IVF GOT THIS | Anticlimax

Vooraleer je aan dit stuk begint, is het belangrijk om te weten dat alles wat ik hierin beschrijf zich in het verleden afspeelt. Eind augustus – begin september, om precies te zijn. Ondertussen ziet onze wereld er anders uit, en onze toekomst heel wat rooskleuriger. Maar om daartoe te komen, moesten we eerst nog een paar hindernissen passeren. Deze anticlimax was er daar slechts eentje van …

Vooraleer je aan dit stuk begint, is het belangrijk om te weten dat alles wat ik hierin beschrijf zich in het verleden afspeelt. Eind augustus – begin september, om precies te zijn. Ondertussen ziet onze wereld er anders uit, en onze toekomst heel wat rooskleuriger. Maar om daartoe te komen, moesten we eerst nog een paar hindernissen passeren. Deze anticlimax was er daar slechts eentje van …

Kort na het kippenvelmoment en de tranen bij de terugplaatsing van ons embryo, gingen we er een weekje tussenuit. Samen met mijn schoonfamilie trokken we naar de Ardennen, waar mijn schoonouders naar jaarlijkse gewoonte een huisje hadden gehuurd. Het deed deugd om alles even los te laten, hoewel er in onze hoofden maar één gedachte was die ons bezighield: wat gebeurde er in mijn buik?
Wie een (of meer) vruchtbaarheidsbehandelingen heeft ondergaan, weet dat die is opgedeeld in verschillende ‘periodes’. Elke periode heeft zo z’n eigen typerende kenmerken. De tijd waarin je je voorbereid op de inseminatie, de pick-up en/of de terugplaatsing, is de periode waarin je meer doet dan je ooit voor mogelijk had gehouden. Je neemt de pil om de hele boel stil te leggen – hoewel dat onlogisch en tegennatuurlijk lijkt in het proces op weg naar een kind – zet alarmpjes op je gsm om elke acht uur een prikkelende spray in je neus te verstuiven, steekt elke dag een naald in je buik (of laat dan doen, in mijn geval, door manlief), en wanneer dat alles achter de rug is gebruik je dezelfde meldingen op je gsm om elke acht uur de pillen om het progesteron op peil te houden in te brengen. Je doet alles om voldoende eicellen te hebben, om een terugplaatsing mogelijk te maken, om die terugplaatsing te vergemakkelijken … Daarna komen de wachtweken. Het woord zegt het zelf: alles wat je dan nog kunt doen is wachten. Als je het zo hoort, lijkt het de rustigste tijd. Niets is minder waar. De wachtweken zijn werkelijk verschrikkelijk. Nadat je een aantal weken alles zelf in de hand had, kun je nu niets anders doen dan alles los te laten en af te wachten. Terwijl je je moet gedragen alsof je zwanger bent – geen alcohol, geen pijnstillers, geen rauw vlees, geen rauwe vis, geen rauwe groenten op restaurant, enzovoort – weet je niet met zekerheid of er daarbinnen daadwerkelijk gebeurt wat er zou moeten gebeuren: het innestelen van het embryo. Je wordt gek, en als dat niet vanzelf gebeurt dan maak je jezelf gek. Je maakt elkaar gek. Je weet niet wat je voelt, wat je zou moeten voelen, wat je niet zou mogen voelen. De dagen lijken geen einde te kennen, waardoor die periode van twaalf dagen een eindeloze mentale kwelling lijkt te zijn.
Op 16 augustus kwam er dan toch een einde aan die ellendige wachtweken. Voor dag en dauw stonden we op om ‘even over en weer te rijden’ naar het UZA. Ik kan je vertellen dat de duur van de twaalf voorbije dagen niets voorstelde tegenover de duur van de autoritten Erézée-Edegem en omgekeerd. Wie me kent, weet dat ik een spraakwaterval ben (soms tot het irritante toe – believe me, I know). Tijdens deze ritten was ik stiller dan ooit tevoren. Ik wist niet wat ik moest denken, laat staan wat ik moest zeggen.
Eenmaal het bloed was afgenomen, reden we terug richting Ardennen. We zouden immers tot in de namiddag moeten wachten op het resultaat, en hadden besloten dat we onze tijd liever zouden vullen met een wandeling in de Ardense bossen in plaats van rond te hangen in Antwerpen, wachtend op het verdict. Wanneer we weer aankwamen in het vakantiehuisje, wilde ik het liefst meteen gaan douchen. Daar hadden we die ochtend de tijd niet voor gehad, en de spanning had ervoor gezorgd dat er al heel wat angstzweet mijn poriën had verlaten. Het zou me deugd doen om alles even – letterlijk – van me af te stromen.
Op de trap rinkelde mijn telefoon. Uren voordat we het resultaat hadden verwacht, verscheen het nummer van de verpleegpost van de dienst Reproductieve Geneeskunde op het scherm. Mijn maag keerde om. Want als ik een verpleegster zou zijn, zou ik eerst alle patiënten met het slechte nieuws opbellen, om af te sluiten met de fijne telefoontjes. En aangezien het telefoontje véél vroeger kwam dan verwacht, kon dit alleen maar slecht nieuws betekenen …
De minuten die volgden op mijn ‘Hallo, met Marlies’ beleefde ik als in een roes. Ik herinner me dat de verpleegster me zei dat ze goed nieuws had. Dat de test positief was. Dat de waarden heel goed waren. En dat ze me graag nog enkele weken wilden opvolgen om na te gaan of het goed zou blijven gaan. En dan tranen. Heel veel tranen. Een knuffel en een kus met manlief die beter voelden dan ooit (zelfs ongedoucht). Geluk in zijn puurste vorm
Iedereen beleefde ons geluk samen met ons. Mijn schoonfamilie viel ons in de armen bij het horen van ons gelukzalige nieuws, en mijn ouders en zus sprongen in de auto en reden richting Ardennen. Er ontstond spontaan één groot feest.
We konden niet anders dan genieten. Echt genieten. Bijna exact twee jaar na onze eerste zwangerschap, konden we eindelijk weer vooruit kijken. Eind april 2019 zouden we eindelijk ons eigen kindje in onze armen kunnen sluiten. We zagen het feit dat de uitgerekende datum zo kort bij de datum van ons eerste kindje lag als een nieuwe kans, en alles behalve een slecht voorteken.

