BLOG

What if I fall? – Oh but my darling, what if you fly?

Dag 42. De laatste dag, oef! Aan het begin van mijn ziekteverlof thuis begon ik de dagen af te tellen. 6 weken, 7 dagen per week, 42 dagen. Het leek een onoverkomelijk lange tijd om thuis te zitten. De eerste drie dagen telde ik de dagen dan ook af. Nog 41 dagen. Nog 40 dagen. Nog 39 dagen. Na 39 heb ik niet meer verder geteld. Toen had ik vrede genomen met het feit dat het nog even zou duren vooraleer ik m’n gewone leventje weer kon oppakken, en was ik mijn ‘nieuwe routine’ zelfs al bijna gewend. Vandaag is dag 42. Nog 0 dagen. Morgen begint een nieuw hoofdstuk. En hoewel ik er al 42 dagen lang naar uitkijk, ben ik bang voor wat er gaat komen.

Na een zomervakantie van een 8-tal weken is er altijd wel wat spanning. Een nieuwe klas, een nieuw schooljaar vol verrassingen. Die spanning is er tot 1 september, en vanaf 2 september gaat alles weer z’n gewone gangetje en lijkt het alsof de vakantie alweer lang geleden is. Je stapt terug in een gekende routine, en dus gaat alles snel weer vanzelf.
Tijdens mijn ziekteverlof zei ik wel eens dat ik een vervroegde zomervakantie had gekregen, mijn overuren alvast had opgenomen. Wat de duur betreft, ging deze vergelijking ongeveer op. Met mijn verblijf in kamer 458 en de 42 dagen thuis ben ik al 7 weken niet aan het werk. De collega’s en de kinderen zijn de afgelopen 2 weken ook thuis geweest, dus ik ben niet de enige die opnieuw op gang moet komen morgen. Het grote verschil is dat ik ditmaal niet terug ga naar mijn gewone routine. De beslissing om de rest van het schooljaar deeltijds aan de slag te gaan, verandert deze hele routine. Het feit dat de neuroloog nog in de tegenwoordige tijd spreekt wanneer het over mijn herstel gaat, verandert deze routine. Het gegeven dat de wereld heeft stilgestaan, verandert alles.
Ik moet rustig aan doen. Wie mij een beetje kent, weet dat “rustig aan” tot nu toe niet op mijn lijstje van karaktereigenschappen heeft gestaan, dat het niet in mijn “definitie” staat. Nu moet ik mijn definitie dus aanpassen. Ik moet veranderen hoe ik ben, om te kunnen blijven wie ik ben. Het lijkt zó gemakkelijk: gewoon wat rustiger aan doen. Maar dat is het allesbehalve. Het heeft 28 dagen geduurd vooraleer ik nog maar kon inzien dat ik niet fulltime zou kunnen starten, en ik had nog eens 14 dagen nodig om me op deze nieuwe routine voor te bereiden. En zelfs nu, op dag 42, ben ik niet helemaal zeker van deze aangepaste versie van deze definitie. Begrijp me niet verkeerd, ik gelóóf in de aangepaste definitie en ik weet dat ik ze nodig heb. Ik weet alleen niet of ik wel sterk genoeg ben om ze waar te maken. Of ik mijn perfectionisme aan de kant kan zetten. Of ik kan stoppen met werken wanneer ik het hoogstnodige heb gedaan. Of ik überhaupt kan bepalen wat hoogstnodig is en wat extra. Ik moet nog veel leren, vooraleer ik mijn aangepaste definitie waar kan maken.
Eerder deze week ging ik ’s ochtends met de fiets naar de winkel. Ik zette de boodschappen weg en ruimde enkele keukenkasten op. Ik stofzuigde de woonkamer. En ik was zo moe dat ik moest gaan liggen. Het was nog geen 11 uur en ik lag uitgeteld in de zetel. Morgen start mijn werkdag om 20 na 9, en hij duurt tot half 4. Met de voorbereidingen voor de volgende dag erbij tot half 5. Dan moet ik nog koken. Ik weet niet welk effect dat op mijn lichaam gaat hebben, en dat maakt me bang. Voor het stilstaan van de wereld werd mijn lichaam ook moe, maar toen kon ik de vermoeidheid negeren en toch gewoon doorgaan. Niet meteen gezond, maar met een goede nachtrust na het harde werk was dit niet onoverkomelijk. Ik weet dat ik de vermoeidheid nu niet meer kan negeren, niet meer mag negeren. Ik weet dat ik nu rust moet nemen wanneer ik de vermoeidheid voel opkomen. De vraag is: wanneer gaat de vermoeidheid opkomen? Het antwoord moet ik mezelf schuldig blijven. Het is namelijk onvoorspelbaar. Voor het stilstaan van de wereld kende ik mijn lichaam en de grenzen ervan. En hoewel ik wel eens met een dikke teen over de grens durfde te gaan, of moest de verloofde me wel eens terug naar de juiste kant van de grens roepen. Ik kende mijn grenzen en ik respecteerde ze. Nu heb ik het gevoel dat ik mijn lichaam opnieuw moet leren kennen. Met het stilstaan van de wereld zijn er nieuwe grenzen gesteld. Grenzen waarvan ik nog niet helemaal weet waar ze precies liggen. Tijdens mijn ziekteverlof kreeg ik meer dan voldoende rust om niet te dicht in de buurt van deze grenzen te komen. Nu begin ik ze stilaan af te tasten, op de enige mogelijke manier: ondervinding.
De komende dagen boezemen me dus enerzijds angst in. Want wat als ik ondervind dat mijn lichaam z’n grenzen sneller bereikt dan ik verwacht, dan ik hoop? Wat dan? Anderzijds weet ik dat ik niet anders kan. Ik moet ondervinden om te weten waar de nieuwe grenzen van mijn lichaam liggen. Ik moet ondervinden om te weten hoe ik mezelf in de toekomst moet definiëren. Ik moet ondervinden om terug te kunnen zijn wie ik ben. En de angst die daarbij komt kijken, is geloof ik normaal. Wanneer iemand een nieuw hoofdstuk in z’n leven begint, is die angst er altijd. Wat als het niet gaat zoals ik wil, zoals ik verwacht? Wat als het niet goed gaat? Vragen die wel eens door ieders hoofd gaan. We moeten leren deze vragen anders te stellen, positiever te maken. Wat als het wél gaat zoals ik wil? Wat als het wél goed gaat? Vragen die de angst niet doen verdwijnen, maar ze zorgen er wel voor dat de angst niet de bovenhand krijgt.

Dag 42, de dag waarop ik al 41 dagen wachtte. Vanuit wiskundig standpunt gezien, zou morgen dag 43 komen. Maar dat is niet zo. Morgen is dag 1. Dag 1 van het volgende hoofdstuk in mijn leven. Dag 1 met een aangepaste definitie van mezelf. Hoe dat loopt, is af te wachten. Waar mijn lichaam z’n nieuwe grenzen heeft gelegd, moet ik ondervinden. En dan is de enige vraag die ik me op dit moment wil stellen: wat als alles goed gaat?
What if I fly?

Moving on doesn’t mean you forget about things – It just means you have to accept what happened and continue living

Vorige week was het dan zover: de dag dat ik terug naar het ziekenhuis ging. Niet meer naar box 5 of kamer 458, maar naar de wachtkamer op de eerste verdieping. Om daar te wachten totdat de neuroloog me binnenliet in zijn spreekkamer, en een antwoord zou geven op mijn grote vraag.

