Choose a job you love, and you will never have to work a day in your life

Vandaag was de eerste dag van de rest van mijn leven. En het was een mooie dag. De lente hing in de lucht en de zon bracht aangename temperaturen met zich mee. Overal stralende gezichten. Nee, niet in de woonkamer waar ik de vorige 42 dagen doorbracht. Op de speelplaats. In de klas. Want vandaag mocht ik weer aan het werk. En het was heerlijk!

De wekker om 6u15. En om 6u25. En nog eens om 6u35. Om dan eindelijk, na de wekker van de verloofde om 6u45, op te staan. Het hondje buiten laten. Het versgebakken brood uit de machine halen. Opfrissen, aankleden, haar en make-up. Ontbijten en de krant lezen met de verloofde. Boterhammen smeren. Tanden poetsen. Fietsmand inladen. Het hondje binnen zetten. Samen met de verloofde naar het werk vertrekken. De ochtendroutine die ik al meer dan 42 dagen had gemist, voelde weer heel vertrouwd aan. Alsof het nooit anders is geweest. Alles ging vanzelf, als in een automatisme.
Ook op school ging alles weer zoals ik het gewend was voor het stilstaan van de wereld. De goeiemorgens in de gang en de koffiekamer. Het klaarzetten van de klas. De wachtrij aan het kopieerapparaat. Het was net of de tijd had stilgestaan, alsof de klok was stilgezet bij het stilstaan van de wereld en vandaag weer begon te tikken. Alles was hetzelfde.
En dan toch weer anders. De goeiemorgens werden nu gevolgd door vragen die ik ondertussen al op automatische piloot weet te beantwoorden. “Hoe gaat het?” “Zie je het zitten om alweer te starten?” “Hoe voel je je?” Collega’s die bezorgd zijn, niet nieuwsgierig, niet overbezorgd. Gewoon bezorgd, fijn. Ik weet dat ik op hen kan rekenen als het nodig is, en dat ze het begrijpen wanneer iets wat moeilijker gaat. En dat geeft me een veilig en zeker gevoel. Fijn om zo terug te kunnen starten.
Maandag, het eerste lesuur. In de oude routine zou ik in het vierde leerjaar zijn, om me samen met de leerlingen in de spellingsregels te verdiepen. In de nieuwe routine ben ik vrij en moet ik eigenlijk nog niet op school zijn. Vandaag is dan weer nóg iets anders. Ik moest de vierdeklassers gaan vertellen dat ik de rest van het jaar hun juf niet meer zou zijn. Dat ik alleen nog maar de juf van het zesde leerjaar zou zijn. Ik zag er enorm tegenop. Samen met mijn collega ging ik de klas binnen en bracht ik het nieuws. Ik legde uit dat ik heel erg ziek was geweest, en dat ik nog niet helemáál genezen ben. Ik vertelde dat de dokter het dan ook beter vond dat ik wat minder hard zou werken. En dat ik dus niet meer naar het vierde leerjaar zou gaan, maar dat ze me in het zesde leerjaar zeker terug zouden tegenkomen. Stilte in de klas. Een 16-tal droevige gezichtjes die me afwachtend aankeken. Dus vertelde ik ook snel dat juf K de rest van het schooljaar bij hen zou blijven. Opluchting op de gezichtjes. Oef…
