IVF GOT YOU

In wat lijkt alsof het gisteren was en tegelijk in een ver verleden ligt, begon ons verhaal samen. Hoewel we jarenlang naar jou hebben uitgekeken, is het met momenten werkelijk onwezenlijk dat je nu bij ons bent. Maar je bent er, en je was vanaf onze eerste minuut samen het middelpunt van onze wereld …

Het was 17 januari. Literair gezien zou het gepast zijn moest ik hier beschrijven hoe het weer was die dag, maar die informatie moet ik je jammer genoeg schuldig blijven. Ik was op van de zenuwen, en had enkel oog voor mijn telefoon. We zouden immers een telefoontje krijgen van de embryoloog van het UZA – jouw eerste ‘babysitter’, om het maar even zo te noemen – en zouden we te weten komen of die dag dé dag zou zijn. Een dikke maand eerder waren er drie piepkleine embryo’s in de diepvries gegaan, en die dag zou er – als alles goed verliep – eentje terugkomen naar waar het thuishoorde: in het warme nestje binnenin mijn buik.
Om ongeveer 20 minuten na 9 klonk het geluid van mijn telefoon. Su-per-luid doordat ik het geluid loeihard zette uit het schrik om het telefoontje te missen, maar het was niet dat dat mijn hart even stilzette. Het was het nummer dat verscheen: het nummer van de dienst Reproductieve Geneeskunde van het Universitair Ziekenhuis in Antwerpen. De laborant aan de telefoon klonk opgewekt. Terecht, bleek al snel, want ze mocht goed nieuws brengen. Het embryo dat een aantal uren voordien uit z’n winterslaap werd gehaald, deed het goed. En dat betekende dat we mochten vertrekken. Moesten vertrekken. En wel zo snel mogelijk.
Dolgelukkig belde ik manlief op en bracht ik hem op mijn beurt het goede nieuws. Met tranen in de ogen, want we waren zo blij dat we deze keer al zo ver waren geraakt. Na het korte telefoontje griste de tas die ik de avond voordien al had klaargemaakt van de tafel en checkte voor de misschien wel honderdste keer of de inhoud volledig was. Drinkbus gevuld met water. Check. Zakdoekjes. Check. Paspoort, UZA-kaart, papieren. Check, check en check. Ready to go!
Ik pikte manlief op van zijn werk, en samen zetten we koers richting Edegem. Over de heenroute kan ik je niet meer vertellen dan het feit dat ik me vooral richtte op drinken, drinken en nog meer drinken. De reden daarvoor word je verder in dit verhaal wel duidelijk … Eenmaal aangekomen, bleek dat we op een wel erg druk tijdstip werden verwacht. Waar we anders makkelijk een plaatsje vonden, was nu nergens een vrije parkeerplaats te bespeuren. Ik sprong dus alvast uit de auto en zette een snelle pas richting de ingang van het ziekenhuis in, terwijl manlief ietwat zenuwachtig en lichtjes geïrriteerd door de rij- en parkeerkunsten van zowat alle andere bezoekers van het UZA de zoektocht naar een parkeerplaats voortzette.
Wanneer ik aan de rij stoelen aan het einde van de gang aankwam, kreeg ik niet de kans om me rustig neer te zetten. Het leek wel alsof iemand onze komst had aangekondigd, want van zodra ik de automatische schuifdeur passeerde werd die van binnenuit geopend en weerklonk mijn naam. Terwijl ik met een samenraapsel van woorden – je kunt het nauwelijks een zin noemen – uitlegde dat manlief nog onderweg was, loodste de verpleegster me binnen in de ruimte waar de embryo-transfer zou plaatsvinden. Nadat ze me verzekerde dat ze op mijn wederhelft zouden wachten, kon ik me weer focussen op datgene dat er echt toe deed: de ontmoeting met dat sterke embryo dat de ijstijd had overleefd.
Het duurde niet lang vooraleer manlief ons vervoegde – buiten adem en minstens even zenuwachtig als ik – en nadat er weer heel wat over en weer werd gegooid met namen en geboortedata, werd het labo-luikje geopend. De embryoloog die ik iets meer dan een uur geleden aan de telefoon had gesproken checkte diezelfde namen en geboortedata nog een laatste keer, vertelde nog eens hoe sterk je wel was om je dan aan de dokter door te geven. Je was ini-mini-klein, niet te zien met het blote oog, maar ons hart maakte kleine sprongetjes wetende dat we je zo dadelijk mee naar huis zouden mogen nemen.
De terugplaatsing verliep vlot. Mijn goed gevulde blaas had er vast iets mee te maken (ik zei je dat het nog duidelijk zou worden), maar ik wil vooral geloven dat ook jij je uiterste best deed om alles goed te laten gaan. Van zodra je op je plaats zat, mochten we samen met jou weer naar huis rijden. En oh, wat voelde dat goed. Beter dan ooit tevoren. Ik herinner me dat ik tijdens de terugrit tegen manlief zei: ‘Dit zit goed. Het voelt goed. Dit moét ‘m zijn …’

