Het leven door mijn MS-bril

Ik kreeg de vraag van de Jongerenwerking van de MS-Liga om de Instagram Stories van hun account een week lang over te nemen. De bedoeling was om de volgers van deze account – vooral jongeren met MS en hun familie, vrienden, … – 7 dagen lang mee te nemen in mijn leven, om zo in beeld weer te geven hoe ik samenleef met MS.
Ik begon er vol goeie moed aan, dacht dat het een makkie zou zijn. Hoe moeilijk kon het zijn, hier en daar een fotootje nemen en voorzien van een woordje uitleg. Maar ik had het onderschat. Niet alleen was het best tijdrovend – ik ken Instagram en heb ook mijn eigen account, maar ben niet zo’n typische Instagrammer die alles op foto vastlegt en met de wereld deelt – maar tegelijkertijd was het ook erg confronterend. Ik stond weer wat meer stil bij dingen die ondertussen een vanzelfsprekendheid zijn geworden en dacht weer harder na bij alles wat niet meer zo vanzelfsprekend is als het vroeger was. Of ik dat erg vond? Nee, niet zo… Het maakte vooral dat ik aan het einde van de week toch wel best fier was over de manier waarop ik mijn leven met MS deel en het tezelfdertijd ook nog steeds leef. Ik word niet geleefd door MS en al wat die met zich meebrengt, maar ik lééf mijn leven zelf. En dat was de belangrijkste en krachtigste boodschap die ik met diegenen die mijn verhaal een week lang volgden kon meegeven, denk ik.
Ik kreeg ook erg fijne reacties. Mensen die in hetzelfde schuitje zitten die me vragen stelden, die ik op mijn beurt beantwoordde vanuit mijn eigen ervaringen. Mensen met MS die bepaalde situaties vooral erg herkenbaar vonden. En mensen met/zonder MS die me complimenteerden met hoe ik met dit alles omga. Hartverwarmend, werkelijk!

Voor wie geen Instagram heeft, geen volger is van de Jongerenwerking van de MS-Liga (doen, zou ik zeggen!) of dit simpelweg heeft gemist en toch even een kijkje in mijn leven wil nemen, speciaal voor jullie: mijn leven door mijn MS-bril gezien. Met uiteraard de nodige uitleg (once a writer, always a writer…).

img_2082img_2127

img_2132img_2133img_2134img_2135img_2136img_2137img_2138img_2141img_2142img_2143img_2147img_2159img_2160img_2161img_2162img_2163img_2164img_2166img_2171img_2172img_2173img_2174

img_2182

img_2185img_2194img_2195img_2196img_2202img_2203img_2204img_2205img_2206img_2210img_2227img_2228img_2229img_2231img_2232img_2233img_2235img_2237

Because maybe, you’re gonna be the one that saves me

Beste nieuw jaar. Liefste tweeduizend achttien. Ik schrijf je een brief. Geen nieuwjaarsbrief, daarvoor ben je al net-niet-nieuw-genoeg meer. Gewoon, een brief. Om je te vertellen wat jij in jouw 27-dagen-korte leventje al in je me hebt losgemaakt. En om je iets te vragen.

Jouw voorgangers hebben me geen goed gedaan. Vooral tweeduizend zeventien was er eentje met meer downs dan ups. Ik voelde me dan ook echt niet goed in mijn vel de laatste maanden. Vermoeidheid maakte zich meer en meer meester van mijn lichaam en doemdenkerij nestelde zich in mijn hoofd. Het zat me niet mee, het zat ons niet mee, en dat heeft z’n sporen nagelaten. Sporen in mijn lijf, in mijn gedachten en in mijn hart.
Het liet ook z’n sporen na op mijn blog. Of beter gezegd: geen sporen, ik schitterde vooral door afwezigheid. Want wat kon ik schrijven? Dat er met periodes dagelijks tranen waren voor wat er niet was? Dat ik me ellendig voelde? Dat ik me steeds weer afvroeg wanneer ik een antwoord zou krijgen op de eeuwige “waarom”-vraag? Zelfbeklag en zelfmedelijden staan me niet, dus liet ik het schrijven achterwege.
Jouw voorgangers zorgden ervoor dat ik bij het naderen van jou als shiny new year niet meer durfde geloven in de nieuwe start die jij met je zou meebrengen. Jaar na jaar geloofde ik er in, en jaar na jaar werd ik teleurgesteld. Dus besloot ik begin december van het vorige jaar al dat weer zo’n nieuw jaar niet bijzonder of speciaal was. Maar oh, wat heb ik me daar vergist. Van zodra je er was, werd het immers al snel duidelijk dat jij wel eens dat ene jaar zou kunnen zijn. Dat jaar waarin alles anders wordt, in alle mogelijke opzichten. Dat jaar waar ik al jarenlang naar uitkijk.
Je staat nog maar in je kinderschoenen, tweeduizend achttien, en toch maakte je al heel wat in me los. Eerst liet je me springen. Ik waagde een grote sprong, zo eentje met kriebels in de buik. Ondertussen werd het me duidelijk dat die sprong geen dag te vroeg kwam. Dat het tijd was om die sprong te wagen. En waar ik uiteindelijk terecht kom? Dat zie ik dan wel weer. Wat ik wel weet is dat het sowieso op mijn spreekwoordelijke pootjes zal zijn, hoe dan ook. Want als er iets is dat jouw voorgangers me hebben geleerd, is het dat wel.
Na de grote sprong liet je me hakken. Een knoop die al een paar maanden in de weg zat werd doorgehakt. Het is één van de meest egoïstische dingen die ik ooit deed – of zo voelt het toch – maar het moest. Ik moet er nog aan wennen, aan die knoop die ik onverbiddelijk heb doorgehakt. Enerzijds doet het deugd dat hij niet meer in de weg ligt, anderzijds voel ik me schuldig omdat het doorhakken van die knoop ook gevolgen heeft voor de mensen rondom mij. Maar ik weet waarvoor ik het deed, en dat dat dubbele gevoel snel zal verdwijnen wanneer het uiteindelijke doel wordt bereikt.
Het feit dat jij me in die kleine maand al dingen liet doen die ik maandenlang (misschien zelfs jarenlang) niet voor mogelijk hield, maakt dat ik je steeds leuker ga vinden, tweeduizend achttien. Je bent anders dan de vorige jaren, dat is me alvast duidelijk.

Dus wil ik je iets vragen, lief jaar. Wil je me blijven verrassen? Wil je dat ene jaar worden? Je weet wel, dat jaar dat ook wel eens “mijn jaar” wordt genoemd. Ik kan het gebruiken, dat soort jaar. En aangezien ik je nu al leuk vind, ben jij het ideale jaar om die rol te vervullen, denk je ook niet? Want jij zou wel eens dat jaar kunnen zijn dat me weer wat meer “ik” kan maken. Het jaar dat me, na de ravage die jouw voorgangers hebben aangericht, zal redden…

Ik kijk er alvast naar uit!
Veel liefs,
M.

PS: als je dan toch bezig bent, gooi je er dan als het even kan een paar nieuwe M’etjes bij? Van die M’etjes waar ik blij van wordt, voor de verandering. Daar wacht ik al even op. Alvast bedankt!