De weken die volgden, waren zalig. We brachten al snel onze vrienden en familie op de hoogte. Niet omdat we ons lieten leiden door impulsiviteit of naïviteit dat alles deze keer sowieso goed zou gaan, maar omdat we al uit ervaring wisten dat als het toch mis zou gaan we de steun van die familie en vrienden nodig zouden hebben. En toch … Toch was er ergens dat gevoel. Het gevoel dat het deze keer wel goed moést komen. Dat we ons deel van het ongeluk nu wel echt zouden hebben gehad.
Jammer genoeg was dat alleen maar een gevoel. Na enkele weken bleek na een bloedcontrole het hCG-gehalte in mijn bloed onvoldoende te zijn gestegen, wat niet veel goeds betekende …
Er volgden heel wat telefoontjes. Een afspraak bij de gynaecoloog. Met als verdict dat onze zwangerschap hoogstwaarschijnlijk weer op een miskraam zou uitdraaien. Na twee weken vol onzekerheid, toonde een volgende controle bij de gynaecoloog aan dat er geen hartslag was. Een hartslag die er wel had moeten zijn, op dat moment. En op een bepaalde manier viel er op dat moment een gewicht van onze schouders. Het voelt niet goed om het zo te zeggen, maar het is wel zo. Er kwam een einde aan de onzekerheid, nu konden we ons focussen op het afscheid. Afscheid nemen van ons tweede kindje, wat iets heel anders bleek te zijn dan het afscheid van ons eerste kindje twee jaar voordien. Het was niet erger, en niet minder erg. Het was niet zwaarder, en niet minder zwaar. Het was gewoon anders. Dat leek me op dat moment raar. Af en toe speelden schuldgevoelens me parten. De ene keer voelde ik me schuldig tegenover ons eerste kindje, de andere keer tegenover ons tweede kindje. Achteraf bekeken is het niet meer dan logisch dat het afscheid nu geen ‘kopie’ was van het afscheid toen. Onze tweede zwangerschap was dan ook geen kopie van de eerste. De weg naar deze zwangerschap was heel anders geweest en de manier waarop er een einde aan kwam was niet te vergelijken. Het resultaat daarentegen was wel hetzelfde: twee gebroken harten, vier lege armen en ontelbaar veel tranen.

Met deze tweede keer kwam er een tragisch einde aan ons hoofdstuk van eerste keren. Ook dit hoofdstuk eindigde in een anticlimax. Hoezeer we ook gehoopt hadden op een ‘happy beginning’, een nieuwe start met ons tweede kindje, het mocht uiteindelijk niet zijn. Maar het einde van een hoofdstuk betekent daarom niet meteen het einde van het verhaal. We besloten al snel om de moed niet op te geven – niet nu we er zo dicht bij waren – en stapten al snel in het volgende hoofdstuk. Er zaten immers nog enkele embryo’tjes in de diepvries …


IVF GOT THIS – the story continues

In wat ondertussen een ver verleden lijkt beloofde ik je het vervolg van ons hoofdstuk van eerste keren. Ik schreef een tijdje niet, en dat om verschillende redenen. De hoofdreden was dat het even niet ging. Ik kreeg geen letter op het scherm. Manlief en ik moesten eerst zelf uitzoeken hoe we na het hoofdstuk van eerste keren – want dat kende ondertussen een einde – verder moesten gaan. Nu we voor het volgende hoofdstuk staan ben ik klaar om ook dat deel van ons leven te delen.

Omdat het een omvangrijk hoofdstuk is, besloot ik om voor een keertje af te wijken van mijn gewoonlijke tekstritme. Ik post de komende dagen stukjes van dit hoofdstuk, zodat alle verschillende stappen die we samen hebben gezet en de emoties die hierbij horen de aandacht krijgen die ze verdienen.


IVF GOT THIS | WE’RE SO EGG-CITED!

Nadat ik een tweetal weken dagelijks mijn buik ontblootte om manlief er een spuit gevuld met hormonen in te laten ploffen en ik drie keer per dag – op de meest onmogelijke momenten – de neusspray in elk neusgat had verstoven, werden we verwacht in het UZA voor de pick-up. De dag voor deze ingreep namen de stemmingswisselingen die de hormonen met zich meebrachten samen met de zenuwen voor de punctie de bovenhand. Ik ging van tranen met tuiten naar I-can-do-this en weer verder naar de volgende huilbui, en dit alles binnen een tijdspanne van 5 minuten. All. Day. Long.

