IVF GOT YOU

In wat lijkt alsof het gisteren was en tegelijk in een ver verleden ligt, begon ons verhaal samen. Hoewel we jarenlang naar jou hebben uitgekeken, is het met momenten werkelijk onwezenlijk dat je nu bij ons bent. Maar je bent er, en je was vanaf onze eerste minuut samen het middelpunt van onze wereld …

Het was 17 januari. Literair gezien zou het gepast zijn moest ik hier beschrijven hoe het weer was die dag, maar die informatie moet ik je jammer genoeg schuldig blijven. Ik was op van de zenuwen, en had enkel oog voor mijn telefoon. We zouden immers een telefoontje krijgen van de embryoloog van het UZA – jouw eerste ‘babysitter’, om het maar even zo te noemen – en zouden we te weten komen of die dag dé dag zou zijn. Een dikke maand eerder waren er drie piepkleine embryo’s in de diepvries gegaan, en die dag zou er – als alles goed verliep – eentje terugkomen naar waar het thuishoorde: in het warme nestje binnenin mijn buik.
Om ongeveer 20 minuten na 9 klonk het geluid van mijn telefoon. Su-per-luid doordat ik het geluid loeihard zette uit het schrik om het telefoontje te missen, maar het was niet dat dat mijn hart even stilzette. Het was het nummer dat verscheen: het nummer van de dienst Reproductieve Geneeskunde van het Universitair Ziekenhuis in Antwerpen. De laborant aan de telefoon klonk opgewekt. Terecht, bleek al snel, want ze mocht goed nieuws brengen. Het embryo dat een aantal uren voordien uit z’n winterslaap werd gehaald, deed het goed. En dat betekende dat we mochten vertrekken. Moesten vertrekken. En wel zo snel mogelijk.
Dolgelukkig belde ik manlief op en bracht ik hem op mijn beurt het goede nieuws. Met tranen in de ogen, want we waren zo blij dat we deze keer al zo ver waren geraakt. Na het korte telefoontje griste de tas die ik de avond voordien al had klaargemaakt van de tafel en checkte voor de misschien wel honderdste keer of de inhoud volledig was. Drinkbus gevuld met water. Check. Zakdoekjes. Check. Paspoort, UZA-kaart, papieren. Check, check en check. Ready to go!
Ik pikte manlief op van zijn werk, en samen zetten we koers richting Edegem. Over de heenroute kan ik je niet meer vertellen dan het feit dat ik me vooral richtte op drinken, drinken en nog meer drinken. De reden daarvoor word je verder in dit verhaal wel duidelijk … Eenmaal aangekomen, bleek dat we op een wel erg druk tijdstip werden verwacht. Waar we anders makkelijk een plaatsje vonden, was nu nergens een vrije parkeerplaats te bespeuren. Ik sprong dus alvast uit de auto en zette een snelle pas richting de ingang van het ziekenhuis in, terwijl manlief ietwat zenuwachtig en lichtjes geïrriteerd door de rij- en parkeerkunsten van zowat alle andere bezoekers van het UZA de zoektocht naar een parkeerplaats voortzette.
Wanneer ik aan de rij stoelen aan het einde van de gang aankwam, kreeg ik niet de kans om me rustig neer te zetten. Het leek wel alsof iemand onze komst had aangekondigd, want van zodra ik de automatische schuifdeur passeerde werd die van binnenuit geopend en weerklonk mijn naam. Terwijl ik met een samenraapsel van woorden – je kunt het nauwelijks een zin noemen – uitlegde dat manlief nog onderweg was, loodste de verpleegster me binnen in de ruimte waar de embryo-transfer zou plaatsvinden. Nadat ze me verzekerde dat ze op mijn wederhelft zouden wachten, kon ik me weer focussen op datgene dat er echt toe deed: de ontmoeting met dat sterke embryo dat de ijstijd had overleefd.
Het duurde niet lang vooraleer manlief ons vervoegde – buiten adem en minstens even zenuwachtig als ik – en nadat er weer heel wat over en weer werd gegooid met namen en geboortedata, werd het labo-luikje geopend. De embryoloog die ik iets meer dan een uur geleden aan de telefoon had gesproken checkte diezelfde namen en geboortedata nog een laatste keer, vertelde nog eens hoe sterk je wel was om je dan aan de dokter door te geven. Je was ini-mini-klein, niet te zien met het blote oog, maar ons hart maakte kleine sprongetjes wetende dat we je zo dadelijk mee naar huis zouden mogen nemen.
De terugplaatsing verliep vlot. Mijn goed gevulde blaas had er vast iets mee te maken (ik zei je dat het nog duidelijk zou worden), maar ik wil vooral geloven dat ook jij je uiterste best deed om alles goed te laten gaan. Van zodra je op je plaats zat, mochten we samen met jou weer naar huis rijden. En oh, wat voelde dat goed. Beter dan ooit tevoren. Ik herinner me dat ik tijdens de terugrit tegen manlief zei: ‘Dit zit goed. Het voelt goed. Dit moét ‘m zijn …’

