28.09.19 | Oh, happy day

Bijna negen maanden lang droeg ik hem in mijn buik. Al die tijd waren we ons er sterk van bewust dat hij het mooiste was dat ons ooit was overkomen. Ons eigen klein, groot gelukske. Maar wisten wij veel hoe groot dat geluk uiteindelijk echt was. Hoe verliefd we zouden zijn op hem en op elkaar. En hoeveel mooier de wereld zou zijn met hem erin …


Ik had werkelijk een droomzwangerschap. Geen ochtendmisselijkheid – halleluja! – of rare eetgewoonten, en ook de andere kwaaltjes staken slechts kortstondig of zelfs helemaal niet de kop op. Manlief en ik hebben intens genoten van de tijd waarin mijn buik groeide, van de schopjes en hikjes waarop ons gelukske ons met de regelmaat van de klok trakteerde, en van de voorbereidingen die we samen konden treffen. Elke keer we op babydate gingen bij de gynaecoloog, werden we weer dat tikkeltje meer gerustgesteld: ons gelukske deed het prima daar vanbinnen en hij groeide helemaal zoals de dokter dat van hem verwachtte. Op 2 september gingen manlief en ik weer op controle bij de gynaecoloog. Niets nieuws, en toch was in de wachtkamer de spanning al te snijden. Want ik had de laatste dagen vaker last van pijnlijke harde buiken, beduidend meer dan voorheen. Ook het langdurig zitten aan mijn bureau ging mij niet zo goed meer af. Ik was dus erg benieuwd wat er binnenin gaande was, en wat het verdict van de gynaecoloog zou zijn …

Al snel bleek dat de lichte spanning die ik voelde niet ongegrond was. Ik had op mijn 35 weken + 1 al ontsluiting en het hoofdje van de baby bleek al ingedaald te zijn. Enerzijds was dat goed nieuws, het moment waarop we ons gelukske zouden ontmoeten kwam op die manier wel erg dichtbij. Anderzijds verontrustte het de gynaecoloog, ze zag me liever de termijn van 37 weken halen. Het gewicht en de lengte van de baby zaten wel perfect op schema, maar hij zou nog in de couveuse moeten blijven als hij nu al zou komen. Omdat de dokter het voor iedereen beter vond om gezellig samen te cocoonen op 1 kamer, raadde ze me aan om me tot 15 september rustig te houden. De planning van mijn zwangerschapsverlof viel op die manier in duigen: terwijl ik gepland had om door te werken tot en met 13 september, werd ik nu aangeraden om mijn verlof meteen te laten ingaan. Hoewel ik nog heel wat op mijn to do lijst had staan, besloot ik om de raad van de gynaecoloog op te volgen. Ik bracht de volgende ochtend mijn collega’s in de uitgeverij op de hoogte, en bracht zo snel mogelijk de hele papierwinkel – en oh jee, dat bleek heel wat te zijn – in orde.

De twee weken die volgden, bracht ik vooral door in de zetel. Ik wilde echt graag de 37 weken halen, dus deed ik enkel het hoogstnodige in het huishouden en was vooral Netflix mijn beste vriend. Alle voorbereidingen waren immers al gebeurd: de doopsuiker stond klaar, de (meeste) adressen voor de geboortekaartjes waren verzameld en op de enveloppen geschreven, en zowel mijn eigen valiesje als dat van de baby stonden klaar. De dagen gingen tergend traag voorbij, maar elke dag die ik door geraakte zonder tekenen dat de bevalling was begonnen, was er eentje die me dichter bij die 37 weken bracht. Je kunt je dus wel voorstellen dat ik op 15 september licht euforisch was: ik had het gehaald en mocht terug wat mobieler zijn! Yay! Bovendien waren zowel de gynaecoloog als ikzelf er bij de controle op de zestiende rotsvast van overtuigd dat het nu echt niet lang meer zou duren vooraleer ons gelukske van zich zou laten horen …

