers verversen en nog meer van de taken die een mama normaal op zich neemt. Toch mag ik volgens hem die titel dragen. Hij had me geen mooier cadeau kunnen geven.Wat ik kreeg, materieel gezien, maakt me niet zo veel uit. Hoewel hij z’n best had gedaan om een mooi, symbolisch cadeau uit te zoeken, waar ik overigens heel erg blij mee ben. Maar het gelukkigst ben ik met de titel die hij me gaf. Hij gaf me een M die meer voor me betekent dan welke M ook: de M van mama…

FYI: armbandje > http://www.moon-bracelets.com

So many of my smiles begin with you

Mijn lief, klein engeltje

Ik mis je. Ik mis je elke seconde van elke dag, maar vandaag mis ik je net dat beetje meer. En dat wil ik je graag even zeggen. Hoe ik dat moet doen, weet ik nog niet zo goed. De ene keer praat ik tegen je wanneer ik op jouw plekje zit in de tuin, de andere keer praat ik met je in mijn dromen, en vandaag schrijf ik je een brief. In de hoop dat mijn woorden je op de één of andere manier bereiken.

Ons leven samen begon zó mooi. Je papa en ik waren dolblij toen we ontdekten dat je in mijn buik zat, je maakte ons werkelijk gelukkiger dan ooit tevoren. We zagen je ongelooflijk graag, vanaf het allereerste moment, en die liefde groeide – net als jij – elke dag een beetje. Wanneer we je voor het eerst te zien kregen en zagen hoe je kleine hartje klopte, sprong mijn eigen hart bijna uit m’n lijf. De dokter telde de dagen en weken, en vertelde ons dat we jou ergens rond de 28e april zouden ontmoeten. Die datum werd met een hartje aangeduid in onze agenda, en we konden haast niet wachten om je in onze armen te houden.
Je papa en ik maakten plannen voor de toekomst, zowel de nabije als de verre variant ervan. We richtten je kamertje al in gedachten in, konden ons niet inhouden om alvast enkele spulletjes voor je te kopen, en vertelden ons Vicje dat hij snel een derde baasje zou krijgen. Niet alleen wij maar ook je grootouders, overgrootouders, tantes, nonkel en je grote neef Felix wachtten vol ongeduld op jullie eerste kennismaking.
Op 14 oktober zouden we jou voor een tweede keer te zien krijgen, en zouden we je hartje voor het eerst horen kloppen. In plaats daarvan kregen we slecht nieuws te horen, jouw hartje had het al enkele weken geleden opgegeven, en jij was gestopt met groeien. Mijn hart brak. Niet met één luide krak, maar met duizenden oorverdovend stille krakjes. Totdat het helemaal aan diggelen lag.
De afgelopen 6 maanden probeerden we onze harten te lijmen, je papa en ik. In het begin lukte dat niet zo goed, elk stukje dat we opraapten droeg een herinnering en elke herinnering aan jou bracht tranen met zich mee. Maar nu lukt het, langzaam maar zeker. Stukje voor stukje rapen we samen alle stukjes weer op, en proberen we ze zo goed mogelijk in elkaar te passen. Soms laten we nog wel ’s een stukje vallen, en hier en daar verschijnt er nog wel eens een traan, maar het lukt. Ooit zullen onze harten weer heel zijn. De barstjes zullen er altijd blijven, en ze zullen ons altijd aan jou herinneren. En dat is maar goed ook. Want sinds je er niet meer bent, ben je er meer dan ooit. En dat wil ik heel graag zo houden.
Dus vandaag, lieve schat, vandaag laat ik geen traan. Verdriet krijgt vandaag geen kans. Vandaag ben ik blij. Blij dat ik jou heb mogen dragen in mijn buik, al was het maar voor even. Blij dat je in je korte tijd hier op onze wereld altijd graag gezien bent geweest, en dat onze liefde voor jou niet stopte met groeien toen jij dat deed. En trots. Ont-zet-tend trots, dat ik mama mag zijn van de één van de mooiste sterren aan de hemel.

Lieve kleine engel, ik wil dat je weet hoe graag ik je zag, hoe graag ik je zie, en hoe graag ik je altijd zal blijven zien. Jij bent en zal altijd diegene blijven die van mij een mama maakte en van hem een papa, en daarvoor ben ik je ongelooflijk dankbaar. Je blijft voor altijd een stukje van je papa en mij, en hebt voor eeuwig een stukje van ons hart veroverd. Het feit dat jij vleugeltjes kreeg en nu van daarboven over ons waakt, maakt dat we meer dan ooit geloven in magie…

Voor altijd
jouw mama

PS: Heb je het gezien, daarboven, hoe mooi papa jouw plekje heeft gemaakt? Na 6 maanden is het eindelijk helemaal klaar, en het is zonder twijfel het mooiste plekje in onze tuin. Zie ik je daar?