De dag nadien vierden we feest. Manlief was jarig, dat was sowieso een reden om te vieren. Maar we wilden ook klinken op jou. Op een goede afloop. Of beter nog: op het nieuwe begin, waarvan we hoopten dat jij zou meebrengen. Vanaf het moment dat jij bij mij was, was ik mogelijk zwanger. Ik moest me dus – ook al wisten we nog niet zeker dat je je in mijn buik zou nestelen – gedragen als een zwangere vrouw. Naast de cava werd er dus ook een alcoholvrij alternatief ontkurkt en op de tafel stonden alleen hapjes die preggo-proof waren. Hoewel me dat voordien altijd een dubbel gevoel gaf, dat doen-alsof-ik-zwanger-was terwijl het evengoed op niets kon uitdraaien, voelde ik me er deze keer prima bij. Je zat al een dag in mijn buik, en ik voelde me steeds zekerder van mijn stuk: jij zou voor altijd bij ons blijven. Maar dat zei ik alleen maar tegen manlief. Ik wilde mezelf behoeden voor al te veel overmoed en bovendien wilde ik de rest van de familie niet té veel hoop geven.
In totaal volgden er na deze dag nog negen dagen waarop we alleen maar konden wachten. Het enige wat we konden doen, was hopen dat jij intussen een lekker warm plekje had gevonden om je gezellig in te nestelen. Dat je even goed verder zou groeien als je vlak na je winterslaap in het labo van het UZA had gedaan. En dat je het zo fijn zou vinden in mijn buik, dat je het zou zien zitten om er nog een tijdje te blijven zitten. Terwijl ik het nu typ, lijkt negen een belachelijk klein aantal dagen dat zo voorbij is. Maar op dat moment leken de uren dagen te duren, en de dagen weken. We probeerden ons op ons werk te focussen, maar elke avond in de zetel konden we maar aan één ding denken, over één ding praten: wat zou het resultaat van de zwangerschapstest volgende maandag worden? Zat ons gevoel goed, of zaten we er helemaal naast? Beeldde ik me alleen maar in dat jij je daar volop aan het innestelen was, of was het effectief zo? Het waren helse dagen, waarin we zweefden tussen hoop en wanhoop …
De laatste twee dagen voordat ik naar het ziekenhuis zou moeten voor de zwangerschapstest, hebben manlief en ik elkaar niet gezien. Hij ging naar jaarlijkse traditie op ‘mannenweekend’, terwijl ik het weekend gezellig thuis doorbracht met het hondje. We wisten dat, wanneer we elkaar terug zouden zien, we ‘het telefoontje’ zouden moeten plegen. En dat maakte dat we enerzijds enorm naar ons weerzien maandag uitkeken en er tegelijk toch ook tegenop keken. Het knagende gevoel van wachten, dat was de enige zekerheid die we hadden. Welk gevoel die plaats zou innemen, dat was voorlopig nog een vraagteken.