De voorbije weken stond ik er niet zo bij stil wat deze afspraak zou betekenen. Naarmate de vorige week vorderde, kwam er toch lichtjes wat stress op. Vooral omdat noch ik, noch de verloofde enig idee had wat er zou gebeuren. Was dit een echte “controle” controle, met bijhorende testjes en de hele reutemeteut? Of was dit eerder een “gesprek” controle, waarbij de neuroloog gewoon zou informeren hoe het herstel verlopen was? Of een combinatie van beide? Of iets hélemaal anders? Ik kreeg er de bibber van. Weer een onzekerheid.
Wachten dus. In de wachtkamer. Blijkbaar kwam in deze wachtkamer alles bij elkaar, wat maakte dat het er een geregeld komen en gaan was van zieke en gezonde mensen. Geduldige en ongeduldige mensen. Zenuwachtige en ogenschijnlijk rustige mensen. Ik zou mezelf in geen van deze categorieën kunnen plaatsen. Want ik wist nog niet of ik gezond, dan wel ongezond was. Ik was niet ongeduldig, en toch was mijn geduld al na 10 minuten wachten op. Ik bleef rustig, terwijl ik binnenin het gevoel had weer voor zo’n berg te staan waarvan ik nog niets eens aan de beklimming durfde te denken.
Om 20 na 2 verscheen de dokter. In stilte volgden de verloofde en ik hem naar zijn spreekkamer. De stilte hield aan totdat we op onze stoel zaten, om dan doorbroken te worden door de vraag “Hoe gaat het ondertussen met u?”. Hoe gaat het? Een vraag die ik de afgelopen weken al tientallen keren had beantwoord. En toch voelde de vraag nu anders aan. Andere keren zei ik vaak wat iedereen wilde horen. Deze keer antwoordde ik gewoon, eerlijk, maar toch optimistisch. “Het gaat al heel wat beter, sinds gisteren mank ik niet meer” was dan ook de beste samenvatting die ik kon geven. De dokter stelde vragen. Ik antwoordde. Soms vulde de verloofde aan. De dokter noteerde. Dan was het tijd voor enkele kleine tests. Stappen. Goed doorstappen. De benen in de lucht houden. De armen in de lucht houden. De reflexen werden getest. “Oké, dat ziet er al goed uit, gaat u maar weer even zitten”, zei de neuroloog terwijl hij de resultaten noteerde.
Toen kon ik het niet meer uithouden. De vraag die al een hele week in mijn hoofd speelde moest eruit, ook al wist ik ergens wel wat het antwoord zou zijn. “Is er ergens nog een kans dat het geen MS is?” Het antwoord kwam meteen, en kan kort samengevat worden: “Nee.” En dan de hele historie nog eens opnieuw. 9 kansen op de 10 zou het MS zijn, maar de symptomen liegen er volgens de neuroloog niet om. Dit was een duidelijke eerste opstoot, eentje van een stevig kaliber.
Net toen ik dacht dat daarmee alles gezegd was, en ik er dus van uit ging dat het nu weer afwachten zou zijn totdat MS weer de kop zou opsteken, zei de dokter dat hij nog een elektrotest zou doen én dat er een afspraak gemaakt zou moeten worden voor een nieuwe hersenscan. Oké, hier was ik dus nog niet klaar…
De elektrotest was er eentje die ik kende, die boezemde me dus weinig angst in. De dokter legde uit dat hij de resultaten van de eerste tests, toen ik nog in kamer 458 logeerde, wilde vergelijken met de resultaten van deze test. Om te zien in hoeverre er verbetering te zien was. Daar was ik dus meteen gerust in, want ik voelde toch zeker zelf wel dat alles weer werkte naar behoren. De eerste schokjes die de dokter met zijn tennisracket door mijn zenuwbanen stuurden, gaven dan ook het resultaat dat verwacht werd. Toen de plakkertjes van de rechter- naar de linkerkant verhuisden, bleek echter dat niet alle zenuwbanen al volledig hersteld waren. De linkerkant gaf nog steeds net iets minder reactie dan zou moeten. Maar er was al een pak verbetering te zien volgens de dokter, “dus het herstel verloopt goed”. Verloopt, niet verliep. Er werd nog steeds in tegenwoordige tijd gecommuniceerd, terwijl ik eerder in verleden tijd aan het denken was. Toch een kleine tegenvaller…
Hierna kwam het thema “preventieve medicatie” weer ter sprake. Vroeger werd na een eerste opstoot afgewacht, tegenwoordig is het dan toch eerder raadzaam om dit al in overweging te nemen. Gezien de kinderwens in de nabije toekomst zou ik nog even kunnen (moeten) wachten, de medicatie en een zwangerschap gaan namelijk niet samen door één deur. Maar indien er in de toekomst tekenen zijn van een actief ziektebeeld, is na de vervulling van de kinderwens een snelle start van preventieve medicatie toch aan te raden. Dus werd er een nieuwe afspraak gemaakt. Twee afspraken, om precies te zijn. Eentje met de dienst MRI, voor een nieuwe hersenscan. En eentje met de neuroloog, voor de bespreking van de resultaten van die hersenscan. Niet meteen, maar toch snel genoeg. Begin oktober, slechts enkele weken voor ons huwelijk, word ik opnieuw verwacht. Aan de hand van een hersenscan kunnen ze bepalen of ze van een actief of eerder stabiel ziektebeeld kunnen spreken. Blijkbaar kan je plaques (dat zijn kleine hersenletsels, die als witte stipjes te zien zijn op een MRI) bij krijgen zonder hierbij enige symptomen te ontwikkelen. Terwijl je dus denkt dat er niets aan de hand is, kan de ziekte dus toch actief zijn. Dat was ook weer nieuw voor mij, en weer een kleine tegenvaller. Ik had er namelijk niet op gerekend zo snel weer onder de scan te moeten…
Gelukkig had ik de verloofde bij me. Van zodra we uit de spreekkamer van de dokter kwamen, zei hij: “Dat ziet er toch goed uit, hé!” Ik kon eerst niet geloven dat hij wat er net allemaal was gezegd als “goed” kon bestempelen. Het antwoord op de grote vraag die ik had was negatief, het herstel waarvan ik dacht dat het voorbij zou zijn was blijkbaar nog volop aan de gang, ik zou binnen 6 maanden opnieuw een hersenscan moeten ondergaan én er werd ineens toch gepraat over eventuele preventieve medicatie. Terwijl dit alles bij mij bijna de wereld weer stilzette, vond hij dit allemaal “goed”. En toch had hij gelijk. Eigenlijk was er niets nieuws gezegd. Het negatieve antwoord op de vraag had ik ergens verwacht, ik voelde wel dat mijn lichaam nog even tijd nodig had om te recupereren, doordat ik een aantal getuigenissen had gelezen zag ik de scan al van ver aankomen, en ik besefte goed genoeg dat er ooit een moment zou komen waarop medicatie onvermijdelijk zou worden. Dus zei ik “Ja, goed hé!” Natuurlijk legde ik hem mijn bekommernissen uit, maar hij hielp me wel inzien dat ik niet enkel negatief maar ook positief nieuws had gekregen.