En dus wachtten we vol spanning en elke dag een tikkeltje ongeduldiger af. Bij elk krampje hoopte ik dat dat het eerste teken zou zijn dat de bevalling zou inzetten. Wanneer ik voorweeën kreeg, hield ik de tijd die ertussen zat nauwkeurig in de gaten. Maar nee, er was geen regelmaat in te vinden. En zo werden 37 weken er al snel 38. Stilaan leek het erop dat de gynaecoloog geen gelijk zou krijgen: ze had ons op 35 weken al gezegd dat ik oktober niet zou halen, maar toch naderde het einde van de maand september. Intussen was ik het wachten grondig beu, en dat kreeg manlief dagelijks meer dan eens te horen … Hoewel ik me probeerde af te leiden met kleine uitstapjes naar de plaatselijke horeca met de mama, leken de uren en dagen voorbij te kruipen. Ik weet het, ik had mijn uitgerekende datum nog niet eens bereikt, en ik had naast de gewone ongemakken die mijn dikke buik met zich meebracht geen noemenswaardige klachten, dus ik had eigenlijk geen reden tot klagen. Maar doordat de gynaecoloog me op 35 weken al had gezegd dat ons gelukske zich vroeger dan berekend zou aankondigen en ik al wekenlang thuis zat, kon ik haast niet meer wachten om hem te ontmoeten. De bevalling schrikte me dan ook niet af, integendeel: ik keek er ontzettend naar uit. Ik wist dat ik pijn zou hebben, maar ik keek zó uit naar het moment waarop ik ons gelukske voor het eerst zou horen, zien en voelen.

In de nacht van donderdag 26 op vrijdag 27 september dacht ik dat het zover zou zijn. De hele nacht door werd ik geplaagd door voorweeën, die zelfs na een paar uur aanhouden jammer genoeg nog steeds geen regelmaat hadden. Vrijdagochtend viel de hele boel zelfs stil. Ik had de hele nacht geen oog dichtgedaan en was doodop, dus besloot ik om het die dag heel rustig aan te doen en een beetje bij te slapen. Vrijdagavond had ik nog een paar harde buiken, maar voor de rest leek het alsof alles binnenin mijn buik heel rustig was. Ik was er dan ook van overtuigd dat het niet voor die nacht of de volgende dag zou zijn, en met die woorden stelde ik manlief gerust: we zouden nog minstens één keer kunnen uitslapen. We bleven net iets langer op om samen van onze avond te genieten en kropen rond 1 uur samen onder de wol.

Rond 3 uur werd ik wakker voor een toiletbezoek. Niets ongewoons met een baby die constant op mijn blaas duwde. Eenmaal op toilet voelde ik een enorme steek in mijn onderbuik. Ik wist meteen dat dit geen gewone harde buik was, dit was een wee! Een euforisch gevoel overviel me, samen met de hoop dat het niet bij deze ene wee zou blijven. Dat gevoel maakte echter al snel plaats voor lichte paniek wanneer ik zag dat het water van het toilet helderrood was gekleurd. Ik had een bloeding, en ik wist niet wat dat kon betekenen. In mijn hoofd kon de bevalling op twee manieren beginnen: mijn water zou breken of ik zou weeën krijgen. Dit scenario had ik nooit eerder bedacht. Ik propte snel wat toiletpapier tussen mijn benen en strompelde – met die prop papier in combo met die dikke buik en de wee die nog nazinderde was gewoon stappen even geen optie – naar de slaapkamer, waar ik manlief wekte met de woorden: ‘Bel naar de materniteit, ik heb een bloeding!’ Achteraf bekeken waren die woorden perfect gekozen om hem in dezelfde panische toestand als ikzelf te brengen, maar manlief bleef er verbazingwekkend rustig onder. Ook op de materniteit was er geen reden tot paniek, de vroedvrouw die aan de andere kant van de lijn zat zei manlief met rustige stem om naar het moederhuis te komen. Daar zouden ze dan verder kijken wat dit alles precies betekende. We sprongen als het ware in onze kleren – ik met mijn dikke buik nét iets minder snel dan mijn wederhelft – en checkten of we alles mee hadden. Terwijl ik de laatste spullen bij elkaar zocht, besefte ik plots dat het nu ‘voor echt’ zou zijn. We zouden met z’n tweeën naar het ziekenhuis rijden, en binnen een paar dagen zouden we met z’n drieën naar huis komen. En die gedachte alleen al stelde me gerust. Het maakte dat de paniek die ik een paar minuten voordien voelde stilaan wegebde om plaats te maken voor een goeie dosis gezonde spanning. We lieten het hondje nog eens buiten, laadden de laatste spullen in de auto, en vertrokken dan richting Herentals.