De dag nadien vierden we feest. Manlief was jarig, dat was sowieso een reden om te vieren. Maar we wilden ook klinken op jou. Op een goede afloop. Of beter nog: op het nieuwe begin, waarvan we hoopten dat jij zou meebrengen. Vanaf het moment dat jij bij mij was, was ik mogelijk zwanger. Ik moest me dus – ook al wisten we nog niet zeker dat je je in mijn buik zou nestelen – gedragen als een zwangere vrouw. Naast de cava werd er dus ook een alcoholvrij alternatief ontkurkt en op de tafel stonden alleen hapjes die preggo-proof waren. Hoewel me dat voordien altijd een dubbel gevoel gaf, dat doen-alsof-ik-zwanger-was terwijl het evengoed op niets kon uitdraaien, voelde ik me er deze keer prima bij. Je zat al een dag in mijn buik, en ik voelde me steeds zekerder van mijn stuk: jij zou voor altijd bij ons blijven. Maar dat zei ik alleen maar tegen manlief. Ik wilde mezelf behoeden voor al te veel overmoed en bovendien wilde ik de rest van de familie niet té veel hoop geven.
In totaal volgden er na deze dag nog negen dagen waarop we alleen maar konden wachten. Het enige wat we konden doen, was hopen dat jij intussen een lekker warm plekje had gevonden om je gezellig in te nestelen. Dat je even goed verder zou groeien als je vlak na je winterslaap in het labo van het UZA had gedaan. En dat je het zo fijn zou vinden in mijn buik, dat je het zou zien zitten om er nog een tijdje te blijven zitten. Terwijl ik het nu typ, lijkt negen een belachelijk klein aantal dagen dat zo voorbij is. Maar op dat moment leken de uren dagen te duren, en de dagen weken. We probeerden ons op ons werk te focussen, maar elke avond in de zetel konden we maar aan één ding denken, over één ding praten: wat zou het resultaat van de zwangerschapstest volgende maandag worden? Zat ons gevoel goed, of zaten we er helemaal naast? Beeldde ik me alleen maar in dat jij je daar volop aan het innestelen was, of was het effectief zo? Het waren helse dagen, waarin we zweefden tussen hoop en wanhoop …
De laatste twee dagen voordat ik naar het ziekenhuis zou moeten voor de zwangerschapstest, hebben manlief en ik elkaar niet gezien. Hij ging naar jaarlijkse traditie op ‘mannenweekend’, terwijl ik het weekend gezellig thuis doorbracht met het hondje. We wisten dat, wanneer we elkaar terug zouden zien, we ‘het telefoontje’ zouden moeten plegen. En dat maakte dat we enerzijds enorm naar ons weerzien maandag uitkeken en er tegelijk toch ook tegenop keken. Het knagende gevoel van wachten, dat was de enige zekerheid die we hadden. Welk gevoel die plaats zou innemen, dat was voorlopig nog een vraagteken.