Ik keek op tegen deze afspraak. Ik was bang, bang dat de neuroloog weer iets zou zeggen dat de wereld opnieuw zou doen stilstaan. En heel even leek het ook alsof de wereld weer begon stil te vallen. Dankzij de verloofde is dat godzijdank niet gebeurd. Meer nog, na deze afspraak is de wereld eindelijk weer op z’n normale snelheid gekomen. Ik kan weer verder, ook al kan ik de voorbije weken niet negeren of vergeten. Maar nu heeft alles een plaats gekregen. In mijn leven, in de wereld. Tijd om terug op “play” te drukken…

The cure for anything is salt water – sweat, tears or the sea

Al enkele dagen niet meer “geblogd”, het wordt weer stilaan wat drukker. Het gewone leven begint stilletjes aan weer op gang te komen nu ik steeds meer “kan”. Toch is het tijd om er tussenuit te gaan, eens echt wég. Met ons drietjes: de verloofde, het hondje en ik. Na de controle-afspraak bij de neuroloog is het tijd om alles even te vergeten aan zee. Ik beloof je het vervolg van mijn verhaal, en het hoofdstuk van vandaag, volgende keer te brengen. Nu even tijd voor ontspannen, liefde en genieten…

Luck is believing you are lucky

Wat een pech heb ik. MS komt bij 1 op 1000 mensen voor, en ik ben net die ene van deze 1000. Ik trok net dat lotje, het verkeerde lotje uit de loterij. Ik zou dit kunnen doortrekken naar de rest van mijn leven, en alle tegenslagen die ik al heb getrokken beginnen overlopen. Om dan te besluiten dat ik duidelijk niet voor het geluk geboren ben. Maar weet je, niemand is voor het geluk geboren. Geluk maak je zelf. Niet door hard te werken, of veel geld te verdienen, of door veel hobby’s te hebben of sportief te zijn. Zo moeilijk is het allemaal niet. Geluk maak je door simpelweg te geloven dat je gelukkig bent.

Mijn leven heeft al ups en downs gekend. De ene up al wat hoger, de ene down al wat dieper dan de andere. Dat zal niet anders zijn dan bij iemand anders. Iedereen heeft wel eens een tegenslag te verwerken in het leven. Dat heeft niets met geluk of ongeluk te maken, maar gewoon met het begrip “leven”. En ja, soms is het leven oneerlijk, en is het onbegrijpelijk waarom bij sommige mensen die tegenslagen ongelooflijk zwaar zijn om te dragen en bij anderen meer te vergelijken met een keitje waarover hij of zij struikelt om dan rustig weer door te gaan. Het leven is dan ook niet gemaakt om te begrijpen, maar om te leven. Een leven dient geleefd te worden, en hoe je dat doet is je eigen zaak. Hoe gelukkig je bent, is dus ook je eigen zaak, en heeft alles te maken met de point of view die je inneemt.
Je bent zo (on)gelukkig als je jezelf wijsmaakt. Als je gelooft dat je ongelukkig bent, als je gelooft dat het leven oneerlijk is en dat je geboren bent voor het ongeluk, dan zal je ook ongelukkig zijn. Dan kan je van elke mug een olifant maken. Ik spreek uit ervaring, ik ben ook al vaak in die val getrapt in het verleden. En ik ben er zeker van dat ik ook in de toekomst van tijd tot tijd nog in die val zal trappen. Gelukkig werkt dat ook omgekeerd. Als je oog leert hebben voor alle positieve zaken in je leven, dan ben je gelukkig. Of alleszins toch gelukkiger dan je aanvankelijk dacht.
Nu krijg ik misschien meteen commentaar van mensen die een burn-out of een depressie hebben (gehad). Begrijp me niet verkeerd, ik kan begrijpen dat je in een depressie of burn-out sukkelt. Hélemaal! Dat kan nu eenmaal gebeuren wanneer de downs in je leven zich wel erg snel opvolgen, en de ups die er tussen komen niet hoog genoeg zijn. Dan nestelt het idee dat het nooit meer goedkomt zich tussen je oren. Als er dan niemand uit je omgeving tijdig aan de alarmbel trekt, ben je de pineut.
Maar dat is het nu net, iemand uit je omgeving… Je hebt mensen om je heen nodig, en die heb ik. Daar ga ik nu niet weer het hele stuk over doorgaan, daar heb ik al veel over geschreven en ik wil mezelf niet blijven herhalen. Maar al die mensen rondom je die om je geven en er voor je zijn, dat zijn de winnende lotjes uit de loterij.

Als ik nu mijn winnende lotjes afweeg tegenover dit slechte lotje besef ik dat, hoewel ik op dit moment nu niet bepaald de grote winnaar ben, ik ook geen grote verliezer ben. Oké, ik heb er een nieuwe partner voor het leven bij gekregen, eentje waarop ik niet had gerekend en waar ik nu ook niet echt op zat te wachten. Oké, dit zal in de toekomst zorgen voor nog een heel aantal minder goede dagen, weken, … En ja, ik zou nog het liefst het lotje terug in de pot gooien en opnieuw trekken. Maar zo zit het leven niet in elkaar. Bovendien heb ik al m’n winnende lotjes nog. En ook die neem ik nog de rest van mijn leven mee.
Wat een geluk heb ik.

And now you don’t have to be perfect, you can be good

Weer een knoop doorgehakt. Na de paasvakantie, die het begin van het einde van mijn ziekteverlof inluidt (en dat is een vreugdedansje waard), zal ik nog enkele maanden niet fulltime voor de klas staan. Weet je dat water nog, dat ik bij mijn wijn moest doen? Wel, laat ons zeggen dat mijn wijn verdacht waterig begint te worden. En hoezeer ik ook van wijn houd, ik zal dit waterachtige goedje moeten leren drinken.