Er was door het late uur zo goed als geen verkeer op de baan, wat maakte dat manlief rustig naar Herentals kon rijden. Hij parkeerde de auto op de parking van de spoedafdeling, haalde de valiesjes van de baby en van mij uit de koffer en samen meldden we ons aan bij de balie op spoed. Samen met de verpleegster van de spoedafdeling wandelden we – of beter gezegd: hij wandelde, ik waggelde – naar de materniteit, waar de vroedvrouw die manlief eerder aan de lijn had ons opving. We werden meteen verloskamer 3 in geloodst, waar ik een kort relaas van de feiten uit de doeken deed. De vroedvrouw kon al snel besluiten dat ze er relatief zeker van was dat ik in arbeid was. Oef, het was dus geen vals alarm, we zouden niet terug naar huis gestuurd worden … Wanneer ze mijn ontsluiting controleerde, kwam er verrassend nieuws: ik zat namelijk al op 6 centimeter! Ik was al over de helft, en ik had nog niet eens echt pijnlijke weeën gehad. ‘Jullie kunnen er al zeker van zijn dat jullie vandaag mama en papa zullen worden’, lachte de vroedvrouw. En dat klonk werkelijk als muziek in onze oren …

Nu zou het deel van het verhaal moeten komen waarin ik het uitschreeuw van de pijn. Waarin ik wee na wee wens dat het allemaal snel voorbij mag zijn. Waarin ik al snel vraag om de epidurale verdoving, die ik normaal gezien van mijn neuroloog zou moeten krijgen om er zeker van te zijn dat de pijn me niet teveel zou uitputten. Maar ons verhaal liep anders … Want ik schreeuwde het niet uit van de pijn, maar kon met de ademhalingsoefeningen die ik leerde tijdens de lessen zwangerschapsyoga, de tips die de vroedvrouw gaf, en met manlief aan mijn zij de pijn van elke wee goed opvangen. Ik vroeg niet om de epidurale verdoving, want na overleg met de vroedvrouw besliste ik dat het ook zonder kon. Ik had immers al 6 centimeters ontsluiting, en ik recupereerde nog prima tussen de weeën door. Bovendien vond ik dat de pijn die ik voelde nog draaglijk was en had ik niet het gevoel dat die me uitputte. Ik wenste niet dat het snel voorbij mocht zijn, maar had het gevoel dat de tijd voorbij vloog. Het enige waarop ik wachtte, was het breken van mijn vliezen. De vroedvrouw zei dat er veel druk op mijn vliezen stond, en dat ze elk moment spontaan zouden breken. Maar wanneer ik aan 8 centimeter ontsluiting zat en dat nog steeds niet was gebeurd, besloot de vroedvrouw samen met haar opvolgster – het was intussen ochtend, dus was het tijd voor de shiftwissel – dat ze mijn vliezen dan maar zelf zouden moeten breken. Van zodra ze dat probeerden, werd duidelijk waarom ons gelukske zich niet eerder had aangekondigd: ik had blijkbaar best taaie vliezen. Zelfs met de vliezenbreker bleek het niet zo simpel te zijn om ze te breken. Maar wanneer dat eenmaal toch lukte, voelde ik meteen dat alles binnenin in een stroomversnelling – letterlijk en figuurlijk – kwam. De vroedvrouw voelde mee wat er binnenin gebeurde bij de volgende wee, en zei al snel: ‘Het hoofdje zit goed en we hebben 10 centimeter. Ik ga de gynaecoloog bellen en we gaan beginnen persen.’