Life isn’t about waiting for the storm to pass – it’s about learning how to dance in the rain

Sinds maart 2015 draait mijn wereld anders. Ik voel me alsof ik dag in – dag uit, elke dag opnieuw, middenin een storm zit. Een storm waarbij rukwinden, regenbuien, donderslagen en bliksemschichten in sneltempo kunnen afwisselen met perioden van geleidelijke opklaringen. ’s Ochtends zus, ’s avonds zo. Ik word er soms knettergek van. Ik heb lange tijd gewacht. Gewacht totdat de storm zou gaan liggen, verscholen onder een gigantische paraplu. Ondertussen weet ik wel beter. Deze storm zal nooit overwaaien. Wachten haalt niets uit, dat heb ik al geprobeerd, en negeren ook niet. De enige optie die overbleef was om de storm te trotseren. Stap voor stap ontdek ik, leer ik, hoe ik overeind kan blijven.

Ik heb een doos. Jep, een doos. Zo eentje met 21 vakjes: 7 dagen – ochtend, middag, avond. Ik zou ze niet trendy noemen, maar ze is alleszins kleurrijk. In de doos zitten mijn pilletjes, al even bontgekleurd. Het lijkt iets stoms, zo’n doos. Maar ik heb ze nodig. Ik nam nooit, never, jamais medicatie. Zelfs bij hoofdpijn wachtte ik liever af tot die vanzelf weer over ging, in plaats van een pijnstiller te nemen. Nu moet ik elke ochtend en avond mijn medicatie innemen, en mag ik bovendien niet vergeten 1 keer per week mijn capsules vitamine D en B12 te consumeren. Zonder mijn doos vergeet ik dit alles. Niet met opzet, écht vergeten. Ik heb ze dus nodig. En het lijkt banaal, maar het was potverdikke een grote stap, die doos.
Ik heb een dagplanner. Lijkt nu niet echt iets baanbrekend, maar mijn planner gaat net een stapje verder dan de gewone agenda waarmee ik voor het losbreken van mijn storm mijn dagen plande. Van maandag tot vrijdag is mijn dag puntje voor puntje uitgestippeld: wat ik moet kopiëren voor de eerste bel gaat, wat ik moet klaarleggen in de klas, wat ik wanneer moet ophalen, welke telefoontjes ik wanneer moet plegen, welke ouders ik moet aanspreken aan de poort, welke huistaken ik moet meegeven aan het einde van de dag, wat ik na schooltijd doe, … Wat ik niet vooraf plan, gaat verloren in de storm in mijn hoofd. Ik moét op papier zien staan welke to do’s ik heb, of ik vergeet sowieso wel iets.
Ik heb een kinesist. Ja, die had ik al, ik ben er ondertussen ook mee getrouwd. Maar naast het feit dat ik ‘m héb, moet ik er nu ook echt naartoe. Twee keer per week nog wel. Telkens een half uurtje kracht- en evenwichtsoefeningen doen. “Oh leuk, getrouwd met je kinesist!” – en ja, dat is ook zo. Of mijn kine – aka de hubby – dat wel zo fijn vind is nog maar de vraag. Ik ben namelijk niet de makkelijkste patiënt vind hij, wat ik me perfect kan voorstellen. “Oh, handig! Goedkoop, getrouwd zijn met je kinesist!” – wel nee, dat is niet zo… Manlief werkt in een groepspraktijk, waar natuurlijk ook centjes moeten binnenkomen. Met vriendendiensten – of in dit geval echtgenotendiensten – worden geen rekeningen betaald. Dus krijg ik elke zoveel beurten de rekening gepresenteerd voor bewezen diensten, wat toch steeds een flinke hap uit het budget is. Gelukkig bestaat er zoiets als E-pathologie, wat betekent dat ik onbeperkt naar de kine mag (op voorschrift van de dokter uiteraard) en dat ik hierbij recht heb op een verhoogde terugbetaling van het ziekenfonds. En dat is niet enkel handig, maar noodzakelijk. Leven op zich is al duur de dag van vandaag, dus met mijn ongewenste levenspartner erbij zou het zonder tussenkomst van het ziekenfonds onbetaalbaar worden.
Ik ben geen fulltime juf meer. Of toch niet meer vanaf 1 september. Slik. Dit is zonder twijfel de stap die het moeilijkst was om te zetten. Na mijn verblijf in kamer 458 in het AZ Herentals werkte ik ook even halftijds, maar dat was tijdelijk. En zo was dat ook in mijn hoofd: even halftijds werken, om me daarna weer volledig – fulltime – in mijn werk als juf te smijten. Dat deed ik ook, vorig schooljaar. Geen succes. Chaos alom in mijn hoofd, die de storm alleen maar aanwakkerde. Ook mijn lichaam protesteerde, ’s avonds was ik leeg, geen fut meer om te sporten of andere hobby’s. Vermoeide benen, lagerugpijn. Nee, zo kon het niet verder, dat voelde ik zelf ook. Toch was het nodig dat de artsen in de MS-kliniek me dit ook even uitlegden. Om te beseffen dat het écht nodig was om wat rustiger aan te doen. Omwille van de bevestiging: oké, het zit niet tussen m’n twee oren. En om me uit te leggen dat dit geen financiële ramp met zich zou meebrengen, in “mijn geval” zouden er wel enkele mogelijkheden zijn. Want begrijp me niet verkeerd, het is me niet puur om het geld te doen, maar als pasgetrouwd koppel met een lopende lening om onze home sweet home af te betalen én met een kinderwens draaien we elke euro drie keer om vooraleer we hem uitgeven. Om dan terug te vallen op minder loon, al zou het misschien maar 200 à 300 euro zijn, da’s niet vanzelfsprekend – zij het niet onmogelijk. de VDAB voorziet gelukkig een premie: de Vlaamse Ondersteuningspremie, afgekort de VOP. Kort samengevat: voor de uren waarin je vrijgesteld wordt van je werk, krijgt je werkgever een premie waarmee iemand anders ingezet kan worden. Je behoudt je fulltime contract en hiermee dus ook je volledig loon. Natuurlijk moest deze premie aangevraagd worden met een verslag van mijn neurologe in de MS-kliniek, maar al bij al was dit al snel in kannen en kruiken. En maar goed ook, anders zou ik te veel tijd hebben gehad om er over na te denken en had ik het hele proces waarschijnlijk halfweg afgebroken. Want halftijds werken “voor even” vond ik niet zo erg, daarbij had ik nog steeds het vooruitzicht om terug voltijds voor de klas te staan. Maar deze beslissing is definitief. Ik sta nog voor een lange weg met MS in mijn lijf, en moet “nu al” afbouwen. Slik, nog maar eens. En dat zal niet de laatste keer zijn geweest. Maar het moet, voor mijn lijf, voor de chaos in mijn hoofd, om overeind te blijven in de storm.
Ik heb de hubby, en niet enkel als kine. Maar ook als windscherm tegen de rukwinden die de storm met zich meebrengt, als afdak dat me beschermt tegen de stortbuien, en als bliksemafleider wanneer de bliksemschichten me om de oren vliegen. Mijn persoonlijke chauffeur wanneer ik naar het ziekenhuis moet. Mijn therapeut na een consultatie. Mijn sprekende medische encyclopedie wanneer ik de termen waarmee de artsen jongleren tijdens een gesprek niet begrijp. Mijn steun en toeverlaat. Mijn betere (gezondheids-gewijs ook letterlijk) helft. De levenspartner waarvoor ik wél koos, en die ook voor mij koos. Ik heb familie. Vrienden. Framily, noemen ze dat tegenwoordig op sociale media. En oh, wat ben ik blij met mijn grote framily! Ook zij weten precies wanneer er weer een stortbui aan de gang is en staan steeds paraat om me te laten schuilen onder hun paraplu. Wat zeggen ze? All you need is love?