Wekenlang ben ik in de overtuiging geweest dat ik na de paasvakantie mijn job gewoon fulltime weer zou kunnen opnemen. Van maandag tot vrijdag, van half 9 tot half 4 voor de klas en dan nog enkele uurtjes doorwerken thuis, al mijn speelplaatstoezichten en zelfs de refters. De neuroloog heeft immers gezegd dat ik na deze opstoot weer alles zou kunnen. Ik zag niet in dat het herstel van een opstoot langer duurt dan een paar weken. Ik zag niet in dat de combinatie vierde en zesde leerjaar ook voor het eerste bezoek van mijn nieuwe levenspartner al zwaar en vermoeiend was. Ik zag niet in dat “alles” niet ineens komt, maar beetje bij beetje. Na een drietal weken rusten tot het mijn oren bijna uit kwam, probeerde de verloofde mij al met m’n eigenwijze voeten op de grond te zetten. “Ben je wel zeker dat je terug voltijds kunt werken na de vakantie?” Waarop mijn antwoord steevast positief was. Natuurlijk was ik ervan overtuigd dat ik terug voltijds zou kunnen werken! Waarom niet? Nu nog even rusten, en dan zou het me wel lukken. Stilaan begon ook de mama hieraan te twijfelen. Toch bleef ik zowel de verloofde als de mama verzekeren dat ik er na de paasvakantie terug fulltime zou kunnen staan, en hield ik mijn voeten koppig van de grond.
Pas vorige week begon ik in te zien dat ik misschien toch teveel ineens wou. Het inzicht begon te komen na het korte uitstapje naar school, voor de klasfoto’s. Dat blitzbezoekje had me zoveel energie gekost, dat ik de rest van de dag nodig had om te recupereren. Of beter gezegd: mijn lichaam had de rest van de dag nodig om te recupereren. De directie leek ook niet helemaal zeker te zijn van mijn plannen om terug voltijds te starten. Wanneer de verloofde en de mama zagen hoe vermoeiend de drukte was geweest voor me, deden ze weer enkele pogingen om me te overtuigen toch een aantal uurtjes minder te werken, voor even. Stilletjes aan begonnen mijn voeten te zakken, tot ze vrijdag helemaal op de grond stonden en ik besefte dat ik nog even zou moeten wachten op het “alles” waar de neuroloog over sprak en dat ik intussen best wat rustiger aan deed.
Eenmaal beide voeten op vaste grond stonden, moest het dan ook snel gaan. Ik wilde immers de knoop doorhakken en zo snel mogelijk alle papieren in orde brengen, voordat ik terug zou gaan zweven. Dus volgde een telefoontje naar de directie, printte ik meteen alle nodige in te vullen documenten af en maakte ik een afspraak bij de huisarts om deze documenten in orde te brengen. Na mijn bezoek aan de huisdokter morgenavond passeer ik meteen bij de rode brievenbus om de documenten te posten, zodat er geen weg terug meer is.
Nooit gedacht dat ik zelfs zoveel water zou hébben om bij mijn wijn te doen, laat staan dat ik het er eigenhandig bij zou gieten. Nooit gedacht dat ik me hier dan ook nog best goed bij zou voelen. Ik ben altijd heel erg streng geweest voor mezelf. Gewoon goed was nooit goed genoeg, voor minder dan perfect deed ik het niet. En was iets niet perfect, dan deed ik er alles aan om het beter te doen de volgende keer. Ik schrijf nu in de verleden tijd, omdat ik ondertussen heb geleerd dat perfectie niet bestaat. Ik heb al moeten leren me tevreden te stellen met “gewoon goed”, en soms zelfs met “goed genoeg”.

In mijn ogen was de “perfecte juf” er eentje die er fulltime staat. En ik wilde die perfecte juf zijn, liefst tot aan mijn pensioen (wanneer dat ook mag komen, enkel de regering mag het weten…). Met het doorhakken van deze knoop, leer ik weer iets bij. Ik leer mezelf tevreden te stellen met “goed” i.p.v. “perfect”. En dus wordt het vanaf nu mijn doel om een goede juf te zijn, in plaats van de perfecte versie ervan.

PS: Ik heb vandaag gestofzuigd. Voor het eerst in 5 weken tijd. Dat is ook een klein vreugdedansje waard!

She stood in the storm, and when the wind did not blow her away, she adjusted her sails

Na het stilstaan van de wereld is alles hetzelfde, en is alles anders. Enerzijds zal mijn leven, eens de wereld weer z’n gewone rotatiesnelheid heeft bereikt, gewoon weer doorgaan. Anderzijds zal ik mijn leven anders moeten gaan leven. Voorzichtiger. Rustiger aan. Anders leven, om ervoor te zorgen dat mijn leven hetzelfde blijft.

Toen de wereld stilstond, stond alles even stil. Ook mijn gedachten. Ik dacht alleen aan het hier en nu, niet aan wat de toekomst zou brengen. En al helemaal niet hoe ik deze toekomst zou aanpakken. De neuroloog zei me dat ik na elke opstoot volledig zal herstellen. Wat in mijn hoofd hetzelfde betekende als “gewoon mijn leven weer oppakken zoals ik het gewend was”. Dat idee had zich al gauw in mijn hoofd genesteld. Ik zou nu goed rusten, en na deze opstoot gewoon weer verdergaan met mijn leven. Alsof het even op pauze had gestaan, en ik zelf weer op de play-knop zou kunnen drukken. En dan zou ik gewoon weer doorgaan: werken, koken, strijken, wandelen, doen alsof ik aan sport doe, poetsen, uitgaan, …
Nu de wereld stilaan weer aan z’n normale rotatiesnelheid begint te komen, zijn ook mijn gedachten terug op gang gekomen. Dat brengt andere gedachten met zich mee. Geen positieve, geen negatieve, maar realistische gedachten. Want de realiteit is nu eenmaal dat ik de rest van mijn leven deel met MS. Niet meteen de partner die ik me had voorgesteld, maar op één of andere manier zullen we met elkaar moeten leren leven. En daarbij vrees ik dat vooral ik diegene ben die zich zal moeten aanpassen, MS heeft niet zo’n flexibel karakter heb ik al gemerkt. Ik zal dus een flinke dosis water bij de spreekwoordelijke wijn moeten doen. En als ik mijn gedachten weer even de realistische kant op stuur, besef ik dat ik al op de goede weg ben met dat water. Zelfs zonder erbij stil staan.
Boodschappen komen het huis bijna niet meer binnen in zakjes. Wel in dozen, of excuseer, het zijn “boxen”. Een vriendelijke man (elke week een andere, maar altijd vriendelijk) van het bedrijf Hellofresh levert elke maandag netjes de boodschappen van die week, mét bijhorende recepten, af aan onze voordeur. Dubbel voordeel: ik moet er niet voor naar de winkel, en doordat de gerechtjes al vooraf vastliggen moet ik niet meer nadenken over wat we nu weer moeten eten. Ik ben fan! Maar wacht, het wordt nog beter. Naast de gewone “box”, kan je ook opteren voor een “fruitbox”. Ook de dagelijkse vitamientjes worden dus aan huis geleverd. Hoera maal twee! En ideaal voor mijn mobiliteitsprobleem, gezien de neuroloog me niet met de auto of de fiets laat rijden voordat ik op controle ben geweest, en te voet naar de winkel gaan nog net te ver is voor mijn eigenwijze benen.
Shoppen kan ik nu ook zonder auto. Of make-up. Of zelfs in pyjama, zonder bh (wat anders echt not-done is). En met een goed glas wijn erbij. Webshops bestaan al lang, maar ik hield altijd meer van echte winkels. Echte winkels met echte kleren die ik echt kan vastpakken en echt kan passen voor ik ze koop. Ik houd nog steeds meer van die echte winkels, maar zonder chauffeur geraak ik er niet. Dus heb ik de webshops ontdekt. Je moet nu niet denken dat ik elke dag van ’s ochtends tot ’s avonds zit te shoppen. Maar sinds de wereld heeft stilgestaan heeft de postbode me toch al blij gemaakt met twee paar schoenen (die ik uiteraard echt wel nodig had omdat ik nu enkel platte schoenen kan dragen, duh!) en werd er in de praktijk van de verloofde al een juweeltje voor me afgeleverd. Instant happiness!
Koken lukt me ondertussen ook prima. Ik doe alles rustig, zodat er geen tijdsdruk achter zit en ik niet ga stressen. Want ik weet ondertussen: als ik ga stressen, wil ik te snel zijn, en dan raken m’n benen altijd weer even de kluts kwijt. Mijn knie heeft even geen zin en zakt even door, en ik stoot mijn tenen overal tegenaan. Nee, rustig aan. Eerst alle ingrediënten uit de kast en koelkast nemen. Dan alle groentjes snijden en in kommetjes klaarzetten. Ja hoor, Jeroen Meus – stijl! Ik vond het altijd zo onnozel dat tv-koks alles netjes in kommetjes hebben klaarstaan. Nu zie ik het nut er van in, en de extra afwas gaat gewoon mee de afwasmachine in. De recepten in de handige boxen zijn ook zo opgebouwd, dat alles binnen redelijk korte tijd klaar is. Ik moet dus niet te lang rechtstaan in de keuken. De dagen waarop ik niet met de boxen kook, zorg ik ervoor dat ik voor snelle maaltijden kies. Ovenschotels waar weinig werk aan is, of een wokschotel, … Ik vind het in ieder geval fijn dat ik kán koken, want dat doe ik echt wel graag. Ook al zijn mijn keukenavonturen nu iets minder uitgebreid.
Ik neem hulp aan. Ik vraag zelfs om hulp, soms. Dat is nooit van mijn gewoonte geweest. Wanneer ik het huis uit ging om met de verloofde (toen nog de vriend) te gaan samenwonen, vond ik het ook niet meer dan logisch dat we vanaf dan alles zelf zouden doen. Dus vanaf dag één deden we onze eigen was, onze eigen strijk, en kookten we elke dag ons eigen potje. Hoewel de vraag wel kwam, hebben we nooit een vaste dag willen hebben om bij de ouders of de schoonouders te gaan eten. Hoewel het voorstel wel kwam, is het nooit bij me opgekomen om de strijk naar de schoon-grootmoeder (of hoe men dat ook noemt) te brengen. Nee, wij kozen ervoor om zelfstandig te zijn, dus we zouden alles ook zelf doen. Bij de verhuis naar het huis kozen we wel voor een poetsvrouw. Niet omdat we niet graag poetsen, want dat doet denk ik niemand echt graag, maar omdat we er met onze fulltime jobs gewoon geen tijd voor konden vrijmaken. En ik moet zeggen dat ik aan het idee moest wennen: iemand die je niet kent in het huis binnenlaten om te poetsen wat wij vuil hadden gemaakt. Je kunt je dus wel inbeelden hoe hard ik moest wennen wanneer van kamer 458 terug naar het huis verhuisde. Opeens liep er overal familie rond in huis: om de was te doen, om de strijk te doen, om in de tuin te werken, om de tafel te dekken, om te stofzuigen, … Hoe moeilijk het in het begin ook was om deze hulp aan te nemen, nu ben ik er heel blij mee. Niet dat ik wil profiteren, van zodra mijn benen weer wat meer gaan samenwerken met de rest van mijn lichaam en ik niet zo vermoeid meer ben, neem ik het huishouden terug zelf in handen. Maar zo lang het nodig is, ben ik blij met de hulp die ik krijg, en neem ik die dankbaar aan.
Ik luister naar mijn lichaam. Klinkt logisch, maar wedden dat 75% van de lezers van deze blog dat niet doet? Ik deed het eerst ook niet. Rusten was voor na al het werk. Nu rust ik wanneer mijn lichaam mij vertelt dat ik moet rusten. Ook al betekent dit dat ik daarvoor leuke dingen aan de kant moet zetten. Eerder deze week heb ik bijvoorbeeld het lente-ontbijt op school afgezegd, omdat ik de dag voordien voelde dat de drukte van school nog te vermoeiend was. Met pijn in het hart, want ik wou ook wel graag terug dat geweldige gevoel waar ik het in de vorige post over had. Maar ik besefte dat de vermoeidheid achteraf z’n tol zou eisen, en dan zou ik daar mooi zitten: met m’n geweldige gevoel maar zonder energie om er iets mee te doen. Ook in de toekomst, na deze opstoot, ga ik luisteren naar mijn lichaam. Rusten wanneer mijn lichaam erom vraagt, en de boel dan maar even de boel laten met het volste vertrouwen dat de mensen rondom mij er geen boeltje van gaan maken. Wie mij een beetje kent, weet dat dat heel wat water is dat ik hier bij mijn wijn giet.