We keep this love in a photograph

We leven in een tijd waarin alles wordt vastgelegd op foto. Alle momenten van geluk, zowel groot als klein, worden gefotografeerd zodat dat gevoel van geluk altijd weer opgeroepen kan worden bij het bekijken van deze foto’s. Ze worden bijgehouden in tientallen mapjes op onze computers, ingekaderd om te pronken aan de muren van onze woonkamers en massaal gedeeld op Facebook en Instagram.

Ik ben er altijd zot van geweest. Van zodra er digitale fotografie was en ik in het bezit was van mijn eigen fototoestel, was niemand nog veilig. Vooral in het uitgaansleven leverde dit toen prachtige plaatjes op, die achteraf gedeeld en geliked en becommentarieerd werden op sociale media. Op reis betekende dit dat ik alle ruimte op de sd-kaartjes vaak opgebruikt had nog voordat de vakantie nog maar half was, zodat we op zoek moesten gaan naar een extra kaartje om nóg meer foto’s te kunnen nemen. Mijn computer en harde schijf tellen tientallen mapjes waarin ik alle foto’s – netjes gerangschikt volgens jaartal en gebeurtenis – bewaar. En van tijd tot tijd ga ik daar eens door, om terug te kijken. Om me even weer in dat moment te wanen. Echt genieten, vind ik dat.
Van zodra de plus op de zwangerschapstest verscheen, het gelukkigste moment in ons leven, werden er dus foto’s genomen. Van de positieve test. Van de tweede – we konden het immers haast niet geloven – positieve test. Van de eerste cadeautjes die we kregen om ons grote geluk te vieren. Van de afdruk van de eerste echo, want we moesten die maar eens ergens verloren leggen. En van mijn buik. Week na week, elke zondag. Ik met mijn pyjama aan, buik ontbloot, en manlief met z’n smartphone. Met kleren aan was mijn buikje onzichtbaar, maar zonder kleren was mijn groeiende buikje duidelijk te zien. Vooral omdat ik in de maanden voor mijn zwangerschap heel erg was afgevallen en daardoor een super-platte buik had (niet dat ik op dieet was, integendeel), was elke millimeter die er bij kwam duidelijk zichtbaar. Week na week zagen we de buik een inimini-beetje groeien.
In onze 6 gelukkigste weken verzamelden we dus al een mooie fotoreeks. Stuk voor stuk plaatjes van geluk. We wachtten vol ongeduld om na de 12 weken – echo deze fotoreeks verder aan te vullen, totdat de 4 woorden van de gynaecoloog een abrupt en veel te vroeg einde brachten aan deze fotoserie. Geen gelukkige plaatjes meer, alleen tranen. En van ongeluk, daar neem je geen foto’s van. Waarom zou je ook? Foto’s zijn herinneringen en een moment als dit is geen herinnering waard. En geloof me, er zijn geen foto’s nodig om dit moment nooit meer te vergeten…
De weken na mijn miskraam kon ik het niet aan om onze plaatjes van geluk opnieuw te bekijken. De herinneringen deden me vooral denken aan ons verlies, en dat was me te pijnlijk. Maar dan kwam het besef: hoe kort ons geluk ook heeft mogen duren, deze herinneringen moeten voor altijd bewaard blijven. Dus verzamelde ik alle foto’s in een mapje en ging ik aan de slag om online een fotoalbum samen te stellen. Zonder succes. Met geen enkele website die ik raadpleegde kon ik mijn plan uitvoeren. De reden werd al snel duidelijk. We hadden simpelweg niet voldoende foto’s om een album te vullen. Hoeveel plaatjes van geluk we in die 6 weken ook hadden verzameld, voor geen enkele website die ik raadpleegde was het toereikend om een album te laten afdrukken.
Wat de automatische berichten op de websites me vertelden, wist ik al. Niet voldoende foto’s. Natuurlijk zijn deze foto’s niet voldoende. Onze fotoreeks is niet compleet. Ons geluk ook niet. Of hoe de technologie mij in dit geval helemaal doorgrond had.