Maandag 28 januari 2019. Om half negen ’s ochtends meldde ik me al aan in het ziekenhuis van Herentals. Ik kon de hele routine intussen al met m’n ogen dicht doen: de auto parkeren, het parkeerkaartje en de autosleutel netjes wegstoppen in mijn handtas, door de grote draaideur naar binnen, rechtsaf en de trap naar de eerste verdieping nemen, mezelf aanmelden en met de etiketjes in mijn klamme handen naar de verpleegpost van de dienst gynaecologie gaan. Het was maar goed dat ik dat alles met mijn ogen dicht kon, want ook hier hebben de zenuwen gaten in mijn geheugen achtergelaten. Ik weet hoegenaamd niet meer welke verpleegster de naald in mijn arm heeft geprikt om bloed te nemen en wat ze heeft gezegd. Ik weet zelfs niet meer op welke stoel ik zat. Alles wat ik nog weet, is dat ik zei: ‘Je moet mij niet opbellen, ik bel zelf wel voor het resultaat.’ Ik wilde immers samen met manlief het resultaat te weten komen, en wilde niet het risico lopen dat ze me zouden opbellen voor zijn thuiskomst.
Na de bloedname reed ik weer naar huis en probeerde ik me op mijn werk te concentreren. Tevergeefs. Mijn gedachten dwaalden steeds weer af, en ik kon het niet laten om elke paar minuten te checken hoe laat het was. Vanaf elf uur zou het resultaat beschikbaar zijn, en ook rond die tijd zou manlief thuiskomen. Het zekere gevoel dat ik daags voordien nog had, verdween stukje voor stukje met elke seconde die wegtikte en ons daardoor dichter bij het moment van de waarheid bracht …
Om tien over elf reed onze wagen de oprit op, met daarin een echtgenoot die zo mogelijk nog meer zenuwen had dan ik. Hij liet zijn koffers in de auto zitten en kwam meteen naar binnen. Na een kus en een snelle knuffel, besloten we om meteen door de zure appel te bijten. Het nummer van de dienst gynaecologie kende ik intussen uit mijn hoofd. Terwijl de telefoon overging, hoopte ik vurig dat ik deze keer niet naar het wachtmuziekje – waarvan ik elke noot kon meezingen – zou hoeven te luisteren. Elke seconde die wegtikte, was er één te veel. Met een ‘goeiemorgen, raadpleging gynaecologie’ kreeg ik gelukkig meteen iemand aan de lijn. Omdat ik het nieuws, of dat nu goed of slecht zou zijn, graag van de gynaecoloog zelf zou horen, vroeg ik om me door te verbinden. Ook hier werd de telefoon gelukkig meteen opgenomen. Na het aframmelen van mijn naam en geboortedatum, had de dokter al snel het juiste dossier voor haar op het scherm. ‘Dat resultaat is inderdaad binnengekomen, ik heb alleen nog niet de tijd gehad om het te bekijken’
klik
klik

kuch

dubbelklik

(Waarschijnlijk werken de computers in het ziekenhuis sneller dan ik hier doe uitschijnen, maar in onze herinnering ging het echt tergend traag) …

Proficiat, mevrouw! U bent zwanger!
Of ik veronderstel dat ze dat zei. Na ‘proficiat’ heb ik niets meer gehoord. Ik vroeg haar minstens drie keer of ze wel zeker was. Of ze mijn dossier wel voor zich had. Of dat echt wel het resultaat van mijn bloedname was. En ik knikte naar manlief. Ik knikte mezelf bijna een whiplash, terwijl de tranen van geluk over mijn wangen stroomden. Om dan een stortvloed aan dank-u-wels door de telefoon te sturen vooraleer op het rode telefoontje op mijn scherm te duwen. Ik knuffelde manlief haast tot moes, en hij mij. En daar, tussen ons in, daar zat jij. Veilig en wel in mijn buik. In jouw nestje. En daar zou je nog een hele tijd blijven zitten …

IVF GOT THIS – the story continues

In wat ondertussen een ver verleden lijkt beloofde ik je het vervolg van ons hoofdstuk van eerste keren. Ik schreef een tijdje niet, en dat om verschillende redenen. De hoofdreden was dat het even niet ging. Ik kreeg geen letter op het scherm. Manlief en ik moesten eerst zelf uitzoeken hoe we na het hoofdstuk van eerste keren – want dat kende ondertussen een einde – verder moesten gaan. Nu we voor het volgende hoofdstuk staan ben ik klaar om ook dat deel van ons leven te delen.

Omdat het een omvangrijk hoofdstuk is, besloot ik om voor een keertje af te wijken van mijn gewoonlijke tekstritme. Ik post de komende dagen stukjes van dit hoofdstuk, zodat alle verschillende stappen die we samen hebben gezet en de emoties die hierbij horen de aandacht krijgen die ze verdienen.


IVF GOT THIS | WE’RE SO EGG-CITED!

Nadat ik een tweetal weken dagelijks mijn buik ontblootte om manlief er een spuit gevuld met hormonen in te laten ploffen en ik drie keer per dag – op de meest onmogelijke momenten – de neusspray in elk neusgat had verstoven, werden we verwacht in het UZA voor de pick-up. De dag voor deze ingreep namen de stemmingswisselingen die de hormonen met zich meebrachten samen met de zenuwen voor de punctie de bovenhand. Ik ging van tranen met tuiten naar I-can-do-this en weer verder naar de volgende huilbui, en dit alles binnen een tijdspanne van 5 minuten. All. Day. Long.