Ik was bang, doodsbenauwd voor wat er de volgende dag komen zou. Hoe kon het ook anders? Tijdens het intakegesprek hadden ze me van naaldje tot draadje uitgelegd wat er zou gaan gebeuren. De woorden in combinatie met de verduidelijkende tekeningen gingen hun doel – mij geruststellen – ver voorbij en hadden me simpelweg nog meer schrik aangejaagd. Waarom, hoor ik je denken? Wel, laat het ons houden op het feit dat er niemand zit te wachten op een naald die door de wand van de vagina en de eierstokken wordt geprikt om zo de lekker-dicht-opeengepakte follikels één voor één aan te prikken en leeg te zuigen. Ik dus ook niet. Zelfs zonder de naaldenfobie die ik sinds het stilstaan van de wereld heb overwonnen keek ik er niet bepaald naar uit.
Met lege maag (nuchter enzo), een klein hartje en een tas vol afleiding in de vorm van kruiswoordpuzzels en tijdschriften stapte ik de dag van de pick-up samen met manlief het daghospitaal van het UZA binnen. Nadat ik me installeerde op de kamer (lees: mijn tijdschriften, kruiswoordpuzzels en balpennen had uitgespreid over het tafeltje naast mijn bed) kwam de verpleegster binnen om een infuus te prikken. Maar ze deed zoveel meer dan dat. De liefste verpleegster ooit, wiens naam mij nog steeds onbekend is, gaf me het enige wat ik op dat moment nodig had: geruststelling. Ze had in het verleden zelf het hele traject waar wij op dat moment middenin zaten meerdere keren doorlopen, en kon me tot in detail vertellen wat me die dag te wachten stond. Wat ze zouden doen. Welke medicatie ik zou krijgen. Hoe het voelt. En oh, wat een heerlijk gewicht viel er van mijn schouders. Niet alles, er bleven nog enkele tientallen kilo’s hangen, maar ik voelde me toch meteen lichter. Het maakte dat ik in de I-can-do-this-stemming bleef hangen, wat na de emotionele rollercoaster de dag voordien meer dan welkom was. Dus, lieve verpleegster, wherever you are: duizendmaal dank!
Doordat de verpleegster me al enorm kon geruststellen, was het tabletje valium dat ik kreeg voordat ik met bed en al richting dienst fertiliteit werd gerold lichtjes overbodig geworden. Ik nam het toch dankbaar aan, want met iedere gang waar de verpleegster mijn bed behendig in zwierde voelde ik mijn hart steeds sneller bonzen in mijn keel. Het ritme van de voetstappen van manlief en de wetenschap dat hij niet van mijn zijde zou wijken waren op dat moment de enige dingen die me lief waren aan de hele situatie waarin we ons bevonden.
Ik werd geparkeerd. Anders kan je het niet noemen. In een hoekje aan het einde van de gang op de dienst urologie bevindt zich een rij stoelen en een gordijntje, die samen moeten doorgaan voor de wachtruimte van de dienst fertiliteit. Klein puntje dat aan verbetering toe is in het UZA als je het mij vraagt. Maar goed, daar stond ik dus geparkeerd, in dat hoekje, achter dat gordijntje. Gezien de rij stoelen zich buiten het gordijntje bevond stond manlief gewoon recht naast mijn bed. Elke keer de schuifdeur vlakbij open schoof, voelde ik me alsof ik weer op die rollercoaster van de dag voordien zat. En wanneer de vrouw waarmee ik de kamer in het daghospitaal deelde aan de andere kant van het gordijntje werd geparkeerd en de verpleegster met een het-is-aan-u-mevrouw de rem van mijn bed afzette en me richting schuifdeur rolde, stond mijn hart haast stil terwijl het tegelijkertijd bijna uit mijn borstkas bonkte. Maar manlief was er, en dat zorgde ervoor dat ik alles met enige rust over me heen liet komen.
De pick-up zelf was bijzonder. Dat klinkt na wat je in de vorige alinea’s las misschien heel onlogisch. De prikken van de verdoving aan beide kanten waren even pittig – geloof me: je wordt écht niet graag geprikt op dié plaats – en ook de prikken van de naald voelde ik wel even, maar daarna was ik letterlijk aan het scherm gekluisterd. Tijdens de pick-up kan je alles wat binnenin gebeurt nauwkeurig volgen aan de hand van het beeld van de echo – jaja, live en al – en ik vond dit alles werkelijk indrukwekkend om te zien. Het moment waarop voor de eerste keer het woord EICEL uit de mond van de laborant kwam, kon ik mijn tranen haast niet bedwingen. Lucky tears deze keer want oef, het was allemaal niet voor niets geweest. Elke keer dit woord weerklonk, maakte mijn hart een sprongetje, goed voor in totaal negen sprongetjes. En nadien heel veel lucky tears.
Het moet hier gezegd worden dat ik het hele team dat me tijdens de pick-up heeft begeleid ongelooflijk dankbaar ben. Ik werd omringd door een team van verpleging, vroedvrouw, dokters en laborant dat naast professioneel ook erg menselijk te werk ging. We kregen een duidelijke uitleg van wat er zou gaan gebeuren bij elke stap die werd gezet. Ik kreeg elke paar minuten de vraag “Gaat het nog?”, afgewisseld met de lieve woorden “U doet het echt goed!” Ik werd met een enthousiast goed-gedaan-mevrouw zelfs gecomplimenteerd met het aantal follikels die ze vlak voor de pick-up zagen op de echo en nadien met het aantal eicellen die de punctie had opgebracht. Dit alles maakte dat ik me deze ervaring, waarvoor ik daags voordien nog angsttranen had gelaten, vooral herinner als beschreven in de vorige alinea: werkelijk heel bijzonder.
En dan kwam dit… De blik van manlief wanneer hij me aankeek na de ingreep. Met tranen in de ogen (ook bij hem waren er lucky tears) zei hij dat hij ontzettend fier op me was. Ja, janken natuurlijk hé. Ik denk dat op dat eigenste moment, met die uitspraak, met die tranen en in dat hoekje achter het gordijntje aan het einde van de gang onze band sterker was dan ooit tevoren.