Oh my god, nu ging het dus echt gaan gebeuren. We zouden ons gelukske nu heel snel in onze armen kunnen sluiten. De vroedvrouw belde de gynaecoloog op, trof nog enkele voorbereidingen en legde me dan rustig uit wat ik zou moeten doen. En vooral hoe ik dat zou moeten doen: bij het begin van een wee diep ademhalen, kin tegen borstkas, knieën vastnemen en dan persen. Normaal gezien zou ik dat tijdens elke wee een drietal keer kunnen herhalen, om dan tussen de persweeën door even op adem te komen. Bij de eerste wee werd meteen duidelijk dat het niet mijn hoofd, maar mijn lichaam was dat perfect wist wat het moest doen. Ik vond het onvoorstelbaar hoe sterk mijn lichaam plots bleek te zijn. Hoewel ik had verwacht dat mijn lijf na een aantal keer persen doodop zou zijn, leek het wel alsof mijn lichaam bij elke keer dat ik perste, bij elke millimeter dat ik ons kindje voelde indalen, meer en meer kracht had. Na een aantal weeën wenkte de vroedvrouw manlief om te gaan kijken. ‘We zien de haartjes al!’, zei ze. Die woorden zorgden voor de eerste tranen. Haartjes! Ons kindje had haartjes! Met die wetenschap werd alles plots zo echt, hoe onwerkelijk het ook leek: het was nu nog maar een kwestie van minuten vooraleer we ons kindje zouden kunnen knuffelen. Niet veel later kwam de gynaecoloog aan, en ze staakte haar gezellige babbeltje met ons al snel wanneer ze een blik tussen mijn benen wierp. Met de woorden ‘Wauw, hier is al hard gewerkt’ en een zwaai waarmee ze haar witte jas uitgooide en zich in haar groene schort werkte, zette ze zich klaar. Ze had nog net de tijd om kort aan haar stagiaire uit te leggen wat ze precies ging doen voordat de volgende wee zich aankondigde. Vanaf het moment dat ik weer begon te persen, herinner ik me slechts flarden. Ik hoor nog de aanmoedigingen van de vroedvrouw en de gynaecoloog – ‘nog, nog, nog … !’ – en ik voel nog de hand van manlief die mijn rug ondersteunde. Ik weet nog dat mijn lijf nog nooit tevoren zo sterk aanvoelde. En dan kwamen plots de woorden: ‘Hier, pak uw kind aan!’

En daar was hij. Een klein schreeuwend pakketje pure perfectie. Het beeld van mijn armen die zich uitstrekten en ons kindje dicht tegen mij aantrokken staat voor altijd op mijn netvlies gebrand. Hoe graag ik hem al bijna negen maanden lang dacht te zien, bleek slechts een fractie te zijn van de liefde die ik op dat moment in elke vezel van mijn lichaam kon voelen. Leon – ja, vanaf dat moment mocht de hele wereld zijn naam weten – werd op mijn borst gelegd en op dat eigenste moment vielen de stukjes van onze puzzel helemaal ineen: vanaf dan waren we een nieuwe wij. Eindelijk waren we een écht gezinnetje …


IVF GOT THIS | May the embryos be ever in your favor

In een vorig deel van ons hoofdstuk van eerste keren vertelde ik je over de pick-up. Het is wel duidelijk dat die een grote indruk op ons had nagelaten – nog steeds trouwens. Gelukkig kreeg ik na de eicelpunctie en het telefoontje de dag nadien even de tijd om te bekomen. Tijd die nodig was. Want zowel emotioneel als fysiek was alles de laatste weken grondig overhoop gegooid. Ik pik het verhaal weer op in de dagen na de punctie, begin augustus.