Ik was bang, doodsbenauwd voor wat er de volgende dag komen zou. Hoe kon het ook anders? Tijdens het intakegesprek hadden ze me van naaldje tot draadje uitgelegd wat er zou gaan gebeuren. De woorden in combinatie met de verduidelijkende tekeningen gingen hun doel – mij geruststellen – ver voorbij en hadden me simpelweg nog meer schrik aangejaagd. Waarom, hoor ik je denken? Wel, laat het ons houden op het feit dat er niemand zit te wachten op een naald die door de wand van de vagina en de eierstokken wordt geprikt om zo de lekker-dicht-opeengepakte follikels één voor één aan te prikken en leeg te zuigen. Ik dus ook niet. Zelfs zonder de naaldenfobie die ik sinds het stilstaan van de wereld heb overwonnen keek ik er niet bepaald naar uit.
Met lege maag (nuchter enzo), een klein hartje en een tas vol afleiding in de vorm van kruiswoordpuzzels en tijdschriften stapte ik de dag van de pick-up samen met manlief het daghospitaal van het UZA binnen. Nadat ik me installeerde op de kamer (lees: mijn tijdschriften, kruiswoordpuzzels en balpennen had uitgespreid over het tafeltje naast mijn bed) kwam de verpleegster binnen om een infuus te prikken. Maar ze deed zoveel meer dan dat. De liefste verpleegster ooit, wiens naam mij nog steeds onbekend is, gaf me het enige wat ik op dat moment nodig had: geruststelling. Ze had in het verleden zelf het hele traject waar wij op dat moment middenin zaten meerdere keren doorlopen, en kon me tot in detail vertellen wat me die dag te wachten stond. Wat ze zouden doen. Welke medicatie ik zou krijgen. Hoe het voelt. En oh, wat een heerlijk gewicht viel er van mijn schouders. Niet alles, er bleven nog enkele tientallen kilo’s hangen, maar ik voelde me toch meteen lichter. Het maakte dat ik in de I-can-do-this-stemming bleef hangen, wat na de emotionele rollercoaster de dag voordien meer dan welkom was. Dus, lieve verpleegster, wherever you are: duizendmaal dank!
Doordat de verpleegster me al enorm kon geruststellen, was het tabletje valium dat ik kreeg voordat ik met bed en al richting dienst fertiliteit werd gerold lichtjes overbodig geworden. Ik nam het toch dankbaar aan, want met iedere gang waar de verpleegster mijn bed behendig in zwierde voelde ik mijn hart steeds sneller bonzen in mijn keel. Het ritme van de voetstappen van manlief en de wetenschap dat hij niet van mijn zijde zou wijken waren op dat moment de enige dingen die me lief waren aan de hele situatie waarin we ons bevonden.
Ik werd geparkeerd. Anders kan je het niet noemen. In een hoekje aan het einde van de gang op de dienst urologie bevindt zich een rij stoelen en een gordijntje, die samen moeten doorgaan voor de wachtruimte van de dienst fertiliteit. Klein puntje dat aan verbetering toe is in het UZA als je het mij vraagt. Maar goed, daar stond ik dus geparkeerd, in dat hoekje, achter dat gordijntje. Gezien de rij stoelen zich buiten het gordijntje bevond stond manlief gewoon recht naast mijn bed. Elke keer de schuifdeur vlakbij open schoof, voelde ik me alsof ik weer op die rollercoaster van de dag voordien zat. En wanneer de vrouw waarmee ik de kamer in het daghospitaal deelde aan de andere kant van het gordijntje werd geparkeerd en de verpleegster met een het-is-aan-u-mevrouw de rem van mijn bed afzette en me richting schuifdeur rolde, stond mijn hart haast stil terwijl het tegelijkertijd bijna uit mijn borstkas bonkte. Maar manlief was er, en dat zorgde ervoor dat ik alles met enige rust over me heen liet komen.
De pick-up zelf was bijzonder. Dat klinkt na wat je in de vorige alinea’s las misschien heel onlogisch. De prikken van de verdoving aan beide kanten waren even pittig – geloof me: je wordt écht niet graag geprikt op dié plaats – en ook de prikken van de naald voelde ik wel even, maar daarna was ik letterlijk aan het scherm gekluisterd. Tijdens de pick-up kan je alles wat binnenin gebeurt nauwkeurig volgen aan de hand van het beeld van de echo – jaja, live en al – en ik vond dit alles werkelijk indrukwekkend om te zien. Het moment waarop voor de eerste keer het woord EICEL uit de mond van de laborant kwam, kon ik mijn tranen haast niet bedwingen. Lucky tears deze keer want oef, het was allemaal niet voor niets geweest. Elke keer dit woord weerklonk, maakte mijn hart een sprongetje, goed voor in totaal negen sprongetjes. En nadien heel veel lucky tears.
Het moet hier gezegd worden dat ik het hele team dat me tijdens de pick-up heeft begeleid ongelooflijk dankbaar ben. Ik werd omringd door een team van verpleging, vroedvrouw, dokters en laborant dat naast professioneel ook erg menselijk te werk ging. We kregen een duidelijke uitleg van wat er zou gaan gebeuren bij elke stap die werd gezet. Ik kreeg elke paar minuten de vraag “Gaat het nog?”, afgewisseld met de lieve woorden “U doet het echt goed!” Ik werd met een enthousiast goed-gedaan-mevrouw zelfs gecomplimenteerd met het aantal follikels die ze vlak voor de pick-up zagen op de echo en nadien met het aantal eicellen die de punctie had opgebracht. Dit alles maakte dat ik me deze ervaring, waarvoor ik daags voordien nog angsttranen had gelaten, vooral herinner als beschreven in de vorige alinea: werkelijk heel bijzonder.
En dan kwam dit… De blik van manlief wanneer hij me aankeek na de ingreep. Met tranen in de ogen (ook bij hem waren er lucky tears) zei hij dat hij ontzettend fier op me was. Ja, janken natuurlijk hé. Ik denk dat op dat eigenste moment, met die uitspraak, met die tranen en in dat hoekje achter het gordijntje aan het einde van de gang onze band sterker was dan ooit tevoren.