Maandag 28 januari 2019. Om half negen ’s ochtends meldde ik me al aan in het ziekenhuis van Herentals. Ik kon de hele routine intussen al met m’n ogen dicht doen: de auto parkeren, het parkeerkaartje en de autosleutel netjes wegstoppen in mijn handtas, door de grote draaideur naar binnen, rechtsaf en de trap naar de eerste verdieping nemen, mezelf aanmelden en met de etiketjes in mijn klamme handen naar de verpleegpost van de dienst gynaecologie gaan. Het was maar goed dat ik dat alles met mijn ogen dicht kon, want ook hier hebben de zenuwen gaten in mijn geheugen achtergelaten. Ik weet hoegenaamd niet meer welke verpleegster de naald in mijn arm heeft geprikt om bloed te nemen en wat ze heeft gezegd. Ik weet zelfs niet meer op welke stoel ik zat. Alles wat ik nog weet, is dat ik zei: ‘Je moet mij niet opbellen, ik bel zelf wel voor het resultaat.’ Ik wilde immers samen met manlief het resultaat te weten komen, en wilde niet het risico lopen dat ze me zouden opbellen voor zijn thuiskomst.
Na de bloedname reed ik weer naar huis en probeerde ik me op mijn werk te concentreren. Tevergeefs. Mijn gedachten dwaalden steeds weer af, en ik kon het niet laten om elke paar minuten te checken hoe laat het was. Vanaf elf uur zou het resultaat beschikbaar zijn, en ook rond die tijd zou manlief thuiskomen. Het zekere gevoel dat ik daags voordien nog had, verdween stukje voor stukje met elke seconde die wegtikte en ons daardoor dichter bij het moment van de waarheid bracht …
Om tien over elf reed onze wagen de oprit op, met daarin een echtgenoot die zo mogelijk nog meer zenuwen had dan ik. Hij liet zijn koffers in de auto zitten en kwam meteen naar binnen. Na een kus en een snelle knuffel, besloten we om meteen door de zure appel te bijten. Het nummer van de dienst gynaecologie kende ik intussen uit mijn hoofd. Terwijl de telefoon overging, hoopte ik vurig dat ik deze keer niet naar het wachtmuziekje – waarvan ik elke noot kon meezingen – zou hoeven te luisteren. Elke seconde die wegtikte, was er één te veel. Met een ‘goeiemorgen, raadpleging gynaecologie’ kreeg ik gelukkig meteen iemand aan de lijn. Omdat ik het nieuws, of dat nu goed of slecht zou zijn, graag van de gynaecoloog zelf zou horen, vroeg ik om me door te verbinden. Ook hier werd de telefoon gelukkig meteen opgenomen. Na het aframmelen van mijn naam en geboortedatum, had de dokter al snel het juiste dossier voor haar op het scherm. ‘Dat resultaat is inderdaad binnengekomen, ik heb alleen nog niet de tijd gehad om het te bekijken’
klik
klik

kuch

dubbelklik

(Waarschijnlijk werken de computers in het ziekenhuis sneller dan ik hier doe uitschijnen, maar in onze herinnering ging het echt tergend traag) …

Proficiat, mevrouw! U bent zwanger!
Of ik veronderstel dat ze dat zei. Na ‘proficiat’ heb ik niets meer gehoord. Ik vroeg haar minstens drie keer of ze wel zeker was. Of ze mijn dossier wel voor zich had. Of dat echt wel het resultaat van mijn bloedname was. En ik knikte naar manlief. Ik knikte mezelf bijna een whiplash, terwijl de tranen van geluk over mijn wangen stroomden. Om dan een stortvloed aan dank-u-wels door de telefoon te sturen vooraleer op het rode telefoontje op mijn scherm te duwen. Ik knuffelde manlief haast tot moes, en hij mij. En daar, tussen ons in, daar zat jij. Veilig en wel in mijn buik. In jouw nestje. En daar zou je nog een hele tijd blijven zitten …