Sinds het stilstaan van de wereld ben ik positief gebleven. Dat is nodig om ervoor te zorgen dat de wereld niet blijft stilstaan. Maar nu de wereld weer op gang is gekomen, is het ook nodig om realistisch te zijn. Om ervoor te zorgen dat de wereld blijft draaien, en niet bij minste opstoot terug gaat stilstaan. Om ervoor te zorgen dat MS enkel controle heeft over de pauzes in mijn leven, en niet aan de stop-knop kan. Om ervoor te zorgen dat MS, hoewel het nooit mijn beste vriend wordt, niet mijn grootste vijand zal worden. Om ervoor te zorgen dat mijn leven hetzelfde blijft, maar dan anders…

Sometimes, it’s not the person you miss – It’s the feeling you have when you are with them

Vandaag begon de dag anders dan anders. Of eigenlijk, hetzelfde dan anders. Gewoon anders dan de afgelopen weken. Om deze verwarrende zinnen kort samen te vatten: de dag begon fantastisch! Ik mocht naar school! Ja, je leest het goed, “mocht”. Want normaal gezien heb ik daar nog niets te zoeken, en mag ik van zowel de dokter als van de mama en de verloofde nog niet te veel met werk bezig zijn. Maar vandaag was een uitzondering, vandaag werden de klasfoto’s genomen. En daar wou ik natuurlijk niet ontbreken. Ik was nog geen uur bij de collega’s en de kinderen en hoewel het druk was, was het heerlijk.