Ik heb MS. Ja, dat ook. Mijn ongewenste partner die houdt van een stormachtig leven. Een partner die vastbesloten is om de rest van z’n leven met mij te delen. Dus ik heb het opgegeven, het wachten. Mijn storm zal nooit overwaaien, dus ik kan er maar beter zo goed en zo kwaad als het kan doorheen wandelen. Het lukt me al aardig. Ik blijf steeds beter overeind, leer stilaan hoe ik ook van een wandeling in de storm kan genieten. En soms, met hulp van de hubby en mijn framily, kan er zelfs een danspasje van af. Nog niet zo uitgelaten als de dansende bende in de clip van “It’s raining men”, maar ik kom er wel. Niet omdat het moet, maar omdat ik het wíl.

PS: Ik schreef deze blogpost op vraag van http://www.scouters.nl, een non-profit organisatie voor mensen met een lichamelijke beperking. Zeker een bezoekje waard!

I’ll look back on this and smile because it was life and I decided to live it

Ik heb gewonnen! Sinds een dikke week is mijn leven weer van mij. MS moeit zich steeds minder met mijn gedachten, waardoor ik niet meer pieker. Ik durf terug meer dingen doen die ik voor het stilstaan van de wereld deed, zonder me steeds af te vragen wat het zal doen met mijn lichaam. Mijn leven is weer helemaal van mij.

Sinds enkele weken wandel ik terug meer. Van maart tot nu heeft de verloofde zich altijd “opgeofferd” om het hondje z’n dagelijkse beweging te geven. Opgeofferd is niet echt het juiste woord, wanneer hij tijd heeft doet de verloofde dit met veel plezier. Maar voor mijn verblijf in kamer 458 werden de wandelingetjes verdeeld. ’s Middags ging de verloofde wandelen, na school ik. Sinds het stilstaan van de wereld was dat voor mij nog geen optie. Ook de lange wandelingen die we samen deden in het weekend lagen niet binnen het interesseveld van MS. Dus ging de verloofde alleen wandelen, en bleef ik thuis. Tot enkele weken geleden. Het thuis blijven begon me zo stilaan te vervelen, dus besloot ik dat MS de boom in kon en ging ik mee. De eerste keren moest ik het wel eens bekopen, met verkrampte of vermoeide benen de dag nadien. MS had geen zin in een nieuwe hobby. Maar ondertussen blijkt dat ik mijn nieuwe levenspartner toch hebben kunnen overtuigen. Ik heb ’s ochtends nog wel vermoeide benen, maar mijn knieën voelen steeds minder verkrampt aan. En ik weet niet of de vermoeide benen al dan niet met het wandelen te maken hebben, ik had ze ook wanneer ik nog niet mee ging wandelen… In ieder geval, de beweging doet me deugd, en stiekem denk ik dat het MS ook deugd doet. Zoniet, had die zich al veel meer laten voelen.
Woensdag ben ik voor het eerst in lange tijd alleen gaan wandelen met het hondje. Het lijkt geen grote overwinning, maar dat is het wel. Wie het hondje een beetje kent, weet waarom. Het was een korte wandeling van slechts een half uurtje, maar ik voelde me alsof ik bergen had verzet wanneer ik thuis kwam. Yes, weer een stukje terrein gewonnen ten opzichte van MS!
Zo win ik elke dag een stukje meer terrein, en ben ik elke dag een stukje meer ik. Het voelt fantastisch dat ik de belofte die ik maakte aan het begin van de vakantie ook werkelijk kan waarmaken: ik neem mijn leven terug zélf in handen en zet MS buitenspel. Of toch voor even. Want ik moet realistisch zijn, ooit gaat MS weer even de touwtjes in handen nemen en mij buitenspel zetten. En wanneer dat gebeurt, zal ik weer moeten toegeven. Of toch voor even. Want MS moet ook realistisch zijn: elke keer hij de controle van me overneemt, ga ik die net als nu telkens stukje voor stukje terug opeisen. En het feit dat ik nu weet dat dat geen loze belofte is, maakt dat ik met meer vertrouwen naar de toekomst kan kijken.

Ik durfde lang geen plannen maken, ik durfde lange tijd niet dromen. Stilaan lukt het me om terug (voorzichtig) vooruit te kijken. Om terug uit te kijken naar wat me nog te wachten staat in de toekomst, in plaats van bang ze zijn van de onzekerheid die die met zich meebrengt. Maar waar ik vooral naar uitkijk, is het terugkijken. Ik zal terug denken aan het moment dat ik heb besloten om mijn leven te leven, weer zélf in handen te nemen, en het niet te laten leven. En ik zal me fantastisch voelen…

Luck is believing you are lucky

Wat een pech heb ik. MS komt bij 1 op 1000 mensen voor, en ik ben net die ene van deze 1000. Ik trok net dat lotje, het verkeerde lotje uit de loterij. Ik zou dit kunnen doortrekken naar de rest van mijn leven, en alle tegenslagen die ik al heb getrokken beginnen overlopen. Om dan te besluiten dat ik duidelijk niet voor het geluk geboren ben. Maar weet je, niemand is voor het geluk geboren. Geluk maak je zelf. Niet door hard te werken, of veel geld te verdienen, of door veel hobby’s te hebben of sportief te zijn. Zo moeilijk is het allemaal niet. Geluk maak je door simpelweg te geloven dat je gelukkig bent.