Our hearts sing a song incomplete until another heart whispers back

Ik heb het nooit geweten. Ik dacht nooit dat het kon. Maar nu voel ik het elke minuut, elke seconde van elke dag. Ik zie het in ons huis. In zijn lege armen, en in de mijne. Ik voel het in mijn hart, in mijn hele lijf en leden. Ik wist niet dat het zoveel pijn kon doen. En ik zou er alles voor doen om te horen dat het ooit zal overgaan.

De datum is voorbij. Oef. Dat zeg ik dan. Maar ik voel het niet. Want ik had gehoopt dat 28 april een nieuw begin met zich mee zou brengen, een nieuw hoofdstuk waarin ons engeltje de plaats in ons hart wel zou behouden maar stilaan minder door mijn hoofd zou spoken. Enerzijds is dat wel zo. Anderzijds wordt het gemis steeds groter.
En zichtbaarder. Want naast het gemis dat we voelen in ons hart, zien we het ook steeds duidelijker. We zien het aan het park dat er niet staat in de woonkamer. Aan de eetstoel die niet bij aan de tafel in de eetkamer staat. Aan de babykamer waarin nu het wasrek staat, met daaraan geen enkel kruippakje of rompertje. Aan de doos met onaangeroerde babyspullen. In elk hoekje van ons huis vinden we wel iets waar het gemis het uitschreeuwt.
Het is niet eerlijk. Ik heb die uitspraak altijd verafschuwd, ze heeft “zelfmedelijden” written all over it, en toch neem ik de woorden die ik zelf nooit heb kunnen horen nu zelf in de mond. Want het is geen statement dat ik hier wil maken, maar het is gewoon zo: het leven is niet eerlijk. Voor de ene draait dat positief uit, voor de andere dan weer negatief. Manlief en ik hebben lang gedacht dat wij bij die eerste categorie hoorden. Jarenlang ging het ons voor de wind, alles leek mee te zitten, en we vroegen ons af waar we dat aan hadden verdiend. Dat hadden we dus blijkbaar niet. En dan zodra het leven door had dat we al te veel van het geluk hadden mogen proeven, begon het langzaam maar zeker stukjes geluk terug af te nemen. Eerst stuurde hij MS op ons af om roet in het eten te gooien, en wanneer het door had dat zelfs dat ons niet van de wijs kon brengen – want we mochten toch wel echt van geluk spreken dat het niets erger was dan dat – besloot het het enige wat we écht wilden van ons af te pakken.
Want oh, wat willen we het graag. Echt mama zijn, en echt papa zijn. Ik vraag me af of we het goed zouden doen, en elke dag doet het zo ongelooflijk veel pijn dat we nog geen kans kregen om dat uit te zoeken. Mijn hart breekt elke keer terug een beetje wanneer we dromen over hoe het zou kunnen zijn. Hoe het had moeten zijn. Lange wandelingen met de kinderwagen. Slaapliedjes en lieve woordjes. Heerlijke knuffels en zachte kusjes. Het leven bracht ons niets van dat alles. In plaats daarvan kregen we die lege plekjes in ons huis, de lege plek in onze armen en de grote lege plek in ons hart.