Ik ben de typische leerkracht. In het eerste leerjaar, bij juffrouw Agnes, besloot ik al snel dat ik later ook juffrouw wilde worden. De zus, vijf jaar jonger dan ik, werd het perfecte proefkonijn. Ze kon al rekenen tot 10, haar naam schrijven met hoofdletter en korte zinnen lezen aan het begin van het eerste leerjaar. Ik maakte zelfs rapporten, zo zwaar had ik het te pakken. Soms tot grote ergernis van de vriendinnetjes, want wie kwam spelen moest eraan geloven.
12 jaar later startte ik dan ook met de lerarenopleiding, om na 3 jaar mijn diploma in handen te hebben en aan het echte werk te kunnen beginnen. Ondertussen ben ik bezig aan mijn zevende schooljaar, en heb ik een vaste klas: mijn zesde leerjaar.
Ik werk hard, te hard soms. Als iemand in het verleden tegen me zei dat ik wat moest minderen, zei ik altijd “Daar pluk ik de volgende jaren de vruchten van!” of “Zo lang ik geen kinderen ben, kan ik het nog!”, altijd met een lach. Het werk heeft me altijd een gevoel van voldoening gegeven. Elke dag kan ik iets betekenen voor iemand. Soms zelfs voor een hele klas tegelijk. Dit schooljaar leek ik nog harder te werken dan de vorige jaren. Ik heb een massa ideeën die ik wilde uitwerken, en het ging niet snel genoeg voor mij. Hier komt bij dat de klas die ik dit schooljaar onder mijn vleugels heb… Laat me het een uitdaging noemen, zelfs voor doorwinterde leerkrachten. Stuk voor stuk lieve kinderen, maar met een gebruiksaanwijzing. Eens je deze gebruiksaanwijzing hebt uitgevogeld, valt er goed met deze kinderen te werken. Dat uitvogelen kostte natuurlijk wat energie, maar ik krijg er nu zoveel voor terug. Ik vond het dus ook niet erg om wat harder te werken, en wist zeker dat ik er nadien alleen maar goed mee zou kunnen zijn. Bovendien krijgt een leerkracht, wie ook met hart en ziel voor de klas staat zal dit beamen, een enorme dosis energie van de kinderen. Want of je nu in een eerste of in een zesde leerjaar lesgeeft, de kinderen in de basisschool komen nog echt graag naar school. Ze kijken naar je op, en dat geeft zo’n geweldig gevoel.
Tussen de kerst- en krokusvakantie had ik het wat moeilijker. Ik ga niet het hele verhaal daaromtrent vertellen, dan dwaal ik te ver af van het onderwerp, maar ik kan je wel zeggen dat ik het “gevoel” even kwijt was. Door samenloop van omstandigheden geraakte ik enkel energie kwijt, en kwam er niet veel meer bij. Het geweldige gevoel, de energie, die ik anders van mijn werk kon krijgen, alles weg… Ik dacht dat dit aan stress te wijten was, en dat ik van de stress extra vermoeid werd. Niets wat een weekje vakantie niet kon oplossen, dacht ik. Na de krokusvakantie startte ik dus terug, vol energie. Maar de vermoeidheid bleef aanhouden. Wintermoeheid, dacht ik. Heb ik al enkele jaren last van. Een vitaminetekort of iets anders dat in het bloed te zien was, kon het niet zijn. Ik had immers laatst mijn bloed nog laten checken bij de huisdokter, omdat de vermoeidheid na enkele jaren nog niet verminderd was. En volgens de resultaten was ik zo gezond als een vis. Het moest dus wel aan de winter liggen, met de eerste zonnestralen binnenkort zou dit wel weer voorbij zijn. En nu ik een weekje vakantie gehad had, zou de energie van de kinderen me wel weer kunnen opladen. Dat was ook zo. En daar was het geweldige gevoel weer, oef! Maar dan kwam de gevoelloze voet, enzoverder enzovoort. Dat deel van het verhaal ken je al.
Ik ben ervan overtuigd dat ik ergens een beetje verslaafd ben aan mijn werk. Nee, niet aan mijn werk. Aan het gevoel dat ik krijg van de kinderen. De energie die ze me geven. Want dat geweldige gevoel, een mengelmoes van acceptatie, appreciatie en een tikkeltje bewondering, is wat ervoor zorgt dat ik elke dag met plezier op m’n fiets stap om naar het werk te gaan. In het begin van mijn ziekteverlof miste ik de kinderen, en vooral dat gevoel dat ze me konden geven. Ik moest bij wijze van spreken “afkicken”, want de komende weken zou ik het zonder dit gevoel moeten stellen. Er kwam wel een vervangend gevoel, dat de meeste ontwenningsverschijnselen kon opvangen: bezorgdheid en steun. Na enkele weken thuis wist ik niet eens meer hoe dat geweldige gevoel aanvoelde, dat ik in het begin zo miste.
Tot vandaag. Vanaf het moment dat ik de schoolpoort binnenstapte werd ik geknuffeld en aangeklampt door de kinderen. Niet alleen de kinderen van mijn eigen klas, ook de kinderen van andere klassen. Ze waren bezorgd, benieuwd hoe het met me ging, en wilden vooral graag weten wanneer ik terug zou komen. Want ze misten me, zeiden ze. Bam. Daar was dat gevoel weer. En het voelde geweldig.
Jammer genoeg was het ook erg vermoeiend. Ik ben alle drukte niet meer gewoon, en ben ook nog snel moe. De kinderen gaven me dan wel het geweldige gevoel, en heel wat energie. Maar mijn lichaam is duidelijk nog niet volledig hersteld, en had aan die energie niet voldoende. Wanneer ik thuiskwam, kon ik dus niet anders dan weer in de zetel neerploffen en rusten, rusten, rusten… Maar ditmaal met een geweldig gevoel, een warm gevoel. Het gevoel dat ik dan toch heel erg had gemist.

Vandaag was een topdag. De tegenovergestelde dag van gisteren, hoewel het resultaat uiteindelijk hetzelfde is: vermoeidheid. Het grote verschil was dat dat ene uurtje de vermoeidheid meer dan waard was. Ik besef nu dat ik mijn werk niet heb gemist, en dat ik misschien zelfs de collega’s en de kinderen niet zo héél hard heb gemist. Ik heb het gevoel gemist dat ze me geven, en dat maakt deze kinderen extra bijzonder. Want het geweldige gevoel gaf me nét voldoende energie om weer vooruit te durven kijken, in plaats van achteruit. Ik kijk vooruit, en ik kijk uit naar de dag dat ik terug voor de klas sta. Klaar om weer elke dag dat geweldige gevoel te krijgen…

Remember how far you’ve come, not how far you have to go – You are not where you want to be, but neither are you where you used to be

Vandaag is het weer zo’n dag. Zo’n ik-ben-moe-laat-me-met-rust-dag. In de afgelopen weken heb ik gelukkig nog maar een paar van die dagen gehad. En ik weet ondertussen ook dat ze voorbij gaan en dat morgen vast weer beter zal zijn. Maar dat neemt niet weg dat ik vandaag die dag moet doorworstelen.