De dag na de pick-up volgden nog meer tranen van geluk. Met een telefoontje bracht de laborant van het UZA ons op de hoogte van het resultaat van de IVF: wel liefst zes van de negen eicellen waren goed bevrucht. Deze zouden ze een aantal dagen hun ding laten doen, om op dag 5 na de pick-up het sterkste embryo terug te plaatsen.
De volgende dagen deed ik op doktersadvies rustig aan. Niet dat ik anders kon, mijn buik was nog steeds – of was het eerder nog méér – opgeblazen en ontzettend gevoelig. Bij de minste inspanning riepen de pijnscheuten me tot de orde: rusten was de boodschap. Frustrerend, saai, maar nodig om mijn lichaam de nodige rust te gunnen om te herstellen na de punctie. En dat was van groot belang voor de volgende stap…

IVF got this

Ik heb lang getwijfeld om dit stuk te schrijven. Waarom weet ik niet precies. Niet omdat ik me schaam of omdat het een oh-zo-groot geheim is. De tijd was gewoon nog niet rijp, denk ik. Maar nu moet het. De tijd is rijp om dit hoofdstuk van mijn verhaal – ons verhaal – te delen. Het beheerst ons leven op dit moment in die mate dat ik niet anders kan dan er over te schrijven. Om uit te leggen wat het is, wat het doet met mij en met hem, met ons. Omdat het niet zomaar een regeltje of vier, maar ondertussen een heel hoofdstuk is in ons leven samen.

Het is voor wie deze blog al langer leest al wel duidelijk: wij willen doodgraag een kindje. We hebben altijd geweten dat we ooit kinderen zouden willen samen, maar sinds een goeie drie jaar werd onze kinderwens steeds groter. Nadat we onze mooiste dag beleefden begonnen we dan ook vol goede moed – en met veel plezier –  aan dat hoofdstuk van ons leven samen. We keken er zo naar uit: een hoofdstuk vol eerste keren. De eerste kreetjes. De eerste stapjes. De eerste woordjes. De eerste verjaardag. Elke eerste keer zou een hoogdag worden, elke eerste keer zouden we vieren.
Het werd daadwerkelijk een hoofdstuk van eerste keren. Echter niet de eerste keren waarop wij hadden gehoopt. We verloren voor het eerst – hopelijk ook voor het laatst – een kind. We gingen voor het eerst naar een fertiliteitsarts. We ondergingen voor het eerst een vruchtbaarheidsonderzoek. We gingen voor het eerst naar het UZA. De eerste kunstmatige inseminatie. De eerste hormonenspuit.
Tot nu toe liepen al deze eerste keren uit op een zoveelste teleurstelling. Na een half jaar onderzoeken en IUI-behandelingen, volgde een verplichte pauze. De eerste pauze. Na tweeënhalf jaar waren we voor het eerst eventjes niet bezig met het tellen van dagen, het plannen van ziekenhuisbezoekjes en het nemen van vruchtbaarheidsmedicatie. Deze pauze was – hoewel we er eerst tegenop zagen – meer dan welgekomen. Na zes maanden behandeling na behandeling, poging na poging, was het een verademing om ons even niet druk te maken om het hele vruchtbaarheidsverhaal maar om gewoon weer even zorgeloos te genieten van quality time onder ons tweetjes. We konden weer plannen maken op korte termijn – niet vanzelfsprekend tijdens het hele proces met alle ziekenhuisbezoekjes – en konden genieten van een goed glas wijn zonder erbij te hoeven nadenken. Jammer genoeg waren er in die periode op professioneel vlak problemen waarop ik niet gerekend had, waardoor ik niet ten volste kon genieten van deze tijd. Gelukkig nam een weekje Frankrijk met vrienden alle stress weer weg, wat ervoor zorgde dat we ieder apart en samen als koppel weer helemaal klaar waren voor een nieuwe alinea in dit hoofdstuk: IVF.
Voor ons hoofdstuk van eerste keren had ik er wel van gehoord. Ik dacht dat ik wist wat het was, maar in werkelijk wist ik er zo goed als niets van af. Het is meer dan de wetenschappelijke verklaring ervan. Het is meer dan het samenbrengen van mijn eicellen en zijn zaadcellen in een petrischaaltje en het resultaat daarvan weer terug in mijn baarmoeder plaatsen. Nee, de wetenschappelijke uitleg dekt slechts een fractie van wat IVF in realiteit inhoudt.
De afgelopen weken hebben we immers aan den lijve kunnen ondervinden wat het écht is. Het is het proberen te plaatsen van een massa informatie in een hoofd dat er nog niet helemaal klaar voor is (want is het dat ooit?). Het is het verlaten van het ziekenhuis met een boodschappentasje gevuld met medicatie, en plaats maken in je koelkast om alles te stockeren. Het is die knop omdraaien in je hoofd wanneer je aan het begin van het hele traject je eerste anticonceptiepil moet innemen. Het is drie tot vier keer per dag een neusspray gebruiken die ongelooflijk kriebelt en prikt in je neus. Het is het omdraaien van weer een andere knop wanneer manlief het eerste spuitje in je buik prikt om de hormonenkuur te beginnen. Het is het zoeken naar de plekjes op je buik die nog niet te pijnlijk aanvoelen voor de volgende spuit. Het is het zetten van tientallen wekkers op je gsm om alle medicatie op de juiste tijdstippen in te nemen. Het is een opgezette buik – net alsof je zwanger bent, oh de ironie – die al in kramp schiet als je er nog maar naar kijkt. Het is de hele tijd moe zijn. Het is het tranen-met-tuiten-huilen bij de minste emotie die je ziet of voelt of dénkt te voelen of denkt te gaan voelen (jep, moodswings much!). Het is het met een bang hartje uitkijken naar het moment van de pick-up. Het is dat en nog zóveel meer.
Het is voor iedereen anders. Er is geen handleiding die stap voor stap uitlegt hoe je er mee moet omgaan. Want hoewel het traject voor iedereen die er in stapt nagenoeg hetzelfde is, ervaart iedereen het anders. Enerzijds is dat – pardon my French – echt klote, want het zou toch wel handig zijn om vooraf te weten waar ik me precies aan moet verwachten. Anderzijds is dat net goed, want het geeft me naar mijn gevoel de vrijheid om mijn lichaam z’n ding te laten doen zonder in mijn achterhoofd dat stemmetje te hebben dat zegt hoe mijn lijf zich op het ene en het andere moment zou moeten voelen. En dat maakt dat het niet de IVF-weg is die iedereen zomaar bewandelt, maar ONZE weg. Ons verhaal. Of toch een stukje ervan.