We missen iets dat we nooit echt hadden. Ik wist niet dat dat kon. Laat staan dat ik een idee had van hoeveel pijn het zou doen. Ons leven is niet compleet. Ik voel me, hij voelt zich, wij voelen ons onvolledig. En ik vraag me elke dag af: wanneer dan wel? Wanneer is dat gevoel voorbij? Wanneer zal ik écht mama mogen zijn, en hij papa? Want alles wat ik vraag is de kans om al die lege plekjes op te vullen, in ons huis en in ons hart…

Tears are simply the raindrops from the storms inside of us

Ik heb gewacht. Wekenlang heb ik gewacht. Op de eerste dag die ik zou doorkomen zonder tranen. De dag waarop ik van ’s ochtends tot ’s avonds zou kunnen lachen, zonder dipjes waarin het voelt alsof ik elk moment kan instorten. De dag waarop ik kan terugkijken naar onze 6 gelukkigste weken zonder de tijd te willen terugspoelen. Naar de dag waarop ik aan ons kindje zou kunnen denken zonder dat het zo ontzettend veel pijn doet vanbinnen. De dag waarvan het nu lijkt dat hij nooit zal komen.

5 weken. Zo lang is het al geleden dat de vier woorden van de gynaecoloog onze wereld deden instorten. Zo lang al. En zo lang nog maar. Het ene moment lijkt het alsof die 5 weken een eeuwigheid overbruggen, het andere moment lijkt het alsof het gisteren was dat we ’s ochtends nog gelukzalig over mijn buik lagen te wrijven in bed. Hoe dan ook, terugdenken doet nog steeds pijn. Het zorgt nog steeds voor tranen. De ene keer enkele stille tranen die stiekem over mijn wangen rollen, de andere keer onophoudelijk en hartverscheurend snikken. Vooral dat laatste overvalt me op de meest onverwachte en ongewenste momenten. “Komaan M, houd u in…”, denk ik dan. Tevergeefs. Tanden bijten, met m’n ogen knipperen: het zijn slechts middeltjes om de tranen uit te stellen. Ik heb al geleerd dat ze uiteindelijk toch komen. En hoe langer ik het uitstel, hoe talrijker ze zijn.
Ik dacht dat het makkelijker zou worden. En zo voelde het ook even. Nadat de miskraam had doorgezet en ik het vruchtje van ons kindje 4 weken geleden had verloren, voelde ik me elke dag een beetje beter. Kon ik weer vooruitkijken. Lachen. Doorgaan met mijn leven. Dacht ik. Maar het blijft moeilijk. Of ik het nu wil of niet, er kunnen geen 5 minuten voorbijgaan zonder dat ik aan ons kindje denk. Aan wat we hadden, of bijna hadden. Aan wat we niet meer hebben, aan wat we zijn verloren. Aan wat ik was, en nu niet meer ben. Aan wat ik terug wil hebben en terug wil zijn, en dat ik dat alles zó mis.
Het zijn vaak kleine dingen, waar niemand bij stilstaat. De spiegel die me confronteert met mijn platte buik. De broek die ik enkele dagen voor het slechte nieuws van de gynaecoloog kocht die nu toch wel erg los rond m’n middel zit. Het kerst-verlanglijstje waarvoor ik massa’s ideeën had en waarvoor ik nu plots inspiratieloos blijk te zijn. Het reclamefoldertje met babybedjes,autostoelen en luiertafels dat rondslingert in de woonkamer. De tientallen Facebook-pagina’s die ik al had ge-vindikleuk-t. Het lied van onze openingsdans, dat speelde in de wachtkamer van de gynaecoloog enkele minuten voordat de grond onder onze voeten wegzakte. Dingen die voor anderen onopgemerkt voorbijgaan, maar die mijn hart keer op keer weer in tienduizend stukken uiteen laten spatten. En dan bijt ik, en knipper ik. Totdat ik niet meer kan en de tienduizend stukjes van mijn hart een weg naar buiten zoeken in de vorm van tranen. De tranen luchten op. Eens ik het bijten en knipperen opgeef en toegeef aan de tranen, lucht het op. Voor even toch. Totdat de grens weer wordt bereikt.