Mijn leven heeft al ups en downs gekend. De ene up al wat hoger, de ene down al wat dieper dan de andere. Dat zal niet anders zijn dan bij iemand anders. Iedereen heeft wel eens een tegenslag te verwerken in het leven. Dat heeft niets met geluk of ongeluk te maken, maar gewoon met het begrip “leven”. En ja, soms is het leven oneerlijk, en is het onbegrijpelijk waarom bij sommige mensen die tegenslagen ongelooflijk zwaar zijn om te dragen en bij anderen meer te vergelijken met een keitje waarover hij of zij struikelt om dan rustig weer door te gaan. Het leven is dan ook niet gemaakt om te begrijpen, maar om te leven. Een leven dient geleefd te worden, en hoe je dat doet is je eigen zaak. Hoe gelukkig je bent, is dus ook je eigen zaak, en heeft alles te maken met de point of view die je inneemt.
Je bent zo (on)gelukkig als je jezelf wijsmaakt. Als je gelooft dat je ongelukkig bent, als je gelooft dat het leven oneerlijk is en dat je geboren bent voor het ongeluk, dan zal je ook ongelukkig zijn. Dan kan je van elke mug een olifant maken. Ik spreek uit ervaring, ik ben ook al vaak in die val getrapt in het verleden. En ik ben er zeker van dat ik ook in de toekomst van tijd tot tijd nog in die val zal trappen. Gelukkig werkt dat ook omgekeerd. Als je oog leert hebben voor alle positieve zaken in je leven, dan ben je gelukkig. Of alleszins toch gelukkiger dan je aanvankelijk dacht.
Nu krijg ik misschien meteen commentaar van mensen die een burn-out of een depressie hebben (gehad). Begrijp me niet verkeerd, ik kan begrijpen dat je in een depressie of burn-out sukkelt. Hélemaal! Dat kan nu eenmaal gebeuren wanneer de downs in je leven zich wel erg snel opvolgen, en de ups die er tussen komen niet hoog genoeg zijn. Dan nestelt het idee dat het nooit meer goedkomt zich tussen je oren. Als er dan niemand uit je omgeving tijdig aan de alarmbel trekt, ben je de pineut.
Maar dat is het nu net, iemand uit je omgeving… Je hebt mensen om je heen nodig, en die heb ik. Daar ga ik nu niet weer het hele stuk over doorgaan, daar heb ik al veel over geschreven en ik wil mezelf niet blijven herhalen. Maar al die mensen rondom je die om je geven en er voor je zijn, dat zijn de winnende lotjes uit de loterij.

Als ik nu mijn winnende lotjes afweeg tegenover dit slechte lotje besef ik dat, hoewel ik op dit moment nu niet bepaald de grote winnaar ben, ik ook geen grote verliezer ben. Oké, ik heb er een nieuwe partner voor het leven bij gekregen, eentje waarop ik niet had gerekend en waar ik nu ook niet echt op zat te wachten. Oké, dit zal in de toekomst zorgen voor nog een heel aantal minder goede dagen, weken, … En ja, ik zou nog het liefst het lotje terug in de pot gooien en opnieuw trekken. Maar zo zit het leven niet in elkaar. Bovendien heb ik al m’n winnende lotjes nog. En ook die neem ik nog de rest van mijn leven mee.
Wat een geluk heb ik.

And now you don’t have to be perfect, you can be good

Weer een knoop doorgehakt. Na de paasvakantie, die het begin van het einde van mijn ziekteverlof inluidt (en dat is een vreugdedansje waard), zal ik nog enkele maanden niet fulltime voor de klas staan. Weet je dat water nog, dat ik bij mijn wijn moest doen? Wel, laat ons zeggen dat mijn wijn verdacht waterig begint te worden. En hoezeer ik ook van wijn houd, ik zal dit waterachtige goedje moeten leren drinken.

Wekenlang ben ik in de overtuiging geweest dat ik na de paasvakantie mijn job gewoon fulltime weer zou kunnen opnemen. Van maandag tot vrijdag, van half 9 tot half 4 voor de klas en dan nog enkele uurtjes doorwerken thuis, al mijn speelplaatstoezichten en zelfs de refters. De neuroloog heeft immers gezegd dat ik na deze opstoot weer alles zou kunnen. Ik zag niet in dat het herstel van een opstoot langer duurt dan een paar weken. Ik zag niet in dat de combinatie vierde en zesde leerjaar ook voor het eerste bezoek van mijn nieuwe levenspartner al zwaar en vermoeiend was. Ik zag niet in dat “alles” niet ineens komt, maar beetje bij beetje. Na een drietal weken rusten tot het mijn oren bijna uit kwam, probeerde de verloofde mij al met m’n eigenwijze voeten op de grond te zetten. “Ben je wel zeker dat je terug voltijds kunt werken na de vakantie?” Waarop mijn antwoord steevast positief was. Natuurlijk was ik ervan overtuigd dat ik terug voltijds zou kunnen werken! Waarom niet? Nu nog even rusten, en dan zou het me wel lukken. Stilaan begon ook de mama hieraan te twijfelen. Toch bleef ik zowel de verloofde als de mama verzekeren dat ik er na de paasvakantie terug fulltime zou kunnen staan, en hield ik mijn voeten koppig van de grond.
Pas vorige week begon ik in te zien dat ik misschien toch teveel ineens wou. Het inzicht begon te komen na het korte uitstapje naar school, voor de klasfoto’s. Dat blitzbezoekje had me zoveel energie gekost, dat ik de rest van de dag nodig had om te recupereren. Of beter gezegd: mijn lichaam had de rest van de dag nodig om te recupereren. De directie leek ook niet helemaal zeker te zijn van mijn plannen om terug voltijds te starten. Wanneer de verloofde en de mama zagen hoe vermoeiend de drukte was geweest voor me, deden ze weer enkele pogingen om me te overtuigen toch een aantal uurtjes minder te werken, voor even. Stilletjes aan begonnen mijn voeten te zakken, tot ze vrijdag helemaal op de grond stonden en ik besefte dat ik nog even zou moeten wachten op het “alles” waar de neuroloog over sprak en dat ik intussen best wat rustiger aan deed.
Eenmaal beide voeten op vaste grond stonden, moest het dan ook snel gaan. Ik wilde immers de knoop doorhakken en zo snel mogelijk alle papieren in orde brengen, voordat ik terug zou gaan zweven. Dus volgde een telefoontje naar de directie, printte ik meteen alle nodige in te vullen documenten af en maakte ik een afspraak bij de huisarts om deze documenten in orde te brengen. Na mijn bezoek aan de huisdokter morgenavond passeer ik meteen bij de rode brievenbus om de documenten te posten, zodat er geen weg terug meer is.
Nooit gedacht dat ik zelfs zoveel water zou hébben om bij mijn wijn te doen, laat staan dat ik het er eigenhandig bij zou gieten. Nooit gedacht dat ik me hier dan ook nog best goed bij zou voelen. Ik ben altijd heel erg streng geweest voor mezelf. Gewoon goed was nooit goed genoeg, voor minder dan perfect deed ik het niet. En was iets niet perfect, dan deed ik er alles aan om het beter te doen de volgende keer. Ik schrijf nu in de verleden tijd, omdat ik ondertussen heb geleerd dat perfectie niet bestaat. Ik heb al moeten leren me tevreden te stellen met “gewoon goed”, en soms zelfs met “goed genoeg”.

In mijn ogen was de “perfecte juf” er eentje die er fulltime staat. En ik wilde die perfecte juf zijn, liefst tot aan mijn pensioen (wanneer dat ook mag komen, enkel de regering mag het weten…). Met het doorhakken van deze knoop, leer ik weer iets bij. Ik leer mezelf tevreden te stellen met “goed” i.p.v. “perfect”. En dus wordt het vanaf nu mijn doel om een goede juf te zijn, in plaats van de perfecte versie ervan.

PS: Ik heb vandaag gestofzuigd. Voor het eerst in 5 weken tijd. Dat is ook een klein vreugdedansje waard!

She stood in the storm, and when the wind did not blow her away, she adjusted her sails

Na het stilstaan van de wereld is alles hetzelfde, en is alles anders. Enerzijds zal mijn leven, eens de wereld weer z’n gewone rotatiesnelheid heeft bereikt, gewoon weer doorgaan. Anderzijds zal ik mijn leven anders moeten gaan leven. Voorzichtiger. Rustiger aan. Anders leven, om ervoor te zorgen dat mijn leven hetzelfde blijft.