Wat het doet met mij? Daar kan ik nu nog niet op antwoorden. Ik zit nu nog middenin het hele traject en heb de pick-up, de terugplaatsing, de wachtweken en het moment van de waarheid nog voor me liggen, elk als torenhoge bergen die ik nog moet zien te overwinnen samen met manlief. Maar wat het doet met ons, dat weet ik al wel. Ook al ligt er nog een hele weg voor ons vooraleer we zijn waar we willen zijn, dit weet ik zeker: het maakt ons sterker. We zijn doorheen dit hele hoofdstuk van eerste keren een sterkere wij geworden. Niet vanzelfsprekend, denk ik. Niet voor iedereen weggelegd, misschien. Maar gelukkig wel realiteit, voor ons.

Ohja, nog even dit. Dit hoofdstuk van eerste keren is nog niet afgelopen. Er moeten nog heel wat alinea’s geschreven worden. Hoe ik ze schrijf en wanneer ik ze schrijf kan ik niet nog niet zeggen. Dat zal afhangen van mijn mood swings en het verdere verloop van het traject. Dát ik ze schrijf wel. Beloofd.

Fall apart, then start again

Een goeie vijf maanden geleden deden we het voor het eerst. ’s Ochtends vroeg stapten we samen in de auto en reden we naar het Universitair Ziekenhuis Antwerpen. Vol spanning parkeerden we de auto op de veel te grote parking en aarzelend zochten we onze weg in het doolhof van gangen van dit veel te grote ziekenhuis. Eenmaal de juiste dienst gevonden zaten we ongemakkelijk te schuifelen op onze stoelen in de geïmproviseerde wachtkamer, wachtend op onze beurt. Wisten wij veel dat dit hele gedoe al snel een routine zou worden, eentje die we nog vaak zouden moeten herhalen…

Elke cyclus verloopt volgens hetzelfde stramien. Van zodra mijn maandstonden zich als ongenode gast aankondigen, hang ik aan de telefoon bij de gynaecoloog. Er wordt geteld en een afspraak vastgelegd. De eerste vier keren kon de eerste afspraak wachten tot dag 10, vanaf de vijfde keer werd ze al vastgelegd op dag 3. Vanaf die vijfde keer begonnen ook de dagelijkse hormooninjecties. Elke avond, ongeacht onze plannen, waar we ook mogen zijn, mag manlief dan rond 20u een spuit met een dosis Menopur in mijn buik ploffen. En dat een negental dagen op rij. Na weer een controle bij de gynaecoloog – soms 2 controles, afhankelijk van de grillen van moeder natuur – krijgen we groen licht voor de volgende spuit. De Pregnyl-spuit, die de timing van de natuur in goede banen moet leiden, wordt voor de verandering niet in mijn buik maar in mijn bil gezet. Dat gaat het petje van manlief lichtjes te boven, dus ik ben dan ook blij dat ik elke keer weer beroep kan doen op een fantastische vriendin die telkens tegen tien uur ’s avonds voor onze deur staat om ons uit de nood te helpen met haar vroedvrouw-skills (jep, zij heeft haar stukje hemel – samen met onze eeuwige dankbaarheid – al dubbel en dik verdiend!).
Tot zover de voorbereiding… Zesendertig uur nadat de Pregnyl werd toegediend worden we verwacht in Edegem. We vertrekken telkens véél te vroeg en komen daardoor ook meestal minstens een half uur voordien aan, wat ervoor zorgt dat we nog rustig de tijd kunnen nemen voor een tas koffie en een croissantje in de cafetaria van het ziekenhuis. Iets voor 10 meldt manlief ons aan op de dienst fertiliteit, en pas tussen 12 en half 1 verlaten we het ziekenhuis weer. Wat in die tijd allemaal gebeurt, is iets tussen de dokter, manlief en mij.
En dan, zou je denken, zit het er op… Niets is minder waar, dan begint het nog maar pas. Het ergste moet dan nog komen: de wachtweken. Gedurende de komende veertien dagen kunnen we – naast drie pilletjes per dag – niets anders doen dan wachten. Wachten en hopen dat er binnenin mijn buik ondertussen iets kleins begint te groeien. Elke dag opnieuw opstaan met net dat beetje extra hoop. Hoop doet leven, dat wordt toch gezegd, en laat leven nét datgene zijn dat we nodig hebben daar binnenin.