Ik wacht niet meer. Ik maak me geen illusies meer: dit zal nooit helemaal voorbij zijn. Ik zal me altijd blijven afvragen: wat als…? Ik zal ons engeltje nooit helemaal kunnen loslaten, en dat wil ik ook niet. Maar de pijn, die wel. Ik blijf geloven dat er ooit een dag zal komen waarop ik het kan. Ooit, nu nog niet. Maar ooit…

The world around you moves on as if your life was never shattered – and all you want the world to do is say that your baby mattered

Het nieuws dat het hartje van ons kindje niet meer klopte, sloeg in als een bom. Een bom die alle dromen die we hadden over ons kindje, ons gezinnetje, in 1 slag verwoestte. Alsof dat nog niet erg genoeg is, moet je deze bom nadien zelf ook nog een paar keer droppen. Bij familie, vrienden, collega’s, … We hadden het nieuws van ons kleine gelukje al met heel wat mensen rondom ons gedeeld, wat betekende dat we nu dit nieuws nog vaak zouden moeten herhalen. En daar keken we ontzettend tegenop. En toch…

Na het plusteken, de positieve bloedtesten bij de huisarts en de eerste echo op 7 weken, was het moeilijk om ons geluk nog lang voor onszelf te houden. Begin september hadden we al een aantal mensen ingewijd die ons heel nauw aan het hart liggen, maar we hadden afgesproken om het grote nieuws pas mee te delen aan onze vrienden en de rest van de familie op mijn verjaardag. Dan stond er sowieso een feestje gepland. Oké, dan zou ik nog maar 10 weken zwanger zijn, en niet de 12 weken die vaak als mijlpaal worden gezien om dit nieuws aan de grote klok te hangen, maar wat was de kans dat er nog iets zou mislopen? Dachten we toch… En áls er iets zou mislopen, zouden we toch een vangnet nodig hebben? Mensen die zouden begrijpen waar we door zouden moeten, waarmee we zouden kunnen praten, … Maar we gingen er hoofdzakelijk van uit dat er niets meer mis zou gaan. Dus, zo gezegd, zo gedaan. Op mijn verjaardagsfeestje kondigde de hubby op zijn typische hij-manier aan dat ik zwanger was. Het nieuws kwam voor een aantal vriendinnen al niet meer als een verrassing, zij hadden immers al een sterk vermoeden doordat ik al een aantal weken geen druppel alcohol meer aanraakte wanneer we uitgingen. Niet dat ik anders een drankorgel ben, maar ik lust in het weekend toch wel een lekker biertje of een glaasje wijn. Ik was dus al door de mand gevallen, wat ik wel had verwacht. Voor een aantal anderen kwam het dan weer wel als een verrassing, hoewel onze kinderwens geen geheim was. In ieder geval, iedereen zag hoe gelukkig we waren en wenste ons het allerbeste toe. Na de turbulente periode het laatste anderhalf jaar gunde iedereen ons ons geluk des te meer. En nu iedereen op de hoogte was, hadden we nog meer het gevoel op wolkjes te lopen.
Na het nieuws bij de gynaecoloog waren niet enkel de wolkjes maar ook de grond onder onze voeten weggezakt. Ik heb nog nooit zo’n immens verdriet gevoeld. Ik wist niet dat dit zoveel pijn kon doen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik daar nooit bij had stilgestaan wanneer ik hoorde dat iemand een miskraam had gehad. Ik besefte wel dat het verschrikkelijk moest zijn om zoiets mee te maken, maar niet dat zelfs dat woord betekenisloos lijkt tegenover het verdriet waar je op dat moment mee om moet gaan. Ik weet nu en kan met 100% zekerheid zeggen dat, hoe empathisch en meevoelend iemand ook kan zijn, niemand weet hoe het voelt als je het zelf nooit meegemaakt hebt. Want wat voor de buitenwereld nog maar pril lijkt, erg klein is, nog geen “echt kindje” is, misschien bij wijze van spreken “nog niet echt iets is”, was voor ons alles. De 6 weken na het plusteken waren de mooiste van ons hele leven. We voelden ons fantastisch, alsof we de hele wereld aankonden. Onze grootste droom was werkelijkheid geworden en zat in mijn buik. Voor ons was dit niet “pril”, of “nog maar” een embryo of foetus, voor ons was dit een nieuw begin, een nieuw hoofdstuk, een nieuw leven. Ons kindje, waarvan we vanaf de eerste seconde onvoorwaardelijk hielden. Onze toekomst. Ons alles.
We besloten om, nadat we twee weken geleden ons geluk van de dagen schreeuwden, ook het slechte nieuws te delen. Met onze familie. Onze vrienden. Collega’s. En uiteindelijk met de wereld. Nadat we onze naaste omgeving persoonlijk op de hoogte brachten met een bezoekje, een telefoontje of een berichtje, postten we op zondag een berichtje op Facebook. Om aan iedereen te laten weten dat ons kindje een engeltje was geworden. Om aan de wereld te tonen wat voor een immens verdriet we hadden. Een bewuste keuze. Niet de keuze om medelijden op te wekken. Maar de keuze om ons kindje, ons engeltje, een werkelijk deel van onszelf en van de wereld te laten zijn. Ik had in de voorbije twee dagen al gemerkt wat voor een taboe er nog altijd rust op een miskraam als deze, zo vroeg in de zwangerschap. En als er één ding was dat ik niet van ons engeltje wilde maken, dan was het een taboe. Nee, ons kindje moet herinnerd worden, niet enkel door ons maar door iedereen rondom ons. Want er is geen dag in ons leven waarop we gelukkiger waren dan de dagen in de 6 weken waarin we wisten dat ons kindje er aan kwam.
We kregen veel reacties. Heel veel. Hartverwarmend veel. Troostende woorden en berichtjes om ons sterkte te wensen, en dat deed zo’n deugd. Want vanaf dat moment was ons engeltje niet enkel een deel van onze wereld, maar van de hele wereld. En dat was de grootste troost die we ons maar konden wensen: ons kindje had bestaan, en ons engeltje zal altijd blijven bestaan, voor iedereen.