Het tweede lesuur werd ik verwacht in mijn eigen klas. Wanneer ik binnenkwam, leek het wel of niemand durfde bewegen. Wanneer het ijs weer gebroken was met een mopje (“Jullie zien het, onkruid vergaat niet. Ik ben terug!”) legde ik de kinderen rustig uit wat er aan de hand was geweest: mijn verblijf in kamer 458, de onderzoeken die de dokter deed. En de wereld die bleef stilstaan. Alles in kindertaal, natuurlijk. Ik legde uit dat mijn hersenen niet zo goed meer konden communiceren met mijn been en hand, door een “wegomlegging” in mijn ruggenmerg die veroorzaakt werd door een ontsteking. Ik vertelde dat de dokter tests deed met elektrische schokjes, en dat ik twee keer in een soort van tunnel moest om “gescand” te worden. Uiteindelijk vertelde ik dat ik nog steeds ziek ben, ook al zie je het niet aan me. Ik gebruikte de term MS en probeerde duidelijk te maken wat dat precies is. Natuurlijk kwamen er al snel heel wat vragen. “Is dat dan zoals kanker?” – “Nee, van kanker kan je doodgaan. Van MS niet.” / “Dan kunnen ze jou een medicijn geven zodat je weer gezond bent?” – “Nee, er is nog geen medicijn om te genezen van MS.” / “Zijn er dan helemaal geen medicijnen?” – “Jawel, maar die kunnen er enkel voor zorgen dat je er minder last van hebt, ze kunnen je niet genezen. Nog niet. Misschien ooit wel.” / enzovoort. Ik nam de tijd om de vragen van de kinderen te beantwoorden. Want ik vond het belangrijk dat de kinderen een goed beeld kregen van wat hun juf heeft. Kinderen van 12 jaar zijn oud genoeg om te begrijpen dat er meer aan de hand is, dus vond ik het niet meer dan normaal hen alles te vertellen.
Voor de ouders maakte ik een brief waarin ik alles kort uitlegde. Niet de hele reutemeteut met het verblijf in kamer 458, de tests en de wereld die stilstond. Wel wat de diagnose was, en welke gevolgen die met zich meebrengt. De praktische gevolgen, bedoel ik dan. Het feit dat ik minder uren ga werken de rest van het schooljaar. Dat ik rustig aan moet doen, en er dus veel klassikaal en zelfstandig verbeterd zal worden. En dat ik hierbij hoop op het begrip en de medewerking van de ouders. Ik ben er zeker van dat dat geen probleem zal zijn.
Tegen de middag ging ik langs in de refter. In de oude routine zou ik het eerste half uur van de middagpauze reftertoezicht doen. In de nieuwe routine zijn al mijn middagen toezichtvrij, om ervoor te zorgen dat ik die tijd kan gebruiken om een beetje rust te nemen. Dat heeft de directie zo geregeld, waarvoor ik haar heel dankbaar ben. Toch kon ik het niet laten om even langs de refter te passeren om de kokkin te gaan begroeten. Ik werk al enkele jaren samen met haar tijdens de reftertoezichten, en wou haar toch even laten weten dat ik terug aan het werk was en dat het goed met me gaat. Ze was blij me te zien, en ik was blij om haar te zien. Ze vroeg of ik af en toe nog zou binnenspringen, dus beloofde ik haar om elke week langs te gaan voor een babbeltje. En ik kijk er al naar uit, naar die wekelijkse babbeltjes met haar in mijn nieuwe routine.
In de namiddag was het ietwat drukker in de klas, zoals gewoonlijk. De eerste dag na de vakantie in combinatie met een stralende lentezon maakte dat de leerlingen snel afgeleid waren. Tel daar nog eens een groepswerk bij op, en je krijgt de perfecte mix om een hoop drukte en chaos te creëren. Ik was dan ook blij dat de bel voor de speeltijd ging.
Na de speeltijd ging de tijd snel. Na het inschrijven van de agenda en het uitdelen van de huistaken, besloot ik mijn planning lichtjes te wijzigen en de leerlingen een tekenopdracht te geven in plaats van de geplande zangles. Ik voelde me stilaan best moe worden, en trakteerde mezelf hiermee op 20 minuten rust. Ook voor de kinderen was dit een goed plan om even tot rust te komen. De zangles pas ik later in de week wel in de nieuwe routine in.