Maar ik blijf niet bij de pakken zitten. Op geen enkel vlak. Er zál een fotoalbum van ons engeltje komen, dan doe ik het maar op de “ouderwetse” manier met fotostickers en een plakboek. En er zál een nieuwe fotoreeks komen. Eentje die we oneindig zullen kunnen voortzetten, en waar we talloze fotoalbums mee gaan vullen. Vroeg of laat zullen er weer plaatjes van geluk zijn…

Geen titel

Wekenlang al werk ik aan dit bericht. Of beter gezegd: aan de titel van dit blogbericht. De tekst zelf zit al een tijdje in m’n hoofd, dus dit stuk heeft zichzelf praktisch geschreven. Maar een goeie titel vinden, dat was andere koek. Er is namelijk niemand die het ooit in woorden heeft beschreven, het gevoel waar ik het hier over heb. Of toch niet in woorden die ik kon vinden…

Ik ben niet gelukkig. Ja, je leest het goed. Niet gelukkig. Op dit moment toch niet. Ik was het wel, een tijdje geleden, en ik weet ook nog hoe het voelt om het te zijn. Daarom kan ik nu met absolute zekerheid zeggen dat ik het nu niet ben. Er staat te veel in de weg van mijn gelukkig-zijn. Mijn platte buik, die niet in het plaatje past zoals het er nu uit had moeten zien. De lege kamer boven, die we nu volop aan het inrichten hadden moeten zijn. De pillendoos, die sinds januari weer gevuld is. M’n linkerbeen, dat niet altijd doet wat het zou moeten doen. De tranen, die nog steeds te pas en te onpas verschijnen. Ze staan allemaal, als een onbeklimbare berg, in de weg.
Ik ben niet ongelukkig. Nee, ik weet dat ik veel, heel veel zelfs, heb om dankbaar voor te zijn. Een man uit de duizend, cliché maar waar. Manlief tilt me op bij elke down en luistert u-ren-lang naar mijn geratel terwijl hij dit doet. Hij begrijpt me zonder woorden – want wanneer ik niets meer zeg, vertel ik hem het meest – en weet hoe hij me aan het lachen moet brengen. Familie waarop ik altijd kan rekenen. Om te praten, om lief en leed mee te delen. Ze zijn er voor me, altijd, onvoorwaardelijk. Een petekind om op te eten. Dat ik kan vertroetelen en knuffelen. Dat ik onvoorwaardelijk graag zie, en waaraan ik kan beloven dat ik er altijd voor haar zal zijn. Vrienden die me kennen, écht kennen. Die ik waardeer voor wie ze zijn en die mij waarderen voor wie ik ben. Ook al zien we elkaar niet wekelijks, we weten wat we aan elkaar hebben. Kinderen die naar me opkijken. Ze zijn dan wel niet “van mij”, en toch noem ik ze “mijn mannen”. Ze halen me soms het bloed vanonder de nagels, maar uiteindelijk halen ze steeds het beste in me naar boven. Ze maken dat ik elke dag, ook die minder goede dagen, mijn boekentas in mijn fietsmand gooi en naar school fiets. En natuurlijk ons Vicje, het hondje dat altijd blij is om me te zien en zich het liefst van al knus tegen me aan nestelt in de zetel. Een dak boven mijn hoofd, elke dag eten op tafel en op tijd en stond een goed glas wijn: ook op materieel vlak ontbreekt het me aan niets. Nee, ik ben niet ongelukkig.
Ik zweef. Tussen het ongelukkig-zijn en het gelukkig-zijn. Ben niet het ene, noch het andere. Blij dat ik het ene niet ben, baal dat ik het andere niet ben. Het is een gevoel dat niet anders te beschrijven valt. Wanneer ik op zoek ging naar een quote voor boven dit stuk, vond ik dan ook geen enkele zin die het kon beschrijven. Op Pinterest wordt er blijkbaar van uit gegaan dat je óf gelukkig, óf ongelukkig bent. En tot een aantal maanden geleden was dat geloof ik ook wat ik zelf dacht. Net zoals ik dacht dat je geluk zelf creëert. Begrijp me niet verkeerd: voor een stuk is dat ook zo. De manier waarop je denkt en tegen dingen aankijkt maakt dat je je gelukkiger of net ongelukkiger gaat voelen. Maar in essentie hangt geluk toch ook af van een aantal dingen die je gewoonweg zelf niet in de hand hebt. En net die dingen willen de laatste jaren – en vooral maanden – niet echt meewerken.
Maar ik wíl het wel. En ik geloof erin. Ik geloof dat ik ooit weer oprecht gelukkig zal zijn. Ik weet niet wanneer, maar wat mij betreft liever gisteren dan morgen…

Na een paar weken heb ik het opgegeven. Dit stuk is gedoemd om titelloos blijven. Er bestaan geen woorden om dit gevoel samen te vatten, en ik heb ook niet de ambitie om er een woord voor te bedenken. Waarom zou ik ook? Ik heb niet de behoefte om het te benoemen, vooral omdat ik niet van plan ben om in deze fase te blijven hangen. Het is een tussenfase. Een overgangsfase waarin ik me voor heel even wil schikken, totdat ik dat heerlijke gevoel weer zal voelen binnenin en ik zal weten: oef, ik ben het weer. Gelukkig…