We hebben ons kindje nooit in onze armen kunnen nemen, we hebben het nooit gezien, we wisten nog niet eens of het een jongen of een meisje zou worden. We zullen het ook nooit weten. Maar ons kindje was niet niets, het was alles. Voor ons toch. En dat mag de hele wereld weten. Dat moét de hele wereld weten. Hoewel 1 op 4 vrouwen op een moment in haar leven een miskraam krijgt, wordt hierover bijna niet gepraat. Er rust een taboe op, er wordt over gezwegen alsof deze kindjes nooit hebben bestaan. En dat is het érgste wat er volgens mij na de 4 woorden van de gynaecoloog had kunnen gebeuren: dat ons kindje zou worden dood gezwegen…

Twinkle, twinkle, little star… 

“Ik heb slecht nieuws.” 4 woorden. Meer was er niet nodig. De wereld stond niet stil deze keer. Terwijl de grond onder onze voeten wegzakte, draaide de wereld ditmaal genadeloos door…

Vrijdag 14 oktober moest een mooie dag worden. We werden immers bij de gynaecoloog verwacht voor de 12 weken – echo. Nadat we een viertal weken geleden het hartje van het kleine wondertje in mijn buik al konden zien kloppen, zouden we het vandaag voor het eerst te horen krijgen. We waren dus al van ’s ochtends opgewonden, hoewel de afspraak pas om 15u30 zou plaatsvinden. We keken er allebei zó naar uit om ons kleintje te zien, om te zien hoe hard het gegroeid was de afgelopen vier weken. Ik had mijn buik aanzienlijk zien uitdijen, dus ik was super benieuwd naar wat zich binnenin had afgespeeld. Niets wees erop dat er iets mis zou zijn, ik voelde me geweldig sinds ik het plusteken zag verschijnen op 1 september en op de echo op 7 weken 3 dagen was alles tiptop in orde: het vruchtje was goed ingenesteld en het hartje klopte duidelijk en regelmatig. We hadden dus geen enkele reden om ongerust te zijn, dachten we. Ja, de geplande nekplooimeting baarde ons wel ietwat zorgen, net als de NIPT-test die we zouden laten doen, maar zelfs die zorgen konden ons enthousiasme niet temperen. We keken er al naar uit om de komende dagen vol trots de echo van die dag te tonen aan de grootouders, overgrootouders, tantes, nonkels, aan onze vrienden, …
Het was druk in het ziekenhuis, erg druk zelfs. Ik denk dat ik nog nooit zoveel volk in de wachtkamer zag. Een allegaartje van jonge en oude mensen, zieke en gezonde mensen, mensen met en mensen zonder zorgen. Wij hoorden tot die laatste categorie, zaten een beetje te grappen en te dollen, en waren al helemaal gerustgesteld wanneer we “Mia” hoorden op de radio. “Da’s een goed teken!”, zei ik nog. En zo voelde het ook aan. Nog maar eens een teken dat alles in orde was.
Om kwart voor 4, met een kwartiertje vertraging, kwam het roze appeltje met het nummer van mijn badge op het scherm. Het was aan ons. Nu zou het niet lang meer duren voordat we onze kleine schat te zien zouden krijgen. Na het handjes schudden met de gynaecoloog en de nodige formaliteiten mocht ik plaatsnemen op de onderzoekstafel. De echo zou uitwendig genomen worden, waarvoor ik al blij was. Maar daar beslisten mijn darmen anders over, die lagen hopeloos in de weg. Toch maar inwendig dan… Ik kleedde me uit en nam opnieuw plaats op de tafel. De gynaecoloog deed haar ding, en al snel verscheen ons kindje in beeld. Maar iets klopte niet, dat zag ik meteen. Ik zag het aan de handelingen van de gynaecoloog, die maar bleef zoeken naar andere hoeken om het vruchtje te bekijken. Aan haar gezicht, dat plots een bezorgde frons vertoonde. En aan het beeld: een grijs beeld, waar geen beweging in zat. Geen flikkering, die er vorige keer wel was. Die flikkering, die vorige keer het kloppend hartje toonde. Die was er nu niet. Maar een tiental seconden wilde ik dit alles niet zien, en bleef ik gespannen wachten op het moment waarop de gynaecoloog ons alles zou tonen en van uitleg zou voorzien. Het moment waarop ze het hartje zou laten horen. Het moment dat nooit kwam… Geen uitleg over hoe ons kindje was gegroeid. In plaats daarvan de 4 woorden die niemand wil horen. “Ik heb slecht nieuws.” Waar een kloppend hartje hoorde te zitten, was niets te zien. Het hartje van ons kindje klopte niet meer. Al even niet meer, bleek uit de meting.
De tranen kwamen niet meteen. Dit te horen, was zo onwerkelijk. Dit kon niet waar zijn. Mijn buik was nog gegroeid de laatste weken, dat kon toch niet? Zat het dan allemaal in mijn hoofd? Zag ik wat ik wilde zien? Wanneer het besef langzaam aan binnensijpelde, voelde ik de tranen prikken in mijn ogen. En wanneer ze begonnen te stromen, was er geen stoppen meer.
Ik had nooit durven denken, me nooit kúnnen inbeelden hoe ontzettend veel pijn dit zou kunnen doen. Een stukje van mij, een stukje van hem, een stukje van ons is gestorven. Onze hele wereld draaide de afgelopen 6 weken om ons kindje, ons leven het komende jaar was al uitgestippeld. We waren helemaal klaar voor ons nieuwe leven met ons gezinnetje en keken er zo naar uit om ons kleintje te ontmoeten. We droomden over hoe we samen zouden gaan wandelen, hoe we samen naar zee zouden gaan, hoe we ons kleintje zouden knuffelen, hoe Felix als grote neef zorg zou dragen voor z’n neefje of nichtje, … Zoveel dromen, die zomaar uit elkaar spatten.

Wanneer we de wachtkamer passeerden, zaten er nog steeds veel wachtenden. Nog steeds dat allegaartje. Maar nu hoorden wij bij een andere categorie. Niet meer dat onbezorgde, jonge koppel vol toekomstdromen dat een dik half uur geleden het ziekenhuis binnenwandelde. Die 4 woorden hadden alles veranderd…

Happiness is homemade

Een plus. Een dikke, vette plus. En niet na 20 seconden, zoals de bijsluiter aangaf. Nee, na exact 16 tellen verscheen hij. Wat zich in de 5 minuten daarna afspeelde, kan ik me niet precies meer herinneren. Een wirwar van gevoelens ging door me heen, en ik kon niet uitmaken of ik nu moest lachen of huilen. Dus deed ik het maar allebei…