De eerste dag van de rest van mijn leven was er meteen een goeie. Wat een geruststelling. De angst en onzekerheid van dag 42 zijn verdwenen, en maakten plaats voor een stevige dosis vertrouwen. Vertrouwen dat ik snel gewend zal zijn aan de nieuwe routine. Vertrouwen dat ik op mijn collega’s kan rekenen. Vertrouwen dat na het stilstaan van de wereld alles weer op z’n plaats zal vallen. Na deze eerste dag ben ik doodmoe, maar voldaan. Ik neem met plezier de nodige rust vanavond, om ervoor te zorgen dat ik voldoende recupereer van de eerste dag om ook de tweede dag aan te kunnen. En de derde, de vierde, enzoverder. Met de nieuwe routine, de energie die ik weer krijg door dat heerlijke gevoel en de nodige rust tussen de inspanningen door lukt het me wel.
Op de eerste dag van de rest van mijn leven heb ik niet gewerkt, maar genoten. En ik ben van plan om dat nog heel wat dagen te doen…

And now you don’t have to be perfect, you can be good

Weer een knoop doorgehakt. Na de paasvakantie, die het begin van het einde van mijn ziekteverlof inluidt (en dat is een vreugdedansje waard), zal ik nog enkele maanden niet fulltime voor de klas staan. Weet je dat water nog, dat ik bij mijn wijn moest doen? Wel, laat ons zeggen dat mijn wijn verdacht waterig begint te worden. En hoezeer ik ook van wijn houd, ik zal dit waterachtige goedje moeten leren drinken.

Wekenlang ben ik in de overtuiging geweest dat ik na de paasvakantie mijn job gewoon fulltime weer zou kunnen opnemen. Van maandag tot vrijdag, van half 9 tot half 4 voor de klas en dan nog enkele uurtjes doorwerken thuis, al mijn speelplaatstoezichten en zelfs de refters. De neuroloog heeft immers gezegd dat ik na deze opstoot weer alles zou kunnen. Ik zag niet in dat het herstel van een opstoot langer duurt dan een paar weken. Ik zag niet in dat de combinatie vierde en zesde leerjaar ook voor het eerste bezoek van mijn nieuwe levenspartner al zwaar en vermoeiend was. Ik zag niet in dat “alles” niet ineens komt, maar beetje bij beetje. Na een drietal weken rusten tot het mijn oren bijna uit kwam, probeerde de verloofde mij al met m’n eigenwijze voeten op de grond te zetten. “Ben je wel zeker dat je terug voltijds kunt werken na de vakantie?” Waarop mijn antwoord steevast positief was. Natuurlijk was ik ervan overtuigd dat ik terug voltijds zou kunnen werken! Waarom niet? Nu nog even rusten, en dan zou het me wel lukken. Stilaan begon ook de mama hieraan te twijfelen. Toch bleef ik zowel de verloofde als de mama verzekeren dat ik er na de paasvakantie terug fulltime zou kunnen staan, en hield ik mijn voeten koppig van de grond.
Pas vorige week begon ik in te zien dat ik misschien toch teveel ineens wou. Het inzicht begon te komen na het korte uitstapje naar school, voor de klasfoto’s. Dat blitzbezoekje had me zoveel energie gekost, dat ik de rest van de dag nodig had om te recupereren. Of beter gezegd: mijn lichaam had de rest van de dag nodig om te recupereren. De directie leek ook niet helemaal zeker te zijn van mijn plannen om terug voltijds te starten. Wanneer de verloofde en de mama zagen hoe vermoeiend de drukte was geweest voor me, deden ze weer enkele pogingen om me te overtuigen toch een aantal uurtjes minder te werken, voor even. Stilletjes aan begonnen mijn voeten te zakken, tot ze vrijdag helemaal op de grond stonden en ik besefte dat ik nog even zou moeten wachten op het “alles” waar de neuroloog over sprak en dat ik intussen best wat rustiger aan deed.
Eenmaal beide voeten op vaste grond stonden, moest het dan ook snel gaan. Ik wilde immers de knoop doorhakken en zo snel mogelijk alle papieren in orde brengen, voordat ik terug zou gaan zweven. Dus volgde een telefoontje naar de directie, printte ik meteen alle nodige in te vullen documenten af en maakte ik een afspraak bij de huisarts om deze documenten in orde te brengen. Na mijn bezoek aan de huisdokter morgenavond passeer ik meteen bij de rode brievenbus om de documenten te posten, zodat er geen weg terug meer is.
Nooit gedacht dat ik zelfs zoveel water zou hébben om bij mijn wijn te doen, laat staan dat ik het er eigenhandig bij zou gieten. Nooit gedacht dat ik me hier dan ook nog best goed bij zou voelen. Ik ben altijd heel erg streng geweest voor mezelf. Gewoon goed was nooit goed genoeg, voor minder dan perfect deed ik het niet. En was iets niet perfect, dan deed ik er alles aan om het beter te doen de volgende keer. Ik schrijf nu in de verleden tijd, omdat ik ondertussen heb geleerd dat perfectie niet bestaat. Ik heb al moeten leren me tevreden te stellen met “gewoon goed”, en soms zelfs met “goed genoeg”.