Laat me eerst even duidelijk stellen dat ik geen kleinzerig type ben. Niet meer. Hoewel ik volgens manlief mijn klep wel eens te hard durf openzetten wanneer het hondje iets te onstuimig knuffelt, klaag ik volgens mij niet snel over pijn. De dagen na de pick-up deed ik dat dus ook niet, hoewel aan de omvang van mijn buik duidelijk te zien was dat er daarbinnen heel wat aan de hand was geweest. Hoe kan het ook anders? Op de plaats waar anders elke maand één eicel rijpt, of in sommige gevallen hoogstens twee, hadden nu wel liefst 11 follikels gezeten. Om je een idee te geven: een follikel heeft vlak voor de eisprong een diameter van een slordige vijfentwintig millimeter. Twee-en-een-halve-centimeter, en dat 11 keer verspreid over de twee eierstokken. Je kunt je wel voorstellen dat die dingen danig hun best hadden moeten doen om dat allemaal gestockeerd te krijgen. Tijdens de pick-up werden ze vervolgens doorboord om de follikels één voor één aan te prikken. Dat gewroet met die naald deed ze evenmin goed. Om een terugplaatsing van een embryo een aantal dagen later mogelijk te maken, was het dus belangrijk dat alles binnenin weer ietwat op z’n plooi kwam.
Op dag 5 werden manlief en ik weer verwacht in het UZA. ’t Is te zeggen, ik werd verwacht, maar manlief ging zoals altijd met me mee. Aangezien koppels die op de ‘gewone’ manier kinderen maken dat samen doen, vinden wij het niet meer dan normaal dat wij dat ook doen. Fysiek was de terugplaatsing geen uitdaging – naast de volle blaas die pas na de transfer geledigd mag worden, geen sinecure voor iemand die door haar MS moeite heeft om die te controleren – maar emotioneel bleek ook deze stap ons weer te verrassen…
De dag voordien begon het al te knagen. De hele resem ‘wat als…’-vragen passeerde meer dan eens de revue. Wat als er maar één embryo overblijft en er niets in de diepvriezer kan? Oh nee, wat als geen enkel embryo het haalt? Wat als mijn blaas niet vol genoeg is (weet ik veel!)? Wat als het enige embryo dat overblijft niet sterk genoeg is? Wat als ik niet voldoende goed hersteld ben? Wat als…? Ik verzeker je: gek word je van dat soort vragen waar niemand op dat moment een antwoord op kan geven. Elke keer mijn telefoon eender welk signaal gaf, stond mijn hart stil uit schrik dat de embryoloog zou bellen met het nieuws dat alle embryo’s het hadden opgegeven en de transfer niet zou doorgaan. En dat dan alles voor niets zou zijn geweest.
Maar dat telefoontje kwam niet, en dus stonden we de volgende dag op tijd op om richting Antwerpen te rijden. Met flesje water bij de hand, want die blaas moest toch vol geraken, zeker (stress!). Veel te vroeg – want zo zijn we dan – kwamen we in het UZA aan, waardoor we naar goede gewoonte nog een koffie met verplichte croissant konden bestellen in de cafetaria. FYI: als je ooit in het UZA komt, de croissants en de cappuccino in de cafetaria zijn aanraders, maar neemt nooit-never-ever koffie van de automaat. Ditmaal ging die croissant net iets minder vlot naar binnen, zenuwen enzo. En ondertussen stond er met alle koffie en water van die ochtend al een redelijk hoge druk op mijn blaas. Nog meer zenuwen, dus.
Bon, een kwartier voor het aan ons zou zijn legden we de inmiddels vertrouwde route naar de dienst voor Reproductieve Geneeskunde af. Na even wachten op twee van de stoelen van dat rijtje aan het einde van de gang ging de schuifdeur open, waarna er ge-mevrouw-Scheveneels-t werd door de vroedvrouw. Dezelfde vroedvrouw van het intakegesprek én de pick-up. Oef. Niet dat een andere vroedvrouw dat niet even goed zou doen allemaal, maar ze had me tijdens het hele traject al zo goed en met de nodige zorg begeleid dat ik blij was om haar terug te zien.
Net als tijdens de pick-up werd het al snel een drukke boel in de ruimte waar de terugplaatsing zou plaatsvinden. Na de vroedvrouw kwam de dokter. En nog een dokter. En om het gezelschap helemaal compleet te maken, schoof het luikje van het labo open, waarlangs de embryoloog ons begroette. Na de nodige formaliteiten waarbij heel wat over en weer wordt gegooid met meneer-en-mevrouw en geboortedatums, kregen we het nieuws dat er één embryo sterk genoeg was om terug te plaatsen en dat er bovendien nog liefst vier embryo’s in de running waren richting diepvriezer. Stresspuntje minder: het was allemaal niet voor niets geweest!
Ik werd klaargemaakt voor de terugplaatsing (met complimenten voor mijn volle blaas – yes!) wat gelukkig heel wat minder omslachtig was dan de voorbereiding van de eicelpunctie, en de embryoloog gaf door het labo-luikje het embryo door. En dát, dat was ontzettend speciaal. Op dat moment zat er in dat buisje dat van embryoloog naar arts wordt doorgegeven een stukje-van-hem-en-mij, om niet veel later naar mijn buik te verhuizen. Die verhuis werd met een uitwendige echo nauwkeurig gevolgd, wat betekent dat manlief en ik weer aan het scherm gekluisterd waren. Ik had er me niet aan verwacht, maar ook hier kwamen weer tranen aan te pas. Nadien kregen we de print van de echo, waarop ons embryo piepklein maar duidelijk te zien was. Kippenvelmomentje.

So far, so good. Nu konden we alleen nog maar afwachten wat het resultaat zou zijn. Om de spanning er al af te halen: ik testte positief. Weer tranen. Jammer genoeg eindigde dit hoofdstuk nog maar eens in een anticlimax. Wederom tranen.
Het wat en hoe van het einde van ons hoofdstuk van eerste keren moet ik je vandaag verschuldigd blijven. Niet omdat ik het nu niet wil of niet kan schrijven, simpelweg omdat ik de tijd nu niet vind. Maar van zodra ik later deze week de tijd weer even de tijd heb, beloof ik je dat ook dat deel van ons IVF-verhaal z’n weg zal vinden naar deze blog.
To be continued…