De vijf voorbije keren werden die wachtweken telkens afgesloten met diezelfde ongenode gast waarmee de hele rimram begon. Het is een echte party pooper, die met z’n intrede telkens alle beetjes hoop die we de weken voordien bij elkaar hebben gesprokkeld als sneeuw voor de zon doet verdwijnen. Er vloeien tranen – véél tranen – en de hele wereld draait even door zonder ons. Het liefst van al zouden we op dat moment onze koffers willen pakken en vertrekken. Zomaar, even weg van alles, alleen wij en ons verdriet. Maar keer op keer vegen we onze tranen weg, bijten we op onze tanden en draaien we langzaam maar zeker weer mee met de rest van de wereld. Want die ongenode gast kondigt ook een begin aan, het begin van een nieuwe cyclus, een nieuwe kans. Story of our life: fall apart, then start again…

PS: ondertussen zijn de wachtweken van IUI-poging 6 begonnen, dus sprokkelen we weer alle beetjes hoop bij elkaar. Fingers crossed en kaarsjes branden dus…

Difficult roads often lead to beautiful destinations

Hoewel onze wegen elkaar eerder al eens kruisten, begon ons leven samen een goeie twaalf jaar geleden. Manlief en ik hadden tot die tijd elk onze eigen weg bewandeld, maar na die ene kus in het jeugdhuis stond het voor mij vast dat onze wegen niet meer zouden scheiden. En dat is tot op de dag van vandaag nog steeds waar ik – misschien zelfs nog meer dan toen – in geloof. Meer zelfs, onze wegen zijn samengesmolten. Het is er eentje geworden, één weg, die van ons samen.

We hadden ons nooit kunnen inbeelden hoe onze weg zou lopen. Nochtans had ik daar jarenlang een heel duidelijk beeld van. We zouden studeren, onze diploma’s behalen, een job vinden dicht bij het huis van onze dromen, trouwen en als kers op de taart kinderen krijgen. Twee. Een meisje en een jongen, als het even zou kunnen. We fietsten door onze studies heen en bolden op de tonen van Mia langs ons eerste appartementje en ons droomhuis verder in de richting van onze mooiste dag. Soms leek het alsof we in een sportwagen zaten, zo vlot leek alles wel te gaan. Geen hobbels in de weg, geen onverwachte omwegen. Zelfs MS kon – hoeveel moeite die ook deed – ons niet van onze route laten afwijken. Life was good! Na onze mooiste dag schakelden we dan ook naar een hogere versnelling voor het vervolg van de trip of our life.
Wisten wij veel dat er nog een lang parcours vol haarspeldbochten en hindernissen voor ons lag… Nadat de weg in oktober 2016 zelfs tijdelijk volledig onderbroken was en we genoodzaakt waren om weer opnieuw te beginnen waar we een klein jaar voordien waren vertrokken, durfden we niet meer vol op het gaspedaal te duwen. We werden voorzichtiger, berekender, maar waren vastbesloten om niet op te geven. Na weer een dikke tien maanden besloten we om hulp in te roepen. We schakelden onze gynaecologe in die ons de weg zou wijzen naar datgene wat we zo graag wilden. GPS-gewijs, want we hielden zelf het stuur in handen. Met een goede GPS zouden we er wel geraken, daar waren we vast van overtuigd.
Niets was minder waar. Half oktober werd onze route herberekend en verwees onze gynaecologe ons door naar de fertiliteitsarts van hetzelfde ziekenhuis. We waren  genoodzaakt om het stuur uit handen te geven. De enige ritjes die we nu nog zelf ondernemen zijn de ritjes naar de ziekenhuizen, en vanaf daar nemen de dokters het over. Omdat het moet, niet omdat we willen. Het zijn geen sit-back-and-relax uitjes, dat kan ik je wel vertellen. Het weegt. We weten vaak niet wat de datum is, maar kunnen wel op élk moment zeggen de hoeveelste dag van mijn cyclus het is. We tellen niet meer met maanden, maar met cyclussen. We leven van doktersafspraak tot doktersafspraak. Het beheerst ons hele leven.
Ondertussen worden we ingehaald. Het lijkt wel alsof iedereen ons moeiteloos voorbij zoeft. De zwangerschaps- en geboorteaankondigingen volgen zich in sneltempo op, als megasize-billboards langs onze weg. De ene keer rijden we er snel voorbij, de andere keer zetten we ons even aan de kant om onze tranen de vrije loop te laten. Stiekem, zonder dat de mensen rondom ons het zien. Want we gunnen iedereen dat grote geluk van een eigen gezinnetje. Ik voel me vaak schuldig. Ik wil niet dat anderen merken dat we het moeilijk hebben met iets wat een ander zo gelukkig maakt. Ik ben egoïstischer geworden, een eigenschap waar ik niet trots op ben maar wel eentje die nodig is om door te blijven gaan.
Het doet pijn, ook al willen we dat niet, om iedereen te zien op de ene plaats waar wij graag zouden willen zijn. We zouden werkelijk alles geven om er te geraken, want het lijkt me een heerlijke plaats. En zeg me niet dat er ook nadelen zijn, want die preek heb ik al vaak moeten aanhoren. Geloof me wanneer ik zeg dat alles over zou hebben voor 9 maanden ochtendmisselijkheid gevolgd door slapeloze nachten en vermoeiende dagen, kakpampers en huilconcerten. Zeg me alsjeblieft nooit (meer): “Wacht maar tot je zelf kinderen hebt!” Want wachten is alles wat we op dit moment kunnen doen.

Onze weg, die er een dikke 12 jaar geleden zo mooi en veelbelovend uit zag, ziet er in geen enkel opzicht uit zoals ik me hem had voorgesteld. Het is een hobbelig parcours vol onvoorspelbare bochten en omleidingen geworden. En weet je wat? Het is kak!
Gelukkig is er één iets dat na al die tijd nog exact hetzelfde is, en dat is dat ik die weg nog steeds samen met manlief afleg. Elk hobbeltje, elke bocht, elke onverwachte stop en elke omleiding hebben we samen doorstaan. En dat is wat me nog elke dag doet geloven in een goede afloop. Hoe moeilijk onze weg ook is, ik ben er vast van overtuigd dat we er na dit helse parcours zullen geraken en dat er een mooie toekomst is weggelegd voor ons, met ons eigen kleine gezinnetje.