De dag na de pick-up volgden nog meer tranen van geluk. Met een telefoontje bracht de laborant van het UZA ons op de hoogte van het resultaat van de IVF: wel liefst zes van de negen eicellen waren goed bevrucht. Deze zouden ze een aantal dagen hun ding laten doen, om op dag 5 na de pick-up het sterkste embryo terug te plaatsen.
De volgende dagen deed ik op doktersadvies rustig aan. Niet dat ik anders kon, mijn buik was nog steeds – of was het eerder nog méér – opgeblazen en ontzettend gevoelig. Bij de minste inspanning riepen de pijnscheuten me tot de orde: rusten was de boodschap. Frustrerend, saai, maar nodig om mijn lichaam de nodige rust te gunnen om te herstellen na de punctie. En dat was van groot belang voor de volgende stap…

Ze vraagt: “Kun jij nog dromen?”

Vandaag exact twee jaar geleden was een prachtige dag. De zon scheen en de temperaturen klommen tot een hoogte die niet als vanzelfsprekend wordt beschouwd eind oktober. Een dag vol lachende gezichten en tranen van geluk, met als afsluiter het beste feestje dat we ooit samen hebben gebouwd. Een dag vol liefde, voor mekaar en voor alle mensen die onze dag samen met ons vierden. 31 oktober 2015 zal voor eeuwig en altijd in mijn geheugen gegrift staan als één van de gelukkigste dagen van ons leven. Het leven was niet zoals we het hadden voorzien, maar wel precies zoals het moest zijn. En hoewel het leven ons nu, twee jaar later, nog steeds niet datgene bracht wat we zó graag willen, ben ik blij dat ik alle obstakels die ons uiteindelijk tot ons grootste geluk moeten leiden samen met hem mag overwinnen. Hij, die mijn beste vriend is, mijn steun en toeverlaat. Hij, die ik liever zie dan wie ook ter wereld. Hij, die ervoor zorgt dat ik nog kan dromen…

You will forever be my always

Vrijdag 30 oktober. Morgen zal één van de belangrijkste personen in mijn leven zijn naam veranderen van de verloofde naar de echtgenoot. 10 maanden lang hebben we er naar uitgekeken: naar de dag waarop we samen met alle mensen die we graag zien zullen vieren dat wij elkaar graag zien. Ik kan bijna niet meer wachten…