Donderdag 1 september 2016. Niet het moment om een zwangerschapstest te doen. Mijn laatste menstruatie was nog maar drie weken geleden en de volgende zou er pas eind volgende week aankomen. Toch voelde het alsof er iets niet klopte. Dus trok ik voor de zekerheid na de eerste schooldag naar het Kruidvat en kocht ik twee tests. Eentje om in het weekend te doen – voor de zekerheid – en eentje extra om in de kast te leggen tot het moment waarop we hem écht nodig zouden hebben.
Na het avondeten ging ik naar de praktijk van manlief om te oefenen. Die maakte de zeer subtiele opmerking dat ik toch wel “een buikje” had gekregen. Het laatste jaar was ik alleen maar afgevallen, dus elke gram die er ergens bij aan komt te hangen trekt de aandacht… Een blik in de spiegel vertelde me dat hij niet overdreef, het was een feit: het buikje was terug van weggeweest. En dat zette me aan het denken. Want naast het buikje dat opnieuw van de partij was speelden ook mijn hormonen de laatste weken wel eens op. Zou het… Nee, dat kon niet. “Niet hopen”, herhaalde ik tegen mezelf. Dat had ik de afgelopen maanden eens te meer gedaan aan het einde van elke cyclus, met telkens een teleurstelling tot gevolg.
Toch deed ik de test, meteen wanneer manlief thuis kwam van de praktijk. “Voor de zekerheid”, verzekerde ik hem. De volgende week zou ik immers op zeeklassen gaan, waar ’s avonds wel eens een wijntje werd gedronken en waar ik met de kinderen in de zotste attracties zou gaan tijdens onze daguitstap naar Plopsaland. Ik zou de test puur doen voor mijn eigen gemoedsrust, om me ervan te verzekeren dat ik niets verkeerd kon eten, drinken of doen.
Het was niet onze eerste zwangerschapstest, dus we kenden de hele routine al. Ik verdween met een plastic beker in het kleinste kamertje van het huis, terwijl manlief wachtte in de woonkamer. Gepruts met het plastiekje rond het doosje, de bijsluiter voor de zoveelste keer lezen, opnieuw gepruts met het plastiekje rond de test. Mikken, plassen, test erin en tellen. Eén, en twee, en drie, en vier, … 20 seconden zou ik de teststrip in de urine moeten houden, om dan weer 2 zenuwslopende minuten op het verdict te wachten. Hoewel het wachten ditmaal niet ondraaglijk zou zijn, nam ik mezelf voor. Ik ging er ditmaal namelijk van uit dat het resultaat negatief zou zijn.
Bij de vijftiende tel zag ik dat de vloeistof het venstertje bereikte. Bij tel 16 verscheen er een streep. En nog één. Twee strepen, die elkaar loodrecht kruisten. Een onmiskenbaar plusteken. Ik scheurde de bijsluiter haast in twee wanneer ik hem opnieuw ontvouwde om zwart op wit (blauw op wit, eigenlijk…) bevestigd te zien wat ik zonet had zien gebeuren en vooral: wat het betekende. Plus. Positief. Zwanger.
Met de test in mijn hand en ongetwijfeld een ongelooflijk idiote gezichtsuitdrukking opende ik de deur van de woonkamer. Manlief zag meteen dat het resultaat anders was dan de vorige keren. Wat ik precies heb gezegd, weet ik niet meer. Ik denk dat het niet meer dan enkele onsamenhangende half-afgemaakte zinnen waren, waarna ik hem de test toonde en hem stevig vastpakte. Achteraf vertelde hij me dat ik huilde en lachte tegelijk, en dat ik stond te trillen op mijn benen. Wat ik nog wél weet, is dat ik nooit eerder – en dat meen ik – nooit ofte nimmer zo’n geluk had gevoeld als op dat moment doorheen m’n hele lijf raasde.
Agenda erbij. Wanneer had ik mijn laatste menstruatie gehad? Dat kon geen echte menstruatie geweest zijn… Een innestelingsbloeding dan? Ik vond het al raar dat ik er al na 3 dagen van af was, en dat ik nergens last van had gehad, maar dat was voor mij aanvankelijk geen reden geweest om iets te gaan vermoeden. Maar soit, dan was mijn laatste menstruatie al van voor 20 juli, kort na onze reis. Tellen. Wanneer kan “het” dan gebeurd zijn? We besloten om hiervoor het bloedonderzoek af te wachten in plaats van te gissen, maar telden al even verder. Het zou er eentje worden voor de lente. April, om precies te zijn. Begin, midden of einde van de maand, dat lieten we nog even in het midden.
De volgende ochtend deed ik een tweede test. Voor de zekerheid. Weer dat overduidelijke plusteken, dat ervoor zorgde dat de kriebels in mijn buik zich weer vermenigvuldigden. Nu was er écht geen twijfel meer mogelijk: zo zwanger als wat!
Het bloedonderzoek bij de dokter de dag nadien schepte nog wat meer duidelijkheid. Volgens de waarden in mijn bloed was ik al in de 6e of 7e week van mijn zwangerschap. Dezelfde waarden toonden ook aan dat het vruchtje goed was ingenesteld. Oef. Weer een tikkeltje meer zekerheid.

Sinds 1 september, kwart voor 9 ’s avonds loop ik op wolkjes. Lopen wij op wolkjes. Manlief en ik, en de baby. Het geluk – ons geluk – raast nog steeds door mijn lijf, en I love it…