 

 

Because maybe, you’re gonna be the one that saves me

Beste nieuw jaar. Liefste tweeduizend achttien. Ik schrijf je een brief. Geen nieuwjaarsbrief, daarvoor ben je al net-niet-nieuw-genoeg meer. Gewoon, een brief. Om je te vertellen wat jij in jouw 27-dagen-korte leventje al in je me hebt losgemaakt. En om je iets te vragen.

Jouw voorgangers hebben me geen goed gedaan. Vooral tweeduizend zeventien was er eentje met meer downs dan ups. Ik voelde me dan ook echt niet goed in mijn vel de laatste maanden. Vermoeidheid maakte zich meer en meer meester van mijn lichaam en doemdenkerij nestelde zich in mijn hoofd. Het zat me niet mee, het zat ons niet mee, en dat heeft z’n sporen nagelaten. Sporen in mijn lijf, in mijn gedachten en in mijn hart.
Het liet ook z’n sporen na op mijn blog. Of beter gezegd: geen sporen, ik schitterde vooral door afwezigheid. Want wat kon ik schrijven? Dat er met periodes dagelijks tranen waren voor wat er niet was? Dat ik me ellendig voelde? Dat ik me steeds weer afvroeg wanneer ik een antwoord zou krijgen op de eeuwige “waarom”-vraag? Zelfbeklag en zelfmedelijden staan me niet, dus liet ik het schrijven achterwege.
Jouw voorgangers zorgden ervoor dat ik bij het naderen van jou als shiny new year niet meer durfde geloven in de nieuwe start die jij met je zou meebrengen. Jaar na jaar geloofde ik er in, en jaar na jaar werd ik teleurgesteld. Dus besloot ik begin december van het vorige jaar al dat weer zo’n nieuw jaar niet bijzonder of speciaal was. Maar oh, wat heb ik me daar vergist. Van zodra je er was, werd het immers al snel duidelijk dat jij wel eens dat ene jaar zou kunnen zijn. Dat jaar waarin alles anders wordt, in alle mogelijke opzichten. Dat jaar waar ik al jarenlang naar uitkijk.
Je staat nog maar in je kinderschoenen, tweeduizend achttien, en toch maakte je al heel wat in me los. Eerst liet je me springen. Ik waagde een grote sprong, zo eentje met kriebels in de buik. Ondertussen werd het me duidelijk dat die sprong geen dag te vroeg kwam. Dat het tijd was om die sprong te wagen. En waar ik uiteindelijk terecht kom? Dat zie ik dan wel weer. Wat ik wel weet is dat het sowieso op mijn spreekwoordelijke pootjes zal zijn, hoe dan ook. Want als er iets is dat jouw voorgangers me hebben geleerd, is het dat wel.
Na de grote sprong liet je me hakken. Een knoop die al een paar maanden in de weg zat werd doorgehakt. Het is één van de meest egoïstische dingen die ik ooit deed – of zo voelt het toch – maar het moest. Ik moet er nog aan wennen, aan die knoop die ik onverbiddelijk heb doorgehakt. Enerzijds doet het deugd dat hij niet meer in de weg ligt, anderzijds voel ik me schuldig omdat het doorhakken van die knoop ook gevolgen heeft voor de mensen rondom mij. Maar ik weet waarvoor ik het deed, en dat dat dubbele gevoel snel zal verdwijnen wanneer het uiteindelijke doel wordt bereikt.
Het feit dat jij me in die kleine maand al dingen liet doen die ik maandenlang (misschien zelfs jarenlang) niet voor mogelijk hield, maakt dat ik je steeds leuker ga vinden, tweeduizend achttien. Je bent anders dan de vorige jaren, dat is me alvast duidelijk.

Dus wil ik je iets vragen, lief jaar. Wil je me blijven verrassen? Wil je dat ene jaar worden? Je weet wel, dat jaar dat ook wel eens “mijn jaar” wordt genoemd. Ik kan het gebruiken, dat soort jaar. En aangezien ik je nu al leuk vind, ben jij het ideale jaar om die rol te vervullen, denk je ook niet? Want jij zou wel eens dat jaar kunnen zijn dat me weer wat meer “ik” kan maken. Het jaar dat me, na de ravage die jouw voorgangers hebben aangericht, zal redden…

Ik kijk er alvast naar uit!
Veel liefs,
M.

PS: als je dan toch bezig bent, gooi je er dan als het even kan een paar nieuwe M’etjes bij? Van die M’etjes waar ik blij van wordt, voor de verandering. Daar wacht ik al even op. Alvast bedankt!

Plot twist, please…

“Weer niets”, denkt ze wanneer ze de rode vlek op het toiletpapier ziet. Ze weet niet de hoeveelste keer het is dat de hoop die de afgelopen twintig-en-nog-wat dagen gekoesterd werd in één oogopslag vervliegt. Ze is gestopt met tellen. Elke keer is er sowieso één te veel.