10 maanden. Wanneer we onze trouwdatum uitkozen, leek dat nog ein-de-loos lang. Genoeg tijd om na te denken hoe we deze dag zouden willen beleven, dachten we. Terwijl we eigenlijk al jarenlang een beeld in ons hoofd hadden van hoe onze mooiste dag er zou moeten uitzien: eenvoudig, ongedwongen, met niet te veel poespas. Familie, vrienden en collega’s, allemaal verzameld op één groot dansfeest. Niet urenlang tafelen, geen menu’s met gerechten waarvan je de naam amper kan uitspreken, geen “poepchique” locatie. Nee, gewoon “gewoon”, zoals wij zijn. En zo zal het ook worden.
De laatste maanden hield ik me na schooltijd dan ook non-stop bezig met het plannen van onze dag. En wat heb ik daar van genoten. Hoewel het soms ook wel eens vermoeiend kon zijn, gaf de voorbereiding van onze dag me bakken energie. Wanneer ik na schooltijd doodmoe thuiskwam, was m’n batterij meteen weer opgeladen als ik mijn stapel vlaggetjes-knipwerk zag liggen of er weer een bevestigingsmailtje binnenkwam. Het kon mij altijd helpen m’n gedachten te verzetten: vooruit kijken, uitkijken naar die ene dag.
Ondertussen zijn de laatste voorbereidingen achter de rug, en nu lijkt het alsof de laatste 10 maanden in een flits zijn voorbij gegaan. Alles is in gereedheid gebracht: de versiering voor de zaal staat klaar, de ballonnen zijn gevuld, de cava staat koud en het kleed hangt klaar. En ik ben er klaar voor, helemaal.

Morgen is het zover. En god, wat kijk ik er naar uit. Ik kijk uit naar het opmaken en aankleden met de getuigen, die overigens ook zullen stralen in de kleedjes die de tante heeft gemaakt. Naar het enthousiasme van de bruidskindjes, die er fantastisch uit zullen zien in de kleedjes die de nicht en de tante hebben gemaakt. Naar de familie, die voor een eerste toost naar hier komt ’s ochtends. Naar de vrienden, de collega’s, de kindjes, en iedereen die deze dag met ons wil beleven. Naar het moment waarop we “ja” zullen zeggen: ik tegen hem, hij tegen mij, wij tegen ons. Maar vooral kijk ik uit naar het moment waarop de deur openzwaait, ik hem zie en hij mij, en de wereld voor even stilstaat. En wanneer onze wereld weer in beweging komt, zal die hetzelfde zijn… en toch helemaal anders.

There is no foot too small that it cannot leave an imprint in this world

Ik neem je even terug in de tijd, naar 28 mei 2015. Want die dag stond de wereld weer even stil. En dat gebeurde in hetzelfde ziekenhuis. Ditmaal niet in kamer 458, maar een verdieping lager. Op kamer 353 van de dienst materniteit.

Kwart voor 8 ’s ochtends. De verloofde zijn telefoon rinkelde. Dat was vast de collega van de verloofde, er zou wel iemand hebben afgebeld, dacht ik. Het bleek nét iets belangrijker nieuws te zijn. De schoonzus zou snel bevallen. Of de verloofde zijn afspraken ’s avonds kon verzetten, om zijn petekind te gaan bezoeken. Natuurlijk kon hij dat!
De hele voormiddag hielden we onze telefoons in de gaten. Rond de middag kwam het verlossende telefoontje van de verloofde. Een tweetal uurtjes geleden was Felix geboren. Felix Vangenechten. Alles was goed verlopen, en we zouden ’s avonds al langs kunnen gaan om dat kleine wondertje te ontmoeten.
Eenmaal thuis moest alles snel gaan: cadeautjes kiezen op de geboortelijst, kaartje maken, de nodige berichtjes sturen, … De verloofde en ik waren niet te houden. Het moet dan ook een ongelooflijk idioot gezicht zijn geweest om ons in de lift te zien staan, de armen volgeladen met cadeautjes, een boeket bloemen en een grote ballon (je kent ‘m wel, de typische “it’s a boy”-ballon uit de shop van het ziekenhuis, love it!) De spanning stond van onze gezichten af te lezen, je zou haast zeggen dat we nog nooit een baby van dichtbij hadden gezien!
We hadden de kamer van Felix en zijn kersverse ouders al snel gevonden. Wanneer we door de deur wandelden en hem in de armen van zijn mama (want ja, de schoonzus heet vanaf nu ook “mama”) zagen liggen, stond de wereld weer even stil. Maar heel anders. De wereld stond stil, en had voor mijn part nog wat langer stil mogen blijven staan. Ik heb nog nooit zoveel geluk in één kleine kamer bij elkaar gezien. Gelukkige mama, gelukkige papa, gelukkige grootouders (want de schoonouders waren nu plots ook grootouders), gelukkige tantes, en als kers op de taart een gelukkige en trotse peter. De verloofde was plots ook “peter”.
Ook Felix was gelukkig, of dat denken we nu toch. Hij werd van de ene naar de andere arm doorgegeven, en hij gaf geen kick. Even wriemelen om terug goed te liggen, en verder slapen, meer beweging zat er niet in. En bij elke beweging stond de hele kamer recht om te zien wat hij deed en of hij z’n ogen toch niet eens opendeed, vergezeld van menig “oh” en “ah”.