Op zo’n dag is het net iets moeilijker om positief te blijven denken. Het optimisme is er wel, doet z’n best, maar lijkt nog moe te zijn van het weekend. Hoewel dit weekend niet zo druk was als het vorige, ben ik er toch best moe van. Eigen schuld. Nu ik al goed kan stappen, zonder mank te lopen (yes!), denk ik ook heel snel dat ik alles alweer aankan. Wie me kent, weet dan ook dat ik mezelf niet kan inhouden… Ik stap dus vrolijk rond: naar de winkel, naar de sporthal, … In de sauna spring ik in het zwembad om een aantal baantjes te zwemmen, en na 4 baantjes al te moeten stoppen. Om dan achteraf doodmoe in de zetel neer te ploffen, en me af te vragen hoe het toch zou kunnen komen dat ik zo moe ben. En dan “de blik” van de verloofde te krijgen, vergezeld door de woorden “Je hebt weer te veel gedaan, hé?!” Dan pas komt het besef dat ik inderdaad wat veel hooi op m’n vork heb genomen, hoewel het nog maar een fractie is van de hoeveelheid hooi die ik anders draag (op soms meer dan één vork).
Het is soms moeilijk om in te schatten wat ik al goed kan, en wat nog niet. Vooral omdat ik (gelukkig) geen pijn heb. Op het moment zelf voel ik niet meteen wat al kan en wat nog niet, nadien voel ik het des te meer. Dan ben ik vermoeid, gaat het stappen terug wat minder goed en zijn m’n benen weer wat zwaarder. Het slechte gevoel krijg ik er gratis en voor niets bij. Een slecht gevoel, omdat ik weet dat het m’n eigen stomme schuld is. Omdat ik weet dat ik normaal gezien veel meer aankan. Omdat ik vind dat het herstel niet snel genoeg vooruitgaat. Omdat niemand weet wanneer ik weer alles zal kunnen dat ik eerst kon, zelfs de verloofde niet. En de verloofde weet normaal gezien álles, of toch in mijn ogen. Omdat ik pas volgende week vrijdag op controle moet bij de dokter. En omdat ik niet eens weet of die wel een antwoord weet op al mijn vragen, en of die wel een glazen bol heeft om te zien wanneer ik weer wat actiever zal kunnen zijn. Het is de onzekerheid die het slechte gevoel veroorzaakt. De onzekerheid over hoe lang alles nog duurt, wanneer deze opstoot volledig voorbij zal zijn, of dit alles überhaupt voorbijgaat.
Zoals je ondertussen al weet ben ik een echte planner, als het ware verslaafd aan regelmaat. Na elke vakantie stond er netjes in m’n agenda aangeduid hoeveel weken er nog waren vooraleer er een rapport klaar moest zijn. Zo kon ik in de gaten houden hoe lang ik nog had om toetsen af te nemen, punten op te lijsten, commentaren in te geven, … Mijn todo-lijstjes voor de vakanties waren altijd zo opgesteld dat ik eerst de prioritaire taken deed, en dan pas de dingen die ik als extra zag. Ik schreef zelfs op dat ik de klas moest opruimen, tot in detail: knutselkast opruimen, bureaulades opruimen, huistaken ordenen, … Als ik het zo zelf lees, gaat dit misschien zelfs voorbij het begrip “controlefreak”. Het contrast met mijn leven op dit moment kan dan ook niet groter zijn. Ik moet elke ochtend afwachten hoe ik me voel, om dan voorzichtig de rest van mijn dag te plannen. Die plannen bestaan uit: tv kijken, werken aan mijn blog, mails checken, beetje koken, misschien iets gaan drinken met de mama, dutje doen, beetje breien, … Dat kan je moeilijk een todo-lijst noemen, ik noem het dan maar een ” can do – lijst”, want het zijn dingen die ik allemaal kan.
Wanneer ik terug kan overgaan naar todo-lijstjes, weet ik niet. Hoeveel dingen ik op zo’n lijstje kan schrijven en effectief zal kunnen afwerken, weet ik niet. Ik weet niet hoe mijn lichaam zal reageren op terug een fulltime job na de paasvakantie. Ik weet niet hoe lang onze strandwandelingen zullen zijn tijdens ons weekendje aan de zee binnen twee weken. Laat staan dat ik weet wanneer ik weer alleen met het hondje zal kunnen wandelen. Onzekerheid is troef. En dat maakt me gek, van tijd tot tijd.
Op zo’n dagen als deze, trap ik steeds weer in dezelfde val. Ik ga mezelf steeds vragen stellen, en dan vooral over de toekomst. Dat is fout, zo fout! Ik zou ondertussen moeten weten dat het optimisme niet van dat soort vragen houdt. Omdat ik niet wil riskeren dat het optimisme nog eens een snipperdag neemt, moest ik wel een strategie ontwikkelen. Een strategie om deze vragen te ontwijken, en andere gedachten op te roepen. Positieve gedachten, gedachten die me zekerheid bieden. En wat biedt nu meer zekerheid dan het verleden?
Wat geweest is, is geweest. Niets meer aan te doen. Daar, zo zeker als wat! Op dagen als deze probeer ik dus terug te denken. Van waar kom ik, en waar sta ik nu? Vier weken geleden ging ik vanavond op spoed binnen. Dan gebeurden alle onderzoeken: scans, elektrotest, en (my favorite!) de ruggenmergpunctie. De wereld stond stil, en dat was het absolute dieptepunt. Sindsdien heb ik al bergen beklommen. Sindsdien gaat het elke dag, met enkele uitzonderingen, weer een beetje beter. Sindsdien ben ik al goed hersteld, langzaam maar zeker. Goed bezig, M!

Dat is mijn strategie om het optimisme te behouden op dagen als deze. Dat is de strategie, die ik hoop ooit helemaal onder de knie te krijgen. In plaats van verder te kijken, kijk ik terug. Ik kijk terug op alles wat ik overwon, op alles dat ik al bereikt heb. Want ook al ben ik nog niet waar ik wil zijn, ik ben ook niet meer waar ik was.

The secret to having it all is knowing you allready do

Iedereen wil altijd maar meer. Het lijkt wel een ziekte waardoor iedereen nooit tevreden is. Ook ik stond tot nu toe niet vaak genoeg stil bij wat ik héb, in plaats van bij wat ik wil. Maar als je erover nadenkt, komt de vraag: wanneer ga je stoppen met willen en tevreden zijn met wat je hebt? Wanneer heb je genoeg? Wanneer heb je alles?

Ik heb liefde. Liefde van de verloofde, en voor de verloofde, elke dag opnieuw. 9 jaar geleden waren we verliefd, nu is het meer een gevoel van “houden van”. Met af en toe een vlaag van verliefdheid, inclusief vlinders in de buik, een heerlijke gevoel. Ik heb liefde van het hondje. Onvoorwaardelijk. Want het is echt waar wat men zegt: een hond is je trouwste vriend. Het hondje is altijd blij wanneer ik thuis kom. Ik houd van knuffelen en wandelen met het hondje. De verloofde ook. Met ons drietjes zijn we een echt klein gezinnetje.
Ik heb familie. Familie die me graag ziet, die blij voor me is wanneer ik iets leuks meemaak, die bezorgd is wanneer er iets aan de hand is, die helpt wanneer ik hulp nodig heb. Familie die meer kan zeggen met één blik dan met duizend woorden. Familie die steeds groter wordt. De familie van de verloofde werd de afgelopen jaren ook mijn familie. En binnenkort komt er een eerste kleintje bij, de verloofde en ik worden peter en tante. De hele familie kijkt er enorm naar uit. Familie staat gelijk aan liefde, zekerheid en samenhorigheid.
Ik heb vrienden. Beste vrienden, goeie vrienden, verre vrienden. Veel vrienden, dat is de afgelopen weken nog maar eens heel duidelijk geworden. Vriendinnen waar ik alles bij kwijt kan. Vriendinnen die mee uitkijken naar de vrijgezellendag en het trouwfeest later dit jaar. Vrienden waarmee ik me rot kan amuseren. Vrienden die ik wekelijks zie. Vrienden die ik soms lange tijd niet zie, maar waarbij de draad bij elk weerzien makkelijk terug wordt opgepikt. Vrienden zijn ook een stukje familie, het stukje familie dat je zelf kiest, en dat maakt ook hen heel bijzonder.
Ik heb werk. Dat alleen al is een reden om gelukkig te zijn. In mijn geval is er nog een extraatje: ik heb de job van mijn dromen. Hoewel ik nu besef dat ik minder hard moet gaan werken, en meer tijd voor mezelf moet nemen (ik ben zo iemand die nogal snel opgeslokt raakt door het werk, ten koste van vrije tijd met familie en vrienden), kijk ik er heel erg naar uit om terug te gaan werken binnen enkele weken. Ik houd van mijn werk, en van het sociaal contact dat ermee gepaard gaat. De dagelijkse babbels met collega’s en met ouders aan de poort. Ik houd van de voldoening die mijn werk me geeft. Ik kan elke dag zeggen dat ik iets heb bereikt met de kinderen in mijn klas.
Ik heb een thuis, in de vorm van een mooi, groot huis. De verloofde en ik hebben er samen met familie en vrienden een tiental maanden hard aan gewerkt. En hoewel het nog niet “klaar” is, is het thuis. Het is de plaats waar ik tot rust kom, gewoon omdat het “thuis” is.
Ik heb een geweldige dag om naar uit te kijken. Binnen een aantal maanden komt wat tot dan toe de mooiste dag moet worden. Ik houd ervan om deze dag voor te bereiden. Trouwkleed kiezen, cadeautjes zoeken voor de getuigen, cadeautjes zoeken voor de bruidskindjes, zaal zoeken, uitnodigingen maken, … Ik kijk ernaar uit om de verloofde vanaf dan de echtgenoot te kunnen noemen. In goede en slechte tijden.
Ook op materieel vlak heb ik alles wat ik nodig heb. Ik heb een laptop, een tablet, een iPad, een iPhone, alles wat ik nodig heb (veel meer dan ik nodig heb, eigenlijk) om m’n werk goed voor te bereiden, om in contact te blijven en nog meer. Ik heb een goed gevuld schoenenrek (I love shoes!) en een kleerkast die met de regelmaat van de klok bijgevuld wordt (en I love shopping…). De koelkast en de kast zijn altijd goed gevuld, net als het wijnrek. We rijden met een mooie auto, en binnenkort komt er een nieuw exemplaar aan. Wanneer ik geen tijd of zin heb om te koken gaan we gezellig uiteten. En zo kan ik nog even doorgaan. Als je dit leest lijkt deze hele opsomming een beetje onnozel. Alles lijkt misschien vanzelfsprekend. Maar ik besef dat dit voor veel mensen op de wereld niet vanzelfsprekend is. Ik wil geen “wereldverbeteraar” zijn, maar weet wel dat ik bij de gelukkigen ben die op de juiste plaats geboren zijn. En dat ik gelukkig moet zijn met alle luxe die ik heb.