Soms lijkt het alsof ik in een film zit. Een film waarin Mia de soundtrack is die me meeneemt door alle memorabele momenten in het leven van my hubby and me. Nadat de lange historie vóórdat we ons leven samen begonnen in fastforward-modus werd vertoond, begon onze film met de eerste kus in het jeugdhuis. Vanaf dan werd er alleen maar naar een climax toe gewerkt: studeren, werken, appartementje, ons huis, Vicje, dé vraag, … Om dan tot een anticlimax te komen met de intrede van MS in ons leven. Ongeloof, boosheid, maar gelukkig ook een stevige dosis optimisme speelden de hoofdrol in de scènes die op deze anticlimax volgden. En zoals het een goede film betaamt kwam er na deze anticlimax een happy end: onze mooiste dag. Ta-daa! Feest, tranen met tuiten, de hele rimram. En we leefden nog lang en gelukkig.
Nadat het eerste deel van onze film zo’n mooie afloop kende, konden we niet wachten om er een vervolg aan te breien. Dus begonnen we vol goeie moed, en met véél plezier, aan the sequel. Weer werd er naar een climax toe gewerkt, met als hoogtepunt de mooiste plus die we ooit zagen. We zouden een nieuw personage mogen verwelkomen. Al snel zaten we op onze roze wolk, die razendsnel naar het volgende hoogtepunt begon te stijgen. Niemand die onze film vol spanning volgde had kunnen denken dat er na het horen van onze soundtrack in de wachtkamer van de gynaecoloog weer een anticlimax zou volgen. Onze zeemzoete romantische komedie à la “what to expect when you’re expecting” kreeg plots een drastische scriptaanpassing, wat ons middenin het meest trieste drama deed belanden. Maar we probeerden optimistisch te blijven. Want de meeste drama’s die je in de bioscoop ziet krijgen een happy end. Het was gewoon een kwestie van tijd, zeiden we, vooraleer ook onze tweede film zijn happy end zou krijgen. En in ons geval zouden we hier ook zelf iets aan kunnen doen. Dus gingen we weer “aan de slag”, vastberaden dat we dit script zelf weer zouden kunnen herschrijven naar een verhaal met lang en gelukkig aan het einde.
Maand na maand ging voorbij. Cyclus na cyclus werden we teleurgesteld. Weer niks, was elke keer het verdict. Onze film werd stilaan langdradig. Deprimerend zelfs. Ondertussen zijn we een jaar verder. 12 maanden lang wachten we al op het moment waarop er weer een roze wolk langskomt die ons weer richting happy end zal voeren. Om de zoveel weken lijkt het of die wolk in zicht is, maar telkens gaat ze weer op in het niets nog voordat we ze goed en wel kunnen zien…

Ze komt de kamer binnen en schudt haar hoofd. Hij weet meteen wat dat betekent. Hij staat op en neemt haar in zijn armen. De tranen prikken in zijn ogen wanneer hij voelt dat haar schouders zachtjes beginnen te schokken. “Ooit”, fluistert hij, “maar wanneer?”

 

Our hearts sing a song incomplete until another heart whispers back

Ik heb het nooit geweten. Ik dacht nooit dat het kon. Maar nu voel ik het elke minuut, elke seconde van elke dag. Ik zie het in ons huis. In zijn lege armen, en in de mijne. Ik voel het in mijn hart, in mijn hele lijf en leden. Ik wist niet dat het zoveel pijn kon doen. En ik zou er alles voor doen om te horen dat het ooit zal overgaan.

De datum is voorbij. Oef. Dat zeg ik dan. Maar ik voel het niet. Want ik had gehoopt dat 28 april een nieuw begin met zich mee zou brengen, een nieuw hoofdstuk waarin ons engeltje de plaats in ons hart wel zou behouden maar stilaan minder door mijn hoofd zou spoken. Enerzijds is dat wel zo. Anderzijds wordt het gemis steeds groter.
En zichtbaarder. Want naast het gemis dat we voelen in ons hart, zien we het ook steeds duidelijker. We zien het aan het park dat er niet staat in de woonkamer. Aan de eetstoel die niet bij aan de tafel in de eetkamer staat. Aan de babykamer waarin nu het wasrek staat, met daaraan geen enkel kruippakje of rompertje. Aan de doos met onaangeroerde babyspullen. In elk hoekje van ons huis vinden we wel iets waar het gemis het uitschreeuwt.
Het is niet eerlijk. Ik heb die uitspraak altijd verafschuwd, ze heeft “zelfmedelijden” written all over it, en toch neem ik de woorden die ik zelf nooit heb kunnen horen nu zelf in de mond. Want het is geen statement dat ik hier wil maken, maar het is gewoon zo: het leven is niet eerlijk. Voor de ene draait dat positief uit, voor de andere dan weer negatief. Manlief en ik hebben lang gedacht dat wij bij die eerste categorie hoorden. Jarenlang ging het ons voor de wind, alles leek mee te zitten, en we vroegen ons af waar we dat aan hadden verdiend. Dat hadden we dus blijkbaar niet. En dan zodra het leven door had dat we al te veel van het geluk hadden mogen proeven, begon het langzaam maar zeker stukjes geluk terug af te nemen. Eerst stuurde hij MS op ons af om roet in het eten te gooien, en wanneer het door had dat zelfs dat ons niet van de wijs kon brengen – want we mochten toch wel echt van geluk spreken dat het niets erger was dan dat – besloot het het enige wat we écht wilden van ons af te pakken.
Want oh, wat willen we het graag. Echt mama zijn, en echt papa zijn. Ik vraag me af of we het goed zouden doen, en elke dag doet het zo ongelooflijk veel pijn dat we nog geen kans kregen om dat uit te zoeken. Mijn hart breekt elke keer terug een beetje wanneer we dromen over hoe het zou kunnen zijn. Hoe het had moeten zijn. Lange wandelingen met de kinderwagen. Slaapliedjes en lieve woordjes. Heerlijke knuffels en zachte kusjes. Het leven bracht ons niets van dat alles. In plaats daarvan kregen we die lege plekjes in ons huis, de lege plek in onze armen en de grote lege plek in ons hart.

We missen iets dat we nooit echt hadden. Ik wist niet dat dat kon. Laat staan dat ik een idee had van hoeveel pijn het zou doen. Ons leven is niet compleet. Ik voel me, hij voelt zich, wij voelen ons onvolledig. En ik vraag me elke dag af: wanneer dan wel? Wanneer is dat gevoel voorbij? Wanneer zal ik écht mama mogen zijn, en hij papa? Want alles wat ik vraag is de kans om al die lege plekjes op te vullen, in ons huis en in ons hart…