In mijn ogen was de “perfecte juf” er eentje die er fulltime staat. En ik wilde die perfecte juf zijn, liefst tot aan mijn pensioen (wanneer dat ook mag komen, enkel de regering mag het weten…). Met het doorhakken van deze knoop, leer ik weer iets bij. Ik leer mezelf tevreden te stellen met “goed” i.p.v. “perfect”. En dus wordt het vanaf nu mijn doel om een goede juf te zijn, in plaats van de perfecte versie ervan.

PS: Ik heb vandaag gestofzuigd. Voor het eerst in 5 weken tijd. Dat is ook een klein vreugdedansje waard!

Sometimes, it’s not the person you miss – It’s the feeling you have when you are with them

Vandaag begon de dag anders dan anders. Of eigenlijk, hetzelfde dan anders. Gewoon anders dan de afgelopen weken. Om deze verwarrende zinnen kort samen te vatten: de dag begon fantastisch! Ik mocht naar school! Ja, je leest het goed, “mocht”. Want normaal gezien heb ik daar nog niets te zoeken, en mag ik van zowel de dokter als van de mama en de verloofde nog niet te veel met werk bezig zijn. Maar vandaag was een uitzondering, vandaag werden de klasfoto’s genomen. En daar wou ik natuurlijk niet ontbreken. Ik was nog geen uur bij de collega’s en de kinderen en hoewel het druk was, was het heerlijk.