Toen de wereld stilstond, stond alles even stil. Ook mijn gedachten. Ik dacht alleen aan het hier en nu, niet aan wat de toekomst zou brengen. En al helemaal niet hoe ik deze toekomst zou aanpakken. De neuroloog zei me dat ik na elke opstoot volledig zal herstellen. Wat in mijn hoofd hetzelfde betekende als “gewoon mijn leven weer oppakken zoals ik het gewend was”. Dat idee had zich al gauw in mijn hoofd genesteld. Ik zou nu goed rusten, en na deze opstoot gewoon weer verdergaan met mijn leven. Alsof het even op pauze had gestaan, en ik zelf weer op de play-knop zou kunnen drukken. En dan zou ik gewoon weer doorgaan: werken, koken, strijken, wandelen, doen alsof ik aan sport doe, poetsen, uitgaan, …
Nu de wereld stilaan weer aan z’n normale rotatiesnelheid begint te komen, zijn ook mijn gedachten terug op gang gekomen. Dat brengt andere gedachten met zich mee. Geen positieve, geen negatieve, maar realistische gedachten. Want de realiteit is nu eenmaal dat ik de rest van mijn leven deel met MS. Niet meteen de partner die ik me had voorgesteld, maar op één of andere manier zullen we met elkaar moeten leren leven. En daarbij vrees ik dat vooral ik diegene ben die zich zal moeten aanpassen, MS heeft niet zo’n flexibel karakter heb ik al gemerkt. Ik zal dus een flinke dosis water bij de spreekwoordelijke wijn moeten doen. En als ik mijn gedachten weer even de realistische kant op stuur, besef ik dat ik al op de goede weg ben met dat water. Zelfs zonder erbij stil staan.
Boodschappen komen het huis bijna niet meer binnen in zakjes. Wel in dozen, of excuseer, het zijn “boxen”. Een vriendelijke man (elke week een andere, maar altijd vriendelijk) van het bedrijf Hellofresh levert elke maandag netjes de boodschappen van die week, mét bijhorende recepten, af aan onze voordeur. Dubbel voordeel: ik moet er niet voor naar de winkel, en doordat de gerechtjes al vooraf vastliggen moet ik niet meer nadenken over wat we nu weer moeten eten. Ik ben fan! Maar wacht, het wordt nog beter. Naast de gewone “box”, kan je ook opteren voor een “fruitbox”. Ook de dagelijkse vitamientjes worden dus aan huis geleverd. Hoera maal twee! En ideaal voor mijn mobiliteitsprobleem, gezien de neuroloog me niet met de auto of de fiets laat rijden voordat ik op controle ben geweest, en te voet naar de winkel gaan nog net te ver is voor mijn eigenwijze benen.
Shoppen kan ik nu ook zonder auto. Of make-up. Of zelfs in pyjama, zonder bh (wat anders echt not-done is). En met een goed glas wijn erbij. Webshops bestaan al lang, maar ik hield altijd meer van echte winkels. Echte winkels met echte kleren die ik echt kan vastpakken en echt kan passen voor ik ze koop. Ik houd nog steeds meer van die echte winkels, maar zonder chauffeur geraak ik er niet. Dus heb ik de webshops ontdekt. Je moet nu niet denken dat ik elke dag van ’s ochtends tot ’s avonds zit te shoppen. Maar sinds de wereld heeft stilgestaan heeft de postbode me toch al blij gemaakt met twee paar schoenen (die ik uiteraard echt wel nodig had omdat ik nu enkel platte schoenen kan dragen, duh!) en werd er in de praktijk van de verloofde al een juweeltje voor me afgeleverd. Instant happiness!
Koken lukt me ondertussen ook prima. Ik doe alles rustig, zodat er geen tijdsdruk achter zit en ik niet ga stressen. Want ik weet ondertussen: als ik ga stressen, wil ik te snel zijn, en dan raken m’n benen altijd weer even de kluts kwijt. Mijn knie heeft even geen zin en zakt even door, en ik stoot mijn tenen overal tegenaan. Nee, rustig aan. Eerst alle ingrediënten uit de kast en koelkast nemen. Dan alle groentjes snijden en in kommetjes klaarzetten. Ja hoor, Jeroen Meus – stijl! Ik vond het altijd zo onnozel dat tv-koks alles netjes in kommetjes hebben klaarstaan. Nu zie ik het nut er van in, en de extra afwas gaat gewoon mee de afwasmachine in. De recepten in de handige boxen zijn ook zo opgebouwd, dat alles binnen redelijk korte tijd klaar is. Ik moet dus niet te lang rechtstaan in de keuken. De dagen waarop ik niet met de boxen kook, zorg ik ervoor dat ik voor snelle maaltijden kies. Ovenschotels waar weinig werk aan is, of een wokschotel, … Ik vind het in ieder geval fijn dat ik kán koken, want dat doe ik echt wel graag. Ook al zijn mijn keukenavonturen nu iets minder uitgebreid.
Ik neem hulp aan. Ik vraag zelfs om hulp, soms. Dat is nooit van mijn gewoonte geweest. Wanneer ik het huis uit ging om met de verloofde (toen nog de vriend) te gaan samenwonen, vond ik het ook niet meer dan logisch dat we vanaf dan alles zelf zouden doen. Dus vanaf dag één deden we onze eigen was, onze eigen strijk, en kookten we elke dag ons eigen potje. Hoewel de vraag wel kwam, hebben we nooit een vaste dag willen hebben om bij de ouders of de schoonouders te gaan eten. Hoewel het voorstel wel kwam, is het nooit bij me opgekomen om de strijk naar de schoon-grootmoeder (of hoe men dat ook noemt) te brengen. Nee, wij kozen ervoor om zelfstandig te zijn, dus we zouden alles ook zelf doen. Bij de verhuis naar het huis kozen we wel voor een poetsvrouw. Niet omdat we niet graag poetsen, want dat doet denk ik niemand echt graag, maar omdat we er met onze fulltime jobs gewoon geen tijd voor konden vrijmaken. En ik moet zeggen dat ik aan het idee moest wennen: iemand die je niet kent in het huis binnenlaten om te poetsen wat wij vuil hadden gemaakt. Je kunt je dus wel inbeelden hoe hard ik moest wennen wanneer van kamer 458 terug naar het huis verhuisde. Opeens liep er overal familie rond in huis: om de was te doen, om de strijk te doen, om in de tuin te werken, om de tafel te dekken, om te stofzuigen, … Hoe moeilijk het in het begin ook was om deze hulp aan te nemen, nu ben ik er heel blij mee. Niet dat ik wil profiteren, van zodra mijn benen weer wat meer gaan samenwerken met de rest van mijn lichaam en ik niet zo vermoeid meer ben, neem ik het huishouden terug zelf in handen. Maar zo lang het nodig is, ben ik blij met de hulp die ik krijg, en neem ik die dankbaar aan.
Ik luister naar mijn lichaam. Klinkt logisch, maar wedden dat 75% van de lezers van deze blog dat niet doet? Ik deed het eerst ook niet. Rusten was voor na al het werk. Nu rust ik wanneer mijn lichaam mij vertelt dat ik moet rusten. Ook al betekent dit dat ik daarvoor leuke dingen aan de kant moet zetten. Eerder deze week heb ik bijvoorbeeld het lente-ontbijt op school afgezegd, omdat ik de dag voordien voelde dat de drukte van school nog te vermoeiend was. Met pijn in het hart, want ik wou ook wel graag terug dat geweldige gevoel waar ik het in de vorige post over had. Maar ik besefte dat de vermoeidheid achteraf z’n tol zou eisen, en dan zou ik daar mooi zitten: met m’n geweldige gevoel maar zonder energie om er iets mee te doen. Ook in de toekomst, na deze opstoot, ga ik luisteren naar mijn lichaam. Rusten wanneer mijn lichaam erom vraagt, en de boel dan maar even de boel laten met het volste vertrouwen dat de mensen rondom mij er geen boeltje van gaan maken. Wie mij een beetje kent, weet dat dat heel wat water is dat ik hier bij mijn wijn giet.

