Fall apart, then start again

Een goeie vijf maanden geleden deden we het voor het eerst. ’s Ochtends vroeg stapten we samen in de auto en reden we naar het Universitair Ziekenhuis Antwerpen. Vol spanning parkeerden we de auto op de veel te grote parking en aarzelend zochten we onze weg in het doolhof van gangen van dit veel te grote ziekenhuis. Eenmaal de juiste dienst gevonden zaten we ongemakkelijk te schuifelen op onze stoelen in de geïmproviseerde wachtkamer, wachtend op onze beurt. Wisten wij veel dat dit hele gedoe al snel een routine zou worden, eentje die we nog vaak zouden moeten herhalen…

Elke cyclus verloopt volgens hetzelfde stramien. Van zodra mijn maandstonden zich als ongenode gast aankondigen, hang ik aan de telefoon bij de gynaecoloog. Er wordt geteld en een afspraak vastgelegd. De eerste vier keren kon de eerste afspraak wachten tot dag 10, vanaf de vijfde keer werd ze al vastgelegd op dag 3. Vanaf die vijfde keer begonnen ook de dagelijkse hormooninjecties. Elke avond, ongeacht onze plannen, waar we ook mogen zijn, mag manlief dan rond 20u een spuit met een dosis Menopur in mijn buik ploffen. En dat een negental dagen op rij. Na weer een controle bij de gynaecoloog – soms 2 controles, afhankelijk van de grillen van moeder natuur – krijgen we groen licht voor de volgende spuit. De Pregnyl-spuit, die de timing van de natuur in goede banen moet leiden, wordt voor de verandering niet in mijn buik maar in mijn bil gezet. Dat gaat het petje van manlief lichtjes te boven, dus ik ben dan ook blij dat ik elke keer weer beroep kan doen op een fantastische vriendin die telkens tegen tien uur ’s avonds voor onze deur staat om ons uit de nood te helpen met haar vroedvrouw-skills (jep, zij heeft haar stukje hemel – samen met onze eeuwige dankbaarheid – al dubbel en dik verdiend!).
Tot zover de voorbereiding… Zesendertig uur nadat de Pregnyl werd toegediend worden we verwacht in Edegem. We vertrekken telkens véél te vroeg en komen daardoor ook meestal minstens een half uur voordien aan, wat ervoor zorgt dat we nog rustig de tijd kunnen nemen voor een tas koffie en een croissantje in de cafetaria van het ziekenhuis. Iets voor 10 meldt manlief ons aan op de dienst fertiliteit, en pas tussen 12 en half 1 verlaten we het ziekenhuis weer. Wat in die tijd allemaal gebeurt, is iets tussen de dokter, manlief en mij.
En dan, zou je denken, zit het er op… Niets is minder waar, dan begint het nog maar pas. Het ergste moet dan nog komen: de wachtweken. Gedurende de komende veertien dagen kunnen we – naast drie pilletjes per dag – niets anders doen dan wachten. Wachten en hopen dat er binnenin mijn buik ondertussen iets kleins begint te groeien. Elke dag opnieuw opstaan met net dat beetje extra hoop. Hoop doet leven, dat wordt toch gezegd, en laat leven nét datgene zijn dat we nodig hebben daar binnenin.

De vijf voorbije keren werden die wachtweken telkens afgesloten met diezelfde ongenode gast waarmee de hele rimram begon. Het is een echte party pooper, die met z’n intrede telkens alle beetjes hoop die we de weken voordien bij elkaar hebben gesprokkeld als sneeuw voor de zon doet verdwijnen. Er vloeien tranen – véél tranen – en de hele wereld draait even door zonder ons. Het liefst van al zouden we op dat moment onze koffers willen pakken en vertrekken. Zomaar, even weg van alles, alleen wij en ons verdriet. Maar keer op keer vegen we onze tranen weg, bijten we op onze tanden en draaien we langzaam maar zeker weer mee met de rest van de wereld. Want die ongenode gast kondigt ook een begin aan, het begin van een nieuwe cyclus, een nieuwe kans. Story of our life: fall apart, then start again…

PS: ondertussen zijn de wachtweken van IUI-poging 6 begonnen, dus sprokkelen we weer alle beetjes hoop bij elkaar. Fingers crossed en kaarsjes branden dus…