Gek. Heel gek. Op bijna exact dezelfde plaats stond de wereld stil. En wanneer die weer begon te draaien, was alles anders. En dan toch weer hetzelfde. Weer stond de wereld stil. Weer is alles anders. Maar deze keer ben ik er niet rouwig om, integendeel. Welkom op de wereld, Felix!

One’s not half of two; two are halves of one

Mijn verhaal zou niet volledig zijn zonder een stuk over de verloofde. Zoals ik al vertelde tijdens onze kennismaking, speelt de verloofde een immens grote rol in mijn leven. E.E. Cummings sloeg de nagel op de kop wanneer hij deze zin op papier zette. Niet dat ik het gevoel had niet volledig te zijn voordat ik de verloofde leerde kennen. Helemaal niet. Ik was een onbezorgde tiener die in het weekend graag een stapje in de wereld zette en de vrienden als de dierbaarste mensen in het leven beschouwde. Ik fladderde graag eens rond, van de ene jongen naar de andere. En toen zag ik J.

Ik ga je niet vervelen met onze volledige liefdeshistorie. Er zijn nu eenmaal hoofdstukken in het verhaal van mijn leven die ik liever binnen beperkte kringen houd. Gewoon, omdat ze van mij zijn, of in dit geval van ons. Om een lang verhaal kort te maken: het heeft heel wat voeten in de aarde gehad vooraleer we elkaar hadden gevonden. De film “King Arthur”, het lied “Mia” van Gorki en Sinterklaas hadden er elk in hun aandeel in. We deden alles in de juiste volgorde: studeren, werk vinden, samenwonen in een huurappartement, huisje kopen, huisje verbouwen, de grote verhuis, het hondje kopen. Huisje, tuintje, boompje, beestje… Verliefd, sinds kort verloofd en binnenkort getrouwd. The happy life!
De verloofde is van het voorzichtige type. Op alle vlakken. Geen bad boy dus, maar één grote brok bedachtzaamheid. Begrijp me niet verkeerd, geen softie! Hij heeft gewoon de nodige dosis geduld en kalmte en om een impulsief en energiek (of liever: druk) iemand als ik tot rust te brengen. Elke beslissing die hij neemt is berekend, en dat is nog wat ik het meest nodig heb. Ik ben namelijk een nogal snelle beslisser, behalve wanneer ik op zaterdag moet kiezen wat ik van de broodjeszaak in de buurt wil (en toch ga ik bijna elke zaterdag weer voor hetzelfde). Maar áls hij iets beslist, als hij kiest ergens voor te gaan, dan gáát hij er ook voor. Dan wijkt hij niet van zijn pad vooraleer hij zijn doel bereikt heeft.
Ook wanneer ik last kreeg van de gevoelloosheid in mijn rechtervoet en -been, hield hij voet bij stuk. Door zijn medische opleiding begon hij zich al snel zorgen te maken. Woensdagavond kreeg hij me uiteindelijk zo ver dat ik via internet een afspraak maakte bij mijn huisarts. Ik deed dit meer om hem gerust te stellen, dan uit bezorgdheid over wat er aan de hand zou kunnen zijn. Omdat ik pas vrijdagavond een afspraak kon vastleggen, wou de verloofde me overtuigen die dag nog bij zijn huisarts langs te gaan. Dus belde ik donderdagmiddag de huisdokter op om even te vragen of ik alvast iets kon doen om de gevoelloosheid te verminderen. Hiermee kon ik de verloofde toch even geruststellen, en toch gewoon naar mijn eigen huisarts gaan. Ik ben niet iemand die wekelijks naar de dokter gaat, en als ik dan toch moet gaan, dan liefst naar de dokter die me het best kent. Vrijdagavond stelde de dokter vast dat er hoogstwaarschijnlijk een zenuw gekneld zat ter hoogte van mijn bekken, en raadde hij me aan een afspraak te maken voor een CT-scan. Oef, dat was iets waar de verloofde me nog mee kon helpen. En het probleem was niet super-dringend, of toch niet in mijn ogen. Maandag zou ik bellen voor de scan, en dan zou de dokter verder kunnen bekijken hoe het probleem verholpen kon worden. Eind goed, al goed!