Sinds het stilstaan van de wereld ben ik positief gebleven. Dat is nodig om ervoor te zorgen dat de wereld niet blijft stilstaan. Maar nu de wereld weer op gang is gekomen, is het ook nodig om realistisch te zijn. Om ervoor te zorgen dat de wereld blijft draaien, en niet bij minste opstoot terug gaat stilstaan. Om ervoor te zorgen dat MS enkel controle heeft over de pauzes in mijn leven, en niet aan de stop-knop kan. Om ervoor te zorgen dat MS, hoewel het nooit mijn beste vriend wordt, niet mijn grootste vijand zal worden. Om ervoor te zorgen dat mijn leven hetzelfde blijft, maar dan anders…

Sometimes, it’s not the person you miss – It’s the feeling you have when you are with them

Vandaag begon de dag anders dan anders. Of eigenlijk, hetzelfde dan anders. Gewoon anders dan de afgelopen weken. Om deze verwarrende zinnen kort samen te vatten: de dag begon fantastisch! Ik mocht naar school! Ja, je leest het goed, “mocht”. Want normaal gezien heb ik daar nog niets te zoeken, en mag ik van zowel de dokter als van de mama en de verloofde nog niet te veel met werk bezig zijn. Maar vandaag was een uitzondering, vandaag werden de klasfoto’s genomen. En daar wou ik natuurlijk niet ontbreken. Ik was nog geen uur bij de collega’s en de kinderen en hoewel het druk was, was het heerlijk.

Ik ben de typische leerkracht. In het eerste leerjaar, bij juffrouw Agnes, besloot ik al snel dat ik later ook juffrouw wilde worden. De zus, vijf jaar jonger dan ik, werd het perfecte proefkonijn. Ze kon al rekenen tot 10, haar naam schrijven met hoofdletter en korte zinnen lezen aan het begin van het eerste leerjaar. Ik maakte zelfs rapporten, zo zwaar had ik het te pakken. Soms tot grote ergernis van de vriendinnetjes, want wie kwam spelen moest eraan geloven.
12 jaar later startte ik dan ook met de lerarenopleiding, om na 3 jaar mijn diploma in handen te hebben en aan het echte werk te kunnen beginnen. Ondertussen ben ik bezig aan mijn zevende schooljaar, en heb ik een vaste klas: mijn zesde leerjaar.
Ik werk hard, te hard soms. Als iemand in het verleden tegen me zei dat ik wat moest minderen, zei ik altijd “Daar pluk ik de volgende jaren de vruchten van!” of “Zo lang ik geen kinderen ben, kan ik het nog!”, altijd met een lach. Het werk heeft me altijd een gevoel van voldoening gegeven. Elke dag kan ik iets betekenen voor iemand. Soms zelfs voor een hele klas tegelijk. Dit schooljaar leek ik nog harder te werken dan de vorige jaren. Ik heb een massa ideeën die ik wilde uitwerken, en het ging niet snel genoeg voor mij. Hier komt bij dat de klas die ik dit schooljaar onder mijn vleugels heb… Laat me het een uitdaging noemen, zelfs voor doorwinterde leerkrachten. Stuk voor stuk lieve kinderen, maar met een gebruiksaanwijzing. Eens je deze gebruiksaanwijzing hebt uitgevogeld, valt er goed met deze kinderen te werken. Dat uitvogelen kostte natuurlijk wat energie, maar ik krijg er nu zoveel voor terug. Ik vond het dus ook niet erg om wat harder te werken, en wist zeker dat ik er nadien alleen maar goed mee zou kunnen zijn. Bovendien krijgt een leerkracht, wie ook met hart en ziel voor de klas staat zal dit beamen, een enorme dosis energie van de kinderen. Want of je nu in een eerste of in een zesde leerjaar lesgeeft, de kinderen in de basisschool komen nog echt graag naar school. Ze kijken naar je op, en dat geeft zo’n geweldig gevoel.
Tussen de kerst- en krokusvakantie had ik het wat moeilijker. Ik ga niet het hele verhaal daaromtrent vertellen, dan dwaal ik te ver af van het onderwerp, maar ik kan je wel zeggen dat ik het “gevoel” even kwijt was. Door samenloop van omstandigheden geraakte ik enkel energie kwijt, en kwam er niet veel meer bij. Het geweldige gevoel, de energie, die ik anders van mijn werk kon krijgen, alles weg… Ik dacht dat dit aan stress te wijten was, en dat ik van de stress extra vermoeid werd. Niets wat een weekje vakantie niet kon oplossen, dacht ik. Na de krokusvakantie startte ik dus terug, vol energie. Maar de vermoeidheid bleef aanhouden. Wintermoeheid, dacht ik. Heb ik al enkele jaren last van. Een vitaminetekort of iets anders dat in het bloed te zien was, kon het niet zijn. Ik had immers laatst mijn bloed nog laten checken bij de huisdokter, omdat de vermoeidheid na enkele jaren nog niet verminderd was. En volgens de resultaten was ik zo gezond als een vis. Het moest dus wel aan de winter liggen, met de eerste zonnestralen binnenkort zou dit wel weer voorbij zijn. En nu ik een weekje vakantie gehad had, zou de energie van de kinderen me wel weer kunnen opladen. Dat was ook zo. En daar was het geweldige gevoel weer, oef! Maar dan kwam de gevoelloze voet, enzoverder enzovoort. Dat deel van het verhaal ken je al.
Ik ben ervan overtuigd dat ik ergens een beetje verslaafd ben aan mijn werk. Nee, niet aan mijn werk. Aan het gevoel dat ik krijg van de kinderen. De energie die ze me geven. Want dat geweldige gevoel, een mengelmoes van acceptatie, appreciatie en een tikkeltje bewondering, is wat ervoor zorgt dat ik elke dag met plezier op m’n fiets stap om naar het werk te gaan. In het begin van mijn ziekteverlof miste ik de kinderen, en vooral dat gevoel dat ze me konden geven. Ik moest bij wijze van spreken “afkicken”, want de komende weken zou ik het zonder dit gevoel moeten stellen. Er kwam wel een vervangend gevoel, dat de meeste ontwenningsverschijnselen kon opvangen: bezorgdheid en steun. Na enkele weken thuis wist ik niet eens meer hoe dat geweldige gevoel aanvoelde, dat ik in het begin zo miste.
Tot vandaag. Vanaf het moment dat ik de schoolpoort binnenstapte werd ik geknuffeld en aangeklampt door de kinderen. Niet alleen de kinderen van mijn eigen klas, ook de kinderen van andere klassen. Ze waren bezorgd, benieuwd hoe het met me ging, en wilden vooral graag weten wanneer ik terug zou komen. Want ze misten me, zeiden ze. Bam. Daar was dat gevoel weer. En het voelde geweldig.
Jammer genoeg was het ook erg vermoeiend. Ik ben alle drukte niet meer gewoon, en ben ook nog snel moe. De kinderen gaven me dan wel het geweldige gevoel, en heel wat energie. Maar mijn lichaam is duidelijk nog niet volledig hersteld, en had aan die energie niet voldoende. Wanneer ik thuiskwam, kon ik dus niet anders dan weer in de zetel neerploffen en rusten, rusten, rusten… Maar ditmaal met een geweldig gevoel, een warm gevoel. Het gevoel dat ik dan toch heel erg had gemist.