Het zal je wel opvallen dat ik elke keer begin met “ik heb”. Een heel andere manier van denken dan het eeuwige “ik wil”. En ik moet eerlijk zeggen dat dit stuk zichzelf heeft geschreven, ik moest er niet bij nadenken. Bij het typen van de woorden “ik heb” kwam de rest vanzelf. Toch ben ik bang om op de duur terug te gaan vervallen in het willen. Daarom ga ik meedoen aan de 100 Happy Days Challenge. 100 dagen lang ga ik elke dag een foto nemen van iets dat me die dag gelukkig maakt. 100 dagen lang ga ik elke dag even stilstaan bij iets dat ik heb. Misschien zijn die 100 dagen genoeg om er een gewoonte van te maken. Om te beseffen dat het geheim om alles te hebben erin bestaat dat ik het al heb. To be continued…

Family is not an important thing – It’s everything

In het begin van mijn verhaal vertelde ik dat mijn wereld stilstond, onmerkbaar voor iedereen rondom mij. Ik vertelde je alles vanuit mijn standpunt, gezien vanuit mijn wereld. Ik besefte zelf niet helemaal dat niet alleen mijn wereld stilstond. Ook die van de rest van mijn familie…

Voor de familie heb ik de berg een aantal keer beklommen, stap voor stap, tot aan de top waar de uitspraak van de dokter wachtte. Voor mij heeft de familie diezelfde berg beklommen, zodat iedereen op de hoogte was. Zo moest ik mezelf niet te veel vermoeien met steeds opnieuw dezelfde beklimming. Ik vertelde al hoe vermoeiend deze klim kan zijn.
Elke keer ik de berg beklom kon ik hier moed uit putten, hoe vermoeiend dit ook was. Moed om ook de bergen die ik in de toekomst nog zal tegenkomen te kunnen beklimmen. Waar ik niet altijd bij stilstond, is dat iedereen zo’n beklimming anders ervaart. Iedereen doet z’n best om in mijn buurt even positief te zijn als ik. Voorzichtig, bezorgd, maar positief. Ik moet eerlijk zijn dat ik drie weken geleden zelfs dát niet opmerkte, ik was te veel bezig met mezelf, en met de verloofde. Te druk bezig met het zoeken van een plaats voor dit nieuwe gegeven in ons leven. Te druk om te zien hoe iedereen rondom mij reageerde op deze plotse verandering.
De eerste stap die iedereen, niet alleen ik, moest nemen was aanvaarden. Aanvaarden dat ik de rest van mijn leven niet enkel deel met de verloofde, maar ook met MS. Aanvaarden dat “in goede en slechte tijden” wel eens een zwaardere beproeving zou kunnen worden dan eerst gedacht. Aanvaarden dat een dierbaar familielid opeens veel minder sterk lijkt te zijn dan altijd werd aangenomen. Aanvaarden dat het is wat het is. Ikzelf had die stap snel genomen. Ik merk nu dat deze stap voor anderen in mijn naaste omgeving de moeilijkste is. Ik merk het aan de dingen die ze zeggen, de woorden die ze kiezen. De manier waarop ze naar me kijken wanneer ik de berg weer eens beklim. Ik hoor het in hoe ze praten over de toekomst. Ik voel het. En ik begrijp het. Eerst niet, maar nu wel. Eerder ging ik er van uit dat als ik het kon aanvaarden, iedereen dat dan maar moest kunnen. Nu begrijp ik dat niet iedereen even snel stapt. Dat niet iedereen dit zomaar kan aanvaarden, wil aanvaarden. Gelukkig weet ik dat die stap ooit zal worden genomen, wanneer ze er klaar voor zijn. En ze beseffen het nu misschien niet, maar met deze stap zal er een grote last van hun schouders vallen.
Het doet me pijn om te zien hoe de mensen rondom mij worstelen met de uitspraak van de dokter. Soms voel ik me schuldig, wanneer ik zie dat anderen verdriet hebben om iets waar ik nog bijna geen tranen voor gelaten heb. Dan denk ik dat het voor hen moet lijken alsof ik onverschillig ben, of dat ik het wil ontkennen. Ik geef toe, er zijn dagen dat ik het moeilijker heb dan anderen. Dat ik de tranen moet bedwingen en aan de verleiding moet weerstaan om een hele dag in m’n bed te blijven liggen. Ik zeg het niet graag luidop, omdat ik bang ben dat de mensen rondom mij dan nog meer moeite gaat hebben met die eerste stap. Omdat ze dan zien dat “aanvaarden” geen garantie geeft op een zorgeloze toekomst, dat je ook na het nemen van die stap niet vrij bent van het piekeren. Maar ik zeg het vooral niet graag luidop, omdat ik geen medelijden wil. Het optimisme heeft nog steeds de bovenhand, en vooral dat wil ik tonen. Want uiteindelijk zal mijn optimisme hen helpen om die eerste stap te zetten, net zoals hun steun mij heeft geholpen bij de eerste stap.
Familie is iets wat te veel als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Iets wat ik altijd als vanzelfsprekend heb beschouwd. Pas wanneer de wereld even stilstaat, besef je hoe belangrijk deze mensen voor je zijn. En hoe belangrijk jij voor hen bent. En vooral: hoe weinig dit wordt gezegd.

Dus dit is voor mijn familie. En ook zijn familie, die binnen enkele maanden ook “officieel” de mijne wordt (maar dat in mijn hart al jarenlang is…). En voor diegenen die eigenlijk geen familie zijn, maar dan toch weer wel, zoals de beste vriendin en de rest van de vrienden en de kinderen in de klas. Ook al zette ik als allereerste de eerste stap, zonder jullie had ik dit niet gekund. Jullie zorgen ervoor dat het optimisme er elke dag weer is. Jullie zorgen voor de nodige dosis moed om door te gaan.
Jullie zijn niet belangrijk… Jullie zijn alles.