Toen de gevoelloosheid verder trok in mijn zij, werd de verloofde terug ongerust. Na een moeizame wandeling, waarbij duidelijk werd dat ik ook een probleem had in mijn linkerbeen, wou hij me in de auto zetten en naar de spoedafdeling van het ziekenhuis rijden. Maar zoals misschien al duidelijk werd in vorige posts, ik ben dan weer van het koppige type. De rest van onze dag stond al gepland (friet-met-stoofvlees-dag bij de schoonfamilie, en de verloofde moest nog gaan sporten) en geen haar op mijn hoofd dat deze plannen nog wilde wijzigen. Ik had ook nog geen enkele voorbereiding getroffen voor de lessen die ik maandag zou geven in de klas, dus ik besloot dat we geen tijd hadden om naar het ziekenhuis te rijden. Tegen de zin van de verloofde, en uiteindelijk bereikte hij zijn doel maandagavond dan toch. Er waren nog de huisarts, de collega’s en de mama voor nodig om me zo ver te krijgen, maar ik belandde dan uiteindelijk toch op spoed.
De verloofde was, toen hij hoorde dat mijn ruggenmerg ontstoken was, meteen doodongerust. Meteen na zijn werk sprong hij in de auto en racete hij richting ziekenhuis. Dat beeld ik me nu zo maar in, ik was er natuurlijk niet bij. Ik weet wel dat op dat moment zijn rust, kalmte en bedachtzaamheid even plaats maakten voor bezorgdheid, onrust en zelfs lichte paniek. Dat zag ik aan zijn bleke gezicht wanneer hij kamer 458 binnen kwam. Dat hoorde ik aan zijn gebroken stem wanneer hij vroeg hoe het met me ging. Dat voelde ik aan de klamme hand die zich om de mijne sloot terwijl hij zwijgend naast mijn bed zat. Deze keer was ik diegene die geruststelde, de rollen even omgekeerd.
De volgende dagen heeft de verloofde heel zijn leven aangepast aan de bezoekuren van het ziekenhuis. Na het werk kwam hij steeds meteen naar kamer 458. Eten, slapen, … alles moest wijken. Niet zo gezond, heb ik hem ook meermaals gezegd. Maar daar was hij weer, zoals ik hem kende: standvastig en niet van zijn stuk te brengen. Elk vrij moment gebruikte hij om een berichtje te sturen of om me even op te bellen om te checken hoe het met me ging, welke tests er nog gedaan waren en wat de dokter nog had gezegd. Met elk woord dat hij zei, voelde ik me weer een stukje zekerder, een beetje veiliger. Met elk woord legde hij een steen bovenop de stevige muur die we in al die jaren rondom ons hadden gebouwd. De stevige muur die alle negatieve dingen die op ons af zouden komen, moest tegenhouden. Na 9 jaar was die muur al een behoorlijk bouwwerk geworden.
Wisten wij veel dat de muur opeens zwaar onder vuur zou komen te liggen… Die bewuste woensdag heeft de uitspraak van de dokter zijn eerste aanval op de muur geopend. Het was meteen een voltreffer. Aan de telefoon hoorde ik hoe de verloofde stil werd, de muur helde even over… Maar tegen de avond zag ik de verloofde terug zoals ik hem kende: mijn grote, vaste brok. Steen voor steen bouwden we de muur terug op. Samen. Met oude, gebroken stenen. Met nieuwe stenen.
Nu, vandaag, is de muur steviger dan ooit. Dit had ik niet alleen gekund, dit had de verloofde niet alleen gekund. Dit hebben we samen gedaan. En dit doen we nog elke dag, samen.

One’s not half of two; two are halves of one. En hij is de andere helft van ons.