Vandaag was een topdag. De tegenovergestelde dag van gisteren, hoewel het resultaat uiteindelijk hetzelfde is: vermoeidheid. Het grote verschil was dat dat ene uurtje de vermoeidheid meer dan waard was. Ik besef nu dat ik mijn werk niet heb gemist, en dat ik misschien zelfs de collega’s en de kinderen niet zo héél hard heb gemist. Ik heb het gevoel gemist dat ze me geven, en dat maakt deze kinderen extra bijzonder. Want het geweldige gevoel gaf me nét voldoende energie om weer vooruit te durven kijken, in plaats van achteruit. Ik kijk vooruit, en ik kijk uit naar de dag dat ik terug voor de klas sta. Klaar om weer elke dag dat geweldige gevoel te krijgen…

Remember how far you’ve come, not how far you have to go – You are not where you want to be, but neither are you where you used to be

Vandaag is het weer zo’n dag. Zo’n ik-ben-moe-laat-me-met-rust-dag. In de afgelopen weken heb ik gelukkig nog maar een paar van die dagen gehad. En ik weet ondertussen ook dat ze voorbij gaan en dat morgen vast weer beter zal zijn. Maar dat neemt niet weg dat ik vandaag die dag moet doorworstelen.

Op zo’n dag is het net iets moeilijker om positief te blijven denken. Het optimisme is er wel, doet z’n best, maar lijkt nog moe te zijn van het weekend. Hoewel dit weekend niet zo druk was als het vorige, ben ik er toch best moe van. Eigen schuld. Nu ik al goed kan stappen, zonder mank te lopen (yes!), denk ik ook heel snel dat ik alles alweer aankan. Wie me kent, weet dan ook dat ik mezelf niet kan inhouden… Ik stap dus vrolijk rond: naar de winkel, naar de sporthal, … In de sauna spring ik in het zwembad om een aantal baantjes te zwemmen, en na 4 baantjes al te moeten stoppen. Om dan achteraf doodmoe in de zetel neer te ploffen, en me af te vragen hoe het toch zou kunnen komen dat ik zo moe ben. En dan “de blik” van de verloofde te krijgen, vergezeld door de woorden “Je hebt weer te veel gedaan, hé?!” Dan pas komt het besef dat ik inderdaad wat veel hooi op m’n vork heb genomen, hoewel het nog maar een fractie is van de hoeveelheid hooi die ik anders draag (op soms meer dan één vork).
Het is soms moeilijk om in te schatten wat ik al goed kan, en wat nog niet. Vooral omdat ik (gelukkig) geen pijn heb. Op het moment zelf voel ik niet meteen wat al kan en wat nog niet, nadien voel ik het des te meer. Dan ben ik vermoeid, gaat het stappen terug wat minder goed en zijn m’n benen weer wat zwaarder. Het slechte gevoel krijg ik er gratis en voor niets bij. Een slecht gevoel, omdat ik weet dat het m’n eigen stomme schuld is. Omdat ik weet dat ik normaal gezien veel meer aankan. Omdat ik vind dat het herstel niet snel genoeg vooruitgaat. Omdat niemand weet wanneer ik weer alles zal kunnen dat ik eerst kon, zelfs de verloofde niet. En de verloofde weet normaal gezien álles, of toch in mijn ogen. Omdat ik pas volgende week vrijdag op controle moet bij de dokter. En omdat ik niet eens weet of die wel een antwoord weet op al mijn vragen, en of die wel een glazen bol heeft om te zien wanneer ik weer wat actiever zal kunnen zijn. Het is de onzekerheid die het slechte gevoel veroorzaakt. De onzekerheid over hoe lang alles nog duurt, wanneer deze opstoot volledig voorbij zal zijn, of dit alles überhaupt voorbijgaat.
Zoals je ondertussen al weet ben ik een echte planner, als het ware verslaafd aan regelmaat. Na elke vakantie stond er netjes in m’n agenda aangeduid hoeveel weken er nog waren vooraleer er een rapport klaar moest zijn. Zo kon ik in de gaten houden hoe lang ik nog had om toetsen af te nemen, punten op te lijsten, commentaren in te geven, … Mijn todo-lijstjes voor de vakanties waren altijd zo opgesteld dat ik eerst de prioritaire taken deed, en dan pas de dingen die ik als extra zag. Ik schreef zelfs op dat ik de klas moest opruimen, tot in detail: knutselkast opruimen, bureaulades opruimen, huistaken ordenen, … Als ik het zo zelf lees, gaat dit misschien zelfs voorbij het begrip “controlefreak”. Het contrast met mijn leven op dit moment kan dan ook niet groter zijn. Ik moet elke ochtend afwachten hoe ik me voel, om dan voorzichtig de rest van mijn dag te plannen. Die plannen bestaan uit: tv kijken, werken aan mijn blog, mails checken, beetje koken, misschien iets gaan drinken met de mama, dutje doen, beetje breien, … Dat kan je moeilijk een todo-lijst noemen, ik noem het dan maar een ” can do – lijst”, want het zijn dingen die ik allemaal kan.
Wanneer ik terug kan overgaan naar todo-lijstjes, weet ik niet. Hoeveel dingen ik op zo’n lijstje kan schrijven en effectief zal kunnen afwerken, weet ik niet. Ik weet niet hoe mijn lichaam zal reageren op terug een fulltime job na de paasvakantie. Ik weet niet hoe lang onze strandwandelingen zullen zijn tijdens ons weekendje aan de zee binnen twee weken. Laat staan dat ik weet wanneer ik weer alleen met het hondje zal kunnen wandelen. Onzekerheid is troef. En dat maakt me gek, van tijd tot tijd.
Op zo’n dagen als deze, trap ik steeds weer in dezelfde val. Ik ga mezelf steeds vragen stellen, en dan vooral over de toekomst. Dat is fout, zo fout! Ik zou ondertussen moeten weten dat het optimisme niet van dat soort vragen houdt. Omdat ik niet wil riskeren dat het optimisme nog eens een snipperdag neemt, moest ik wel een strategie ontwikkelen. Een strategie om deze vragen te ontwijken, en andere gedachten op te roepen. Positieve gedachten, gedachten die me zekerheid bieden. En wat biedt nu meer zekerheid dan het verleden?
Wat geweest is, is geweest. Niets meer aan te doen. Daar, zo zeker als wat! Op dagen als deze probeer ik dus terug te denken. Van waar kom ik, en waar sta ik nu? Vier weken geleden ging ik vanavond op spoed binnen. Dan gebeurden alle onderzoeken: scans, elektrotest, en (my favorite!) de ruggenmergpunctie. De wereld stond stil, en dat was het absolute dieptepunt. Sindsdien heb ik al bergen beklommen. Sindsdien gaat het elke dag, met enkele uitzonderingen, weer een beetje beter. Sindsdien ben ik al goed hersteld, langzaam maar zeker. Goed bezig, M!