Ik ben de typische leerkracht. In het eerste leerjaar, bij juffrouw Agnes, besloot ik al snel dat ik later ook juffrouw wilde worden. De zus, vijf jaar jonger dan ik, werd het perfecte proefkonijn. Ze kon al rekenen tot 10, haar naam schrijven met hoofdletter en korte zinnen lezen aan het begin van het eerste leerjaar. Ik maakte zelfs rapporten, zo zwaar had ik het te pakken. Soms tot grote ergernis van de vriendinnetjes, want wie kwam spelen moest eraan geloven.
12 jaar later startte ik dan ook met de lerarenopleiding, om na 3 jaar mijn diploma in handen te hebben en aan het echte werk te kunnen beginnen. Ondertussen ben ik bezig aan mijn zevende schooljaar, en heb ik een vaste klas: mijn zesde leerjaar.
Ik werk hard, te hard soms. Als iemand in het verleden tegen me zei dat ik wat moest minderen, zei ik altijd “Daar pluk ik de volgende jaren de vruchten van!” of “Zo lang ik geen kinderen ben, kan ik het nog!”, altijd met een lach. Het werk heeft me altijd een gevoel van voldoening gegeven. Elke dag kan ik iets betekenen voor iemand. Soms zelfs voor een hele klas tegelijk. Dit schooljaar leek ik nog harder te werken dan de vorige jaren. Ik heb een massa ideeën die ik wilde uitwerken, en het ging niet snel genoeg voor mij. Hier komt bij dat de klas die ik dit schooljaar onder mijn vleugels heb… Laat me het een uitdaging noemen, zelfs voor doorwinterde leerkrachten. Stuk voor stuk lieve kinderen, maar met een gebruiksaanwijzing. Eens je deze gebruiksaanwijzing hebt uitgevogeld, valt er goed met deze kinderen te werken. Dat uitvogelen kostte natuurlijk wat energie, maar ik krijg er nu zoveel voor terug. Ik vond het dus ook niet erg om wat harder te werken, en wist zeker dat ik er nadien alleen maar goed mee zou kunnen zijn. Bovendien krijgt een leerkracht, wie ook met hart en ziel voor de klas staat zal dit beamen, een enorme dosis energie van de kinderen. Want of je nu in een eerste of in een zesde leerjaar lesgeeft, de kinderen in de basisschool komen nog echt graag naar school. Ze kijken naar je op, en dat geeft zo’n geweldig gevoel.
Tussen de kerst- en krokusvakantie had ik het wat moeilijker. Ik ga niet het hele verhaal daaromtrent vertellen, dan dwaal ik te ver af van het onderwerp, maar ik kan je wel zeggen dat ik het “gevoel” even kwijt was. Door samenloop van omstandigheden geraakte ik enkel energie kwijt, en kwam er niet veel meer bij. Het geweldige gevoel, de energie, die ik anders van mijn werk kon krijgen, alles weg… Ik dacht dat dit aan stress te wijten was, en dat ik van de stress extra vermoeid werd. Niets wat een weekje vakantie niet kon oplossen, dacht ik. Na de krokusvakantie startte ik dus terug, vol energie. Maar de vermoeidheid bleef aanhouden. Wintermoeheid, dacht ik. Heb ik al enkele jaren last van. Een vitaminetekort of iets anders dat in het bloed te zien was, kon het niet zijn. Ik had immers laatst mijn bloed nog laten checken bij de huisdokter, omdat de vermoeidheid na enkele jaren nog niet verminderd was. En volgens de resultaten was ik zo gezond als een vis. Het moest dus wel aan de winter liggen, met de eerste zonnestralen binnenkort zou dit wel weer voorbij zijn. En nu ik een weekje vakantie gehad had, zou de energie van de kinderen me wel weer kunnen opladen. Dat was ook zo. En daar was het geweldige gevoel weer, oef! Maar dan kwam de gevoelloze voet, enzoverder enzovoort. Dat deel van het verhaal ken je al.
Ik ben ervan overtuigd dat ik ergens een beetje verslaafd ben aan mijn werk. Nee, niet aan mijn werk. Aan het gevoel dat ik krijg van de kinderen. De energie die ze me geven. Want dat geweldige gevoel, een mengelmoes van acceptatie, appreciatie en een tikkeltje bewondering, is wat ervoor zorgt dat ik elke dag met plezier op m’n fiets stap om naar het werk te gaan. In het begin van mijn ziekteverlof miste ik de kinderen, en vooral dat gevoel dat ze me konden geven. Ik moest bij wijze van spreken “afkicken”, want de komende weken zou ik het zonder dit gevoel moeten stellen. Er kwam wel een vervangend gevoel, dat de meeste ontwenningsverschijnselen kon opvangen: bezorgdheid en steun. Na enkele weken thuis wist ik niet eens meer hoe dat geweldige gevoel aanvoelde, dat ik in het begin zo miste.
Tot vandaag. Vanaf het moment dat ik de schoolpoort binnenstapte werd ik geknuffeld en aangeklampt door de kinderen. Niet alleen de kinderen van mijn eigen klas, ook de kinderen van andere klassen. Ze waren bezorgd, benieuwd hoe het met me ging, en wilden vooral graag weten wanneer ik terug zou komen. Want ze misten me, zeiden ze. Bam. Daar was dat gevoel weer. En het voelde geweldig.
Jammer genoeg was het ook erg vermoeiend. Ik ben alle drukte niet meer gewoon, en ben ook nog snel moe. De kinderen gaven me dan wel het geweldige gevoel, en heel wat energie. Maar mijn lichaam is duidelijk nog niet volledig hersteld, en had aan die energie niet voldoende. Wanneer ik thuiskwam, kon ik dus niet anders dan weer in de zetel neerploffen en rusten, rusten, rusten… Maar ditmaal met een geweldig gevoel, een warm gevoel. Het gevoel dat ik dan toch heel erg had gemist.

Vandaag was een topdag. De tegenovergestelde dag van gisteren, hoewel het resultaat uiteindelijk hetzelfde is: vermoeidheid. Het grote verschil was dat dat ene uurtje de vermoeidheid meer dan waard was. Ik besef nu dat ik mijn werk niet heb gemist, en dat ik misschien zelfs de collega’s en de kinderen niet zo héél hard heb gemist. Ik heb het gevoel gemist dat ze me geven, en dat maakt deze kinderen extra bijzonder. Want het geweldige gevoel gaf me nét voldoende energie om weer vooruit te durven kijken, in plaats van achteruit. Ik kijk vooruit, en ik kijk uit naar de dag dat ik terug voor de klas sta. Klaar om weer elke dag dat geweldige gevoel te krijgen…