Tears are simply the raindrops from the storms inside of us

Ik heb gewacht. Wekenlang heb ik gewacht. Op de eerste dag die ik zou doorkomen zonder tranen. De dag waarop ik van ’s ochtends tot ’s avonds zou kunnen lachen, zonder dipjes waarin het voelt alsof ik elk moment kan instorten. De dag waarop ik kan terugkijken naar onze 6 gelukkigste weken zonder de tijd te willen terugspoelen. Naar de dag waarop ik aan ons kindje zou kunnen denken zonder dat het zo ontzettend veel pijn doet vanbinnen. De dag waarvan het nu lijkt dat hij nooit zal komen.

5 weken. Zo lang is het al geleden dat de vier woorden van de gynaecoloog onze wereld deden instorten. Zo lang al. En zo lang nog maar. Het ene moment lijkt het alsof die 5 weken een eeuwigheid overbruggen, het andere moment lijkt het alsof het gisteren was dat we ’s ochtends nog gelukzalig over mijn buik lagen te wrijven in bed. Hoe dan ook, terugdenken doet nog steeds pijn. Het zorgt nog steeds voor tranen. De ene keer enkele stille tranen die stiekem over mijn wangen rollen, de andere keer onophoudelijk en hartverscheurend snikken. Vooral dat laatste overvalt me op de meest onverwachte en ongewenste momenten. “Komaan M, houd u in…”, denk ik dan. Tevergeefs. Tanden bijten, met m’n ogen knipperen: het zijn slechts middeltjes om de tranen uit te stellen. Ik heb al geleerd dat ze uiteindelijk toch komen. En hoe langer ik het uitstel, hoe talrijker ze zijn.
Ik dacht dat het makkelijker zou worden. En zo voelde het ook even. Nadat de miskraam had doorgezet en ik het vruchtje van ons kindje 4 weken geleden had verloren, voelde ik me elke dag een beetje beter. Kon ik weer vooruitkijken. Lachen. Doorgaan met mijn leven. Dacht ik. Maar het blijft moeilijk. Of ik het nu wil of niet, er kunnen geen 5 minuten voorbijgaan zonder dat ik aan ons kindje denk. Aan wat we hadden, of bijna hadden. Aan wat we niet meer hebben, aan wat we zijn verloren. Aan wat ik was, en nu niet meer ben. Aan wat ik terug wil hebben en terug wil zijn, en dat ik dat alles zó mis.
Het zijn vaak kleine dingen, waar niemand bij stilstaat. De spiegel die me confronteert met mijn platte buik. De broek die ik enkele dagen voor het slechte nieuws van de gynaecoloog kocht die nu toch wel erg los rond m’n middel zit. Het kerst-verlanglijstje waarvoor ik massa’s ideeën had en waarvoor ik nu plots inspiratieloos blijk te zijn. Het reclamefoldertje met babybedjes,autostoelen en luiertafels dat rondslingert in de woonkamer. De tientallen Facebook-pagina’s die ik al had ge-vindikleuk-t. Het lied van onze openingsdans, dat speelde in de wachtkamer van de gynaecoloog enkele minuten voordat de grond onder onze voeten wegzakte. Dingen die voor anderen onopgemerkt voorbijgaan, maar die mijn hart keer op keer weer in tienduizend stukken uiteen laten spatten. En dan bijt ik, en knipper ik. Totdat ik niet meer kan en de tienduizend stukjes van mijn hart een weg naar buiten zoeken in de vorm van tranen. De tranen luchten op. Eens ik het bijten en knipperen opgeef en toegeef aan de tranen, lucht het op. Voor even toch. Totdat de grens weer wordt bereikt.

Ik wacht niet meer. Ik maak me geen illusies meer: dit zal nooit helemaal voorbij zijn. Ik zal me altijd blijven afvragen: wat als…? Ik zal ons engeltje nooit helemaal kunnen loslaten, en dat wil ik ook niet. Maar de pijn, die wel. Ik blijf geloven dat er ooit een dag zal komen waarop ik het kan. Ooit, nu nog niet. Maar ooit…