Dat is mijn strategie om het optimisme te behouden op dagen als deze. Dat is de strategie, die ik hoop ooit helemaal onder de knie te krijgen. In plaats van verder te kijken, kijk ik terug. Ik kijk terug op alles wat ik overwon, op alles dat ik al bereikt heb. Want ook al ben ik nog niet waar ik wil zijn, ik ben ook niet meer waar ik was.

The secret to having it all is knowing you allready do

Iedereen wil altijd maar meer. Het lijkt wel een ziekte waardoor iedereen nooit tevreden is. Ook ik stond tot nu toe niet vaak genoeg stil bij wat ik héb, in plaats van bij wat ik wil. Maar als je erover nadenkt, komt de vraag: wanneer ga je stoppen met willen en tevreden zijn met wat je hebt? Wanneer heb je genoeg? Wanneer heb je alles?

Ik heb liefde. Liefde van de verloofde, en voor de verloofde, elke dag opnieuw. 9 jaar geleden waren we verliefd, nu is het meer een gevoel van “houden van”. Met af en toe een vlaag van verliefdheid, inclusief vlinders in de buik, een heerlijke gevoel. Ik heb liefde van het hondje. Onvoorwaardelijk. Want het is echt waar wat men zegt: een hond is je trouwste vriend. Het hondje is altijd blij wanneer ik thuis kom. Ik houd van knuffelen en wandelen met het hondje. De verloofde ook. Met ons drietjes zijn we een echt klein gezinnetje.
Ik heb familie. Familie die me graag ziet, die blij voor me is wanneer ik iets leuks meemaak, die bezorgd is wanneer er iets aan de hand is, die helpt wanneer ik hulp nodig heb. Familie die meer kan zeggen met één blik dan met duizend woorden. Familie die steeds groter wordt. De familie van de verloofde werd de afgelopen jaren ook mijn familie. En binnenkort komt er een eerste kleintje bij, de verloofde en ik worden peter en tante. De hele familie kijkt er enorm naar uit. Familie staat gelijk aan liefde, zekerheid en samenhorigheid.
Ik heb vrienden. Beste vrienden, goeie vrienden, verre vrienden. Veel vrienden, dat is de afgelopen weken nog maar eens heel duidelijk geworden. Vriendinnen waar ik alles bij kwijt kan. Vriendinnen die mee uitkijken naar de vrijgezellendag en het trouwfeest later dit jaar. Vrienden waarmee ik me rot kan amuseren. Vrienden die ik wekelijks zie. Vrienden die ik soms lange tijd niet zie, maar waarbij de draad bij elk weerzien makkelijk terug wordt opgepikt. Vrienden zijn ook een stukje familie, het stukje familie dat je zelf kiest, en dat maakt ook hen heel bijzonder.
Ik heb werk. Dat alleen al is een reden om gelukkig te zijn. In mijn geval is er nog een extraatje: ik heb de job van mijn dromen. Hoewel ik nu besef dat ik minder hard moet gaan werken, en meer tijd voor mezelf moet nemen (ik ben zo iemand die nogal snel opgeslokt raakt door het werk, ten koste van vrije tijd met familie en vrienden), kijk ik er heel erg naar uit om terug te gaan werken binnen enkele weken. Ik houd van mijn werk, en van het sociaal contact dat ermee gepaard gaat. De dagelijkse babbels met collega’s en met ouders aan de poort. Ik houd van de voldoening die mijn werk me geeft. Ik kan elke dag zeggen dat ik iets heb bereikt met de kinderen in mijn klas.
Ik heb een thuis, in de vorm van een mooi, groot huis. De verloofde en ik hebben er samen met familie en vrienden een tiental maanden hard aan gewerkt. En hoewel het nog niet “klaar” is, is het thuis. Het is de plaats waar ik tot rust kom, gewoon omdat het “thuis” is.
Ik heb een geweldige dag om naar uit te kijken. Binnen een aantal maanden komt wat tot dan toe de mooiste dag moet worden. Ik houd ervan om deze dag voor te bereiden. Trouwkleed kiezen, cadeautjes zoeken voor de getuigen, cadeautjes zoeken voor de bruidskindjes, zaal zoeken, uitnodigingen maken, … Ik kijk ernaar uit om de verloofde vanaf dan de echtgenoot te kunnen noemen. In goede en slechte tijden.
Ook op materieel vlak heb ik alles wat ik nodig heb. Ik heb een laptop, een tablet, een iPad, een iPhone, alles wat ik nodig heb (veel meer dan ik nodig heb, eigenlijk) om m’n werk goed voor te bereiden, om in contact te blijven en nog meer. Ik heb een goed gevuld schoenenrek (I love shoes!) en een kleerkast die met de regelmaat van de klok bijgevuld wordt (en I love shopping…). De koelkast en de kast zijn altijd goed gevuld, net als het wijnrek. We rijden met een mooie auto, en binnenkort komt er een nieuw exemplaar aan. Wanneer ik geen tijd of zin heb om te koken gaan we gezellig uiteten. En zo kan ik nog even doorgaan. Als je dit leest lijkt deze hele opsomming een beetje onnozel. Alles lijkt misschien vanzelfsprekend. Maar ik besef dat dit voor veel mensen op de wereld niet vanzelfsprekend is. Ik wil geen “wereldverbeteraar” zijn, maar weet wel dat ik bij de gelukkigen ben die op de juiste plaats geboren zijn. En dat ik gelukkig moet zijn met alle luxe die ik heb.

Het zal je wel opvallen dat ik elke keer begin met “ik heb”. Een heel andere manier van denken dan het eeuwige “ik wil”. En ik moet eerlijk zeggen dat dit stuk zichzelf heeft geschreven, ik moest er niet bij nadenken. Bij het typen van de woorden “ik heb” kwam de rest vanzelf. Toch ben ik bang om op de duur terug te gaan vervallen in het willen. Daarom ga ik meedoen aan de 100 Happy Days Challenge. 100 dagen lang ga ik elke dag een foto nemen van iets dat me die dag gelukkig maakt. 100 dagen lang ga ik elke dag even stilstaan bij iets dat ik heb. Misschien zijn die 100 dagen genoeg om er een gewoonte van te maken. Om te beseffen dat het geheim om alles te hebben erin bestaat dat ik het al